Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:10115

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-11-2019
Datum publicatie
05-12-2019
Zaaknummer
21-007142-18
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:568
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tbs met dwang, gemaximeerd, bedreiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-007142-18

Uitspraak d.d.: 25 november 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 14 december 2018 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-659152-18 en 16-659754-18, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

wonende te [woonplaats] ,

thans verblijvende in P.I. Lelystad te Lelystad.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 november 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het onder parketnummer 16-659152-18 onder 1 en 2 ten laste gelegde en het onder parketnummer 16-659754-18 onder 2 ten laste gelegde en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar, met aftrek van voorarrest, en tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met het bevel tot verpleging van overheidswege, met dien verstande dat de totale duur van de tbs is gemaximeerd tot vier jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. E.H. van den Pol, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraken van de onder parketnummer 16-659754-18 onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten, kan de verdachte daarin niet worden ontvangen. Het hof zal de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte bij het hiervoor vermelde vonnis ter zake van het onder parketnummer 16-659152-18 onder 1 en 2 ten laste gelegde en het onder parketnummer 16-659754-18 onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot de maatregel van tbs met het bevel tot verpleging van overheidswege, met dien verstande dat de totale duur van de tbs is gemaximeerd tot vier jaren. Verder heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken van de onder parketnummer 16-659754-18 onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover in hoger beroep aan de orde - ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 16-659152-18:
1.
hij op of omstreeks 21 februari 2018 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd : "voordat ik [plaats] uitga wil ik nog twee mensen koud maken; jij kunt het zijn, of jij, of die mevrouw die net voor de winkel langsliep", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.
hij op of omstreeks 21 februari 2018 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, (althans met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting), immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd : "als je het lef hebt om een foto van mij te maken en deze door te sturen aan de politie dan gaat vanavond of vannacht het pand de lucht in. Ik heb een bomgordel", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Zaak met parketnummer 16-659754-18 (gevoegd):

2.
hij op of omstreeks 31 augustus 2018 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk beledigend [slachtoffer 2] , in zijn tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd het woord "hoerenzoon", althans een woord van gelijke beledigende aard en/of strekking.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Parketnummer 16-659152-18 feit 1:

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ontkend dat hij de ten laste gelegde bedreiging heeft geuit. De raadsman heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de ten laste gelegde bedreiging. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de bedreiging niet van dien aard was en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij mevrouw [slachtoffer 1] de redelijke vrees kon ontstaan dat zij door toedoen van verdachte het leven zou kunnen verliezen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is van oordeel dat het namens de verdachte door de raadsman gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze verderop in dit arrest zijn opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Op basis van die bewijsmiddelen stelt het hof vast de dat de verbale bedreiging waaraan de verdachte zich schuldig heeft gemaakt van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij aangeefster in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen. Uit de aangifte blijkt ook dat die vrees daadwerkelijk is opgewekt. Op grond van het bovenstaande verwerpt het hof het bewijsverweer van de verdediging.

Feit 2:

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ontkend dat hij de ten laste gelegde bedreiging heeft geuit. Zijn raadsman heeft bepleit dat het terroristisch oogmerk niet bewezen kan worden. Voor het dreigen met een bomgordel is onvoldoende bewijs.

Het hof overweegt als volgt.

Met de advocaat-generaal en anders dan de rechtbank komt het hof tot een bewezenverklaring van bedreiging met een terroristisch oogmerk. Het hof hanteert de bewijsmiddelen zoals die hieronder onder 1 t/m 5 zijn uitgewerkt. Het hof stelt op basis van die bewijsmiddelen vast dat verdachte op 21 februari 2018 in de hobbywinkel is geweest en daar heeft gedreigd met een bomgordel. Op grond van die bewijsmiddelen acht het hof niet aannemelijk dat deze bedreiging gericht was aan de politie, zoals aangevoerd door de verdediging, aangezien hij de uitingen over de bomgordel heeft geuit in de richting van aangeefster en de bewoordingen zelf betrekking hadden op de vernietiging van het winkelpand.

Parketnummer 16-659754-18 feit 2

Door en namens verdachte is aangevoerd dat verdachte niemand heeft beledigd omdat het gesprek al was beëindigd.

Het hof overweegt dat - anders dan verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard - uit de verklaring van aangever blijkt dat verdachte hem op 31 augustus 2018 heeft gebeld en dat verdachte dit gesprek heeft beëindigd met de woorden “hoerenzoon”. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die verklaring te twijfelen. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-659152-18 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 16-659754-18 onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 16-659152-18:

1.
hij op 21 februari 2018 te [plaats] , [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd : "voordat ik [plaats] uitga wil ik nog twee mensen koud maken; jij kunt het zijn, of jij, of die mevrouw die net voor de winkel langsliep";

2.
hij op 21 februari 2018 te [plaats] , [slachtoffer 1] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd : "als je het lef hebt om een foto van mij te maken en deze door te sturen aan de politie dan gaat vanavond of vannacht het pand de lucht in. Ik heb een bomgordel";


Zaak met parketnummer 16-659754-18 (gevoegd):

2.
hij op 31 augustus 2018 te [plaats] , opzettelijk beledigend [slachtoffer 2] , in zijn tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd het woord "hoerenzoon".

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het hof bezigt met betrekking tot het bewezen verklaarde de navolgende bewijsmiddelen:

Parketnummer 16-659152-18

Feit 1 en feit 2

1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, nummer PL0900-2018052110-4, d.d. 21 februari 2018 (p. 500-503 van een dossier met BVH nummer 2018052110), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik ben werkzaam bij de winkel ‘ [winkel] ” te [plaats] . Ik was op

21 februari 2018 aan het werk met [collega] . Er kwam een man de winkel binnen

lopen. De man vertelde dat hij in de problemen zat, het land uit wilde vluchten en gezocht werd. Hij zei dat hij ook iemand op het pleintje voor ons in elkaar had geslagen. Hij zei dat hij voordat hij [plaats] uitging nog twee mensen koud wilde maken.

Hij zei toen: “Jij kunt het zijn, of jij of die mevrouw die voor de winkel langs liep.” Toen hij

dit zei keek hij mij recht in de ogen. Het was heel indringend. Ik voelde dat mijn lichaam

hierdoor verstijfde en mijn hart zat in mijn keel. De combinatie zoals hij keek en de manier

van praten gaven mij een onbehaaglijk en angstig gevoel. Ik liep naar de toonbank om mijn telefoon te pakken. Hij had in de gaten wat ik wilde doen en ik hoorde hem zeggen tegen mij: “Als je het lef hebt om een foto van mij te maken en deze door te sturen naar de politie dan gaat vanavond of vannacht het pand de lucht in. Hij zei dat hij een bomgordel had.” Het kwam heel overtuigend over.

Toen alles achter de rug was begon ik mij shockerig te voelen, trillende handen, zeebenen,

hartkloppingen, echt het gevoel dat we de dans zijn ontsprongen. Ik denk dat als wij tegengas hadden gegeven hij misschien toch wel had gedaan waar hij mee dreigde.

2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, nummer PL0900-2018052110-8, d.d. 21 februari 2018 (p. 504-506 van het onder 1. genoemde dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als verklaring van [collega] :

Op 21 februari 2018 bevond ik mij als werknemer in de winkel genaamd: [winkel] . Er kwam een man in de winkel. Toen mijn collega naar de toonbank liep om, vermoedelijk, haar telefoon te pakken, zei de man met een harde stem: “als je wat doet dan zet ik vannacht deze hele tent in de fik”. Toen hij dit zei liep de man in de richting van mijn collega en de toonbank. De man heeft mij niet persoonlijk bedreigd, maar ik voelde mij wel zeer bedreigd door zijn hele houding en door dat hij zei dat hij anderen geweld aan wilde doen. Ik ben heel erg geschrokken van deze man en ik ben heel bang dat hij weer terug in de winkel komt. Ik vond het vreselijk om mee te maken. Ik vond de man, terwijl hij sprak, zo gedetailleerd en rustig dat ik het gevoel had dat hij een lijstje aan het afwerken was en dat hij deze stappen ook daadwerkelijk zou nemen.

3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0900-2018052110-9, d.d. 21 februari 2018, (p. 510-511 van het onder 1 genoemde dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Op woensdag 21 februari 2018 hoorden wij via onze portofoon dat er iemand gedreigd had met een bomgordel in de [winkel] gelegen in het centrum van [plaats] . Wij zijn vervolgens naar het centrum van [plaats] gereden. Bij de hobbywinkel aangenomen zagen wij dat beide medewerksters hevig geëmotioneerd waren. Wij hoorden hen het volgende zeggen:

Zij hoorden hem zeggen dat hij een bomgordel droeg en dat hij de winkel zou opblazen als zij de politie zouden bellen. Ze hoorden hem zeggen dat hij vandaag twee mensen zou omleggen. Hij dreigde dat als de medewerksters de politie zouden bellen hij terug zou komen en twee mensen zou omleggen.

4. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 30 november 2018, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

Ik ben die winkel binnengegaan. Ik heb gezegd dat ik nog twee mensen koud wil maken. Ik begrijp dat die vrouwen misschien zijn geschrokken, omdat ik opgefokt werd in die winkel.

Parketnummer 16-659754-18

Feit 2:

5. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, nummer PL0900-2018269852-1, d.d. 18 september 2018 (p. 20-22 van een dossier met nummer PL0900-2018269852), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

als verklaring van [slachtoffer 2] :

Deze aangifte richt ik tegen [verdachte] op dit moment woonachtig bij zijn ouders aan [adres] . Ik ben werkzaam bij de reclassering als reclasseringsmedewerker. In het kader van afspreken voor meldplichten had ik telefonisch maar ook via de WhatsApp contact met [verdachte] . De WhatsApp gespreken van 31 augustus 2018 laten zien dat hij mij ook beledigt en bedreigt. Tussen de WhatsApp gesprekken door had [verdachte] mij diezelfde dag ook gebeld. Dit gesprek heeft hij beëindigd met de woorden “hoerenzoon”.

6. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, nummer PL0900-2018269852-5, d.d. 18 september 2018 (p. 15 van het onder 5. genoemde dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van verdachte:

Ik heb hem (het hof begrijpt: de reclasseringsmedewerker [slachtoffer 2] ) tijdens een telefoongesprek beledigd.

De hierboven weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen levert op de redengevende feiten en omstandigheden, op grond waarvan het hof bewezen acht en de overtuiging heeft verkregen, dat verdachte het als voormeld bewezen verklaarde heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 16-659152-18 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het in de zaak met parketnummer 16-659152-18 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met een terroristisch misdrijf.

Het in de zaak met parketnummer 16-659754-18 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft in het vonnis van 14 december 2018 ten aanzien van de strafoplegging onder andere overwogen:

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige verbale bedreigingen. Het - naar het zich laat aanzien - volstrekt willekeurig gekozen slachtoffer was op dat moment werkzaam in een winkel die verdachte was binnengegaan. Uit de verklaringen van het slachtoffer en haar collega volgt dat zij deze situatie als zeer bedreigend hebben ervaren. Zij hebben het gevoel gehad dat verdachte daadwerkelijk de daad bij het woord zou voegen. Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen bij het slachtoffer, maar ook bij haar collega, sterke gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht.

Verdachte heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan de belediging van een reclasseringswerker die met het toezicht van verdachte belast was. Verdachte heeft met dat

beledigen die reclasseringswerker niet alleen in zijn eer en goede naam aangetast, maar

bovendien getuigd van een volstrekt disrespect voor een professionele hulpverlener.

Het hof neemt deze overwegingen over en voegt daar het volgende aan toe.

In het kader van onderhavige strafzaak is over de verdachte op 14 november 2018 een ‘Triple onderzoek Pro Justitia’ uitgebracht door drs. L.P.J. Röst (psychiater), drs. F. Jonker (GZ-psycholoog) en M.D. van der Heide (forensisch milieuonderzoeker). In hoger beroep is een aanvullende rapportage uitgebracht op 13 september 2019. De deskundigen komen tot de conclusie dat verdachte licht verstandelijk beperkt is, en lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis, een aandachtsdeficiëntie-/ hyperactiviteitsstoornis en stoornissen in cannabis- en alcoholgebruik. Deze stoornissen waren ook aanwezige ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten en hebben verdachtes gedragskeuzes en gedraging ten tijde van de ten laste gelegde feiten ook beïnvloed. De deskundigen adviseren om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De conclusies van de deskundigen omtrent de bij verdachte aanwezige stoornis zijn gemotiveerd onderbouwd. Het hof neemt de conclusies in genoemde rapportages dan ook over. Het hof rekent de feiten aan verdachte in verminderde mate toe en houdt hier rekening mee bij de bepaling van de straf.

Het hof heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 oktober 2019, ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten eerder onherroepelijk is veroordeeld, ook voor soortgelijke feiten (belediging).

De deskundigen hebben geadviseerd de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met verpleging van overheidswege op te leggen. De deskundigen hebben daartoe het volgende overwogen: “De mate waarin betrokkene problemen in zijn emotieregulatie ervaart is fors. Al van dagelijkse tegenslagen kan hij extreem boos worden. (…) Een ambulante vorm van hulpverlening in combinatie met de zorg van ouders is ruim onvoldoende om het recidiverisico te verminderen naar een acceptabel niveau. Een klinische behandeling zou zich primair moeten richten op het aanleren van zelfcontrole vaardigheden (agressie, impulsiviteit, middelengebruik). Daarnaast dient betrokkene sociale- en samenwerkingsvaardigheden te leren en gezonder probleemoplossingsstrategieën dan geweld en middelengebruik. Psychiatrische hulp op het gebied van (ADHD) medicatie is eveneens mogelijk aangewezen. Vervolgens dient betrokkene geholpen te worden met een perspectief ontwikkelen om richting te geven aan zijn leven en dient hij adaptieve vaardigheden aan te leren zodat hij beter voor zichzelf kan leren zorgen, meer grip gaat ervaren op zijn leven en meer zelfvertrouwen kan ontwikkelen. Een ambulant kader is ontoereikend. Behandeling binnen een GGZ-instelling is gecontra-indiceerd vanwege het hoge risico op geweld richting hulpverlening. Een vrijwillig behandelkader is eveneens niet toereikend, omdat betrokkene zich niet wil en kan conformeren aan afspraken. Slechts een hoog beveiligingsniveau en een gedwongen kader zullen toereikend zijn om betrokkene te behandelen. Het opleggen van een voorwaardelijke tbs is overwogen maar wordt niet als haalbaar geacht.”

Het hof stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden van de artikelen 37a en 37b, telkens onder het eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr.). Bij de verdachte bestond ten tijde van de bewezen verklaarde feiten een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestesvermogens, verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is vermeld in artikel 37a lid 1 onder 1 Sr, namelijk bedreiging, en de veiligheid van anderen vereist het opleggen van de maatregel en de verpleging van overheidswege. Er bestaat immers volgens de deskundigen een hoog recidivegevaar dat slechts kan worden teruggebracht naar een aanvaardbaar niveau door middel van een behandeling met een hoog beveiligingsniveau en een gedwongen kader. Dwangverpleging is noodzakelijk.

Het hof sluit zich aan bij de onderstaande overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het opleggen van tbs:

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de stoornissen van verdachte en het daaruit voorkomende recidiverisico zodanig zijn dat het vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord is om verdachte onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij. In het licht hiervan komt de rechtbank tot de conclusie dat de algemene veiligheid van personen of goederen eist dat aan verdachte de tbs-maatregel wordt opgelegd. De rechtbank ziet geen andere mogelijkheid dan de maatregel van terbeschikkingstelling van verdachte te gelasten en daarbij te bepalen dat hij van overheidswege wordt verpleegd. Een redelijk aanknopingspunt om van dat bevel verpleging af te zien en te volstaan met aan die maatregel te verbinden voorwaarden is niet voorhanden. De rechtbank heeft daarbij de inhoud van de rapporten over de persoonlijkheid van verdachte, de ernst van de feiten en voorafgegane veroordelingen in aanmerking genomen.

De bewezenverklaarde feiten zijn niet aan te merken als misdrijven gericht tegen of gevaar

veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De aan

de verdachte op te leggen tbs-maatregel is daarom krachtens artikel 38e van het Wetboek

van Strafrecht beperkt tot de maximale periode van vier jaren. De rechtbank zal deze

maatregel daarom opleggen voor de duur van maximaal vier jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd aan verdachte naast de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege een gevangenisstraf voor de duur van één jaar op te leggen. Het hof is echter van oordeel dat in het onderhavige geval een gevangenisstraf naast de tbs-maatregel niet noodzakelijk is. Verdachte zit al anderhalf jaar gedetineerd en het heeft prioriteit dat hij zo snel mogelijk met zijn behandeling kan beginnen. Het hof zal om die reden geen gevangenisstraf aan verdachte opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 57, 63, 266 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-659754-18 onder 1 en 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-659152-18 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 16-659754-18 onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-659152-18 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 16-659754-18 onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld voor de duur van maximaal vier jaren en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Aldus gewezen door

mr. L.J. Bosch, voorzitter,

mr. M.C. Fuhler en mr. L.J. Hofstra, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Dörholt, griffier,

en op 25 november 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.