Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:10154

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-11-2019
Datum publicatie
05-12-2019
Zaaknummer
Wahv 200.236.958/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Meervoudig arrest. Hoorplicht. Het niet reageren op de antwoordkaart kan niet worden gezien als verklaring dat geen gebruik wordt gemaakt van het recht om te worden gehoord. Dit heeft ertoe geleid dat de aangeboden fysieke hoorzitting geen doorgang heeft gevonden. De gemachtigde is niet in voldoende mate in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Ten overvloede overweegt het hof dat de officier van justitie met het aanbieden (en houden) van een fysieke hoorzitting de gemachtigde in beginsel in voldoende mate in de gelegenheid stelt om te worden gehoord. Dat wordt niet anders als de gemachtigde niet reageert op de antwoordkaart en de daarbij aangeboden mogelijkheid om te worden gehoord. In de situatie dat wel een

hoorzitting is aangeboden en heeft plaatsgevonden (wat in deze zaak niet het geval was), kan niet worden geoordeeld dat de gemachtigde niet voldoende in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord als de gemachtigde, zonder op de antwoordkaart te reageren, daarvan geen gebruik heeft gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2020/33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.236.958/01

CJIB-nummer

: 203972647

Uitspraak d.d.

: 27 november 2019

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 26 februari 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die
gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde voert in hoger beroep onder meer aan dat de kantonrechter heeft miskend dat de beslissing van de officier van justitie niet in stand kan blijven, onder meer wegens schending van de hoorplicht.

2. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wahv juncto artikel 7:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), moet de officier van justitie, voordat hij op het beroep beslist, de gemachtigde in de gelegenheid stellen om te worden gehoord. Ingevolge artikel 7:17 kan hiervan worden afgezien indien:

a. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is;

b. het beroep kennelijk ongegrond is;

c. de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord;

d. de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.

3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde overeenkomstig artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb heeft verzocht om te worden gehoord. Ook de uitzonderingssituaties, bedoeld in artikel 7:17, aanhef en onder a of b, van de Awb doen zich hier niet voor.

4. Bij de stukken van het dossier bevindt zich een (aangetekende) brief van 12 mei 2017 van de officier van justitie waarin hij de gemachtigde bericht dat deze de mogelijkheid krijgt om in persoon of telefonisch gehoord te worden. Daarbij is de gemachtigde gevraagd om met de meegestuurde antwoordkaart zijn voorkeur voor één van de daarop genoemde mogelijkheden

(13 juni 2017 fysiek respectievelijk 16 juni 2017 telefonisch) aan te geven. In de brief is tevens vermeld dat, als er niet voor 30 mei 2017 wordt gereageerd, de officier van justitie dat zal opvatten als een mededeling conform artikel 7:17 aanhef en onder d van de Awb, en dat dan om die reden van het horen wordt afgezien. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen kan in dit geval alleen nog op de voet van artikel 7:17, aanhef en onder c, van de Awb van horen worden afgezien. Daarom begrijpt het hof de verwijzing naar artikel 7:17, aanhef en onder d van de Awb in de brief als verwijzing naar artikel 7:17, aanhef en onder c, van de Awb.

5. Op 13 juni 2017 beslist de officier van justitie op het beroep en verklaart hij het beroep ongegrond. Daarbij deelt de officier van justitie mee dat van horen wordt afgezien, omdat de gemachtigde het antwoordformulier niet heeft geretourneerd.

6. Het hof stelt voorop dat het niet reageren op de antwoordkaart niet kan worden gezien als verklaring dat geen gebruik wordt gemaakt van het recht om te worden gehoord (vgl. het arrest van het hof van 25 juli 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:6137). Dit betekent dat de gemachtigde in de gelegenheid had moeten worden gesteld om te worden gehoord.

7. Het hof leidt uit voormelde gang van zaken af dat het uitblijven van een reactie van de gemachtigde er, zoals was aangekondigd in de brief, toe heeft geleid dat de aangeboden fysieke hoorzitting geen doorgang heeft gevonden. Dit blijkt ook uit het feit dat er geen verslag van de hoorzitting van 13 juni 2017 is gemaakt. Een telefonische hoorzitting, nog afgezien daarvan dat deze ook geen doorgang heeft gevonden, gelet op de datum waarop op het beroep is beslist, is slechts mogelijk op verzoek van een belanghebbende of om gewichtige redenen (artikel 7:19, derde lid, van de Awb). Dat is hier niet aan de orde.

8. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de gemachtigde niet in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen. De overige klachten tegen de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie behoeven daarom geen bespreking meer.

9. Ten overvloede overweegt het hof dat de officier van justitie met het aanbieden (en houden) van een fysieke hoorzitting de gemachtigde in beginsel in voldoende mate in de gelegenheid stelt om te worden gehoord. Dat wordt niet anders als de gemachtigde niet reageert op de antwoordkaart en de daarbij aangeboden mogelijkheid om te worden gehoord. In de situatie dat wel een hoorzitting is aangeboden en heeft plaatsgevonden (wat in deze zaak dus niet het geval was), maar de gemachtigde daarvan, zonder op de antwoordkaart te reageren, geen gebruik heeft gemaakt, kan niet worden geoordeeld dat de gemachtigde niet voldoende in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord.

10. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking aan de betrokkene een sanctie van € 400,- opgelegd voor: “voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 7 november 2016 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [YY-00-YY] .

11. De gemachtigde voert aan dat er aanleiding is om het bedrag van de sanctie te matigen. De auto is onverzekerd geraakt door een administratieve fout. De auto was defect en er kon niet mee op de openbare weg worden gereden. De geldigheid van de tenaamstelling was voorheen ook geschorst en de betrokkene heeft vervolgens na het verlopen van de schorsing, de geldigheid van de tenaamstelling zo snel mogelijk opnieuw geschorst.

12. De advocaat-generaal heeft voorgesteld het bedrag van de sanctie te matigen tot € 200,-.

13. In aanmerking nemend dat de officier van justitie in het kader van een procedure als deze, op de voet van artikel 9, tweede lid, Wahv, een eigen bevoegdheid heeft om in een concrete zaak vast te stellen wat het bedrag van de sanctie dient te zijn, zal het hof de advocaat-generaal hierin volgen en het bedrag van de sanctie matigen tot € 200,-. Naar het oordeel van het hof is met voornoemde matiging voldoende rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden waaronder de gedraging is begaan. Het hof ziet daarom geen aanleiding om over te gaan tot een verdergaande matiging of het achterwege laten van de sanctie.

14. Het voorgaande brengt mee dat het hof het beroep van de betrokkene tegen de inleidende beslissing gedeeltelijk gegrond zal verklaren en het bedrag van de sanctie in de inleidende beschikking zal wijzigen.

15. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

verklaart het beroep tegen de inleiden beschikking gedeeltelijk gegrond;

wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in

€ 200,-;

bepaalt dat van hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld een bedrag van € 200,- door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schuijlenburg, Beswerda en Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.