Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:10108

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-11-2019
Datum publicatie
05-12-2019
Zaaknummer
Wahv 200.221.081/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter wegens schending van het beginsel van hoor en wederhoor. De kantonrechter heeft zijn beslissing gebaseerd op informatie die na de behandeling ter zitting is verkregen, zonder de gemachtigde in de gelegenheid te stellen zich over die informatie uit te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2020/31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.221.081/01

CJIB-nummer

: 198508218

Uitspraak d.d.

: 25 november 2019

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 29 juni 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 7 augustus 2019 wordt hier overgenomen.

Het verdere verloop van de procedure

In het tussenarrest is de advocaat-generaal verzocht om nadere informatie te verstrekken. Deze informatie is ontvangen en (in kopie) doorgestuurd aan de gemachtigde van de betrokkene. Deze heeft daarop gereageerd.

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert onder andere aan dat de kantonechter zijn uitspraak heeft gedaan in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. Op pagina 3 worden de schouwrapporten genoemd. De officier van justitie heeft die kennelijk ter zitting overgelegd. Dat is in strijd met de goede procesorde. De kantonrechter had de zaak moeten aanhouden om de gemachtigde de gelegenheid te stellen daarop te reageren.

2. In het dossier zoals het hof dat van de rechtbank heeft ontvangen, bevinden zich geen schouwrapporten. Wel bevindt zich daarin een e-mailbericht van 15 juni 2017 van een medewerker van de CVOM aan een medewerkster van de rechtbank Midden-Nederland, waarin staat dat de eerste “zoals vanochtend ter zitting is afgesproken” de schouwrapporten heeft opgezocht voor de onderhavige zaak en dat bij controle van de bebording op 30 mei 2016 en 11 juni 2016 alles in orde is bevonden. Gelet hierop moet worden aangenomen dat de kantonrechter zijn beslissing mede heeft gebaseerd op informatie die na de behandeling van de zaak ter zitting is verkregen, zonder de gemachtigde van de betrokkene in de gelegenheid te stellen zich over die informatie uit te laten. De kantonrechter heeft gehandeld in strijd met het recht op hoor en wederhoor en zijn beslissing kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. De overige bezwaren tegen de beslissing van de kantonrechter hoeven nu niet meer te worden besproken.

3. De gemachtigde heeft in het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie aangevoerd dat het recht om te worden gehoord is geschonden. Het hof stelt vast dat het verzoek daartoe in administratief beroep op juiste wijze is gedaan en dat zich geen uitzonderingsgevallen voordoen. Het hof zal op basis van deze grond - in het licht van bestendige, bekende en daarom niet nader te bespreken vaste rechtspraak van het hof op dit punt - het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen. De overige bezwaren tegen de beslissing van de officier van justitie hoeven nu niet meer besproken te worden.

4. Aan de betrokken is als kentekenhouder een administratieve sanctie van € 154,- opgelegd voor: overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 19 km/h (verkeersbord A1). Deze gedraging zou zijn verricht op de A2 links (trajectcontrole) te Baambrugge op 31 mei 2016 om 19:47 uur met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

5. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Een ambtsedige verklaring is geen vereiste. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

6. Zoals in het tussenarrest is vermeld stelt de gemachtigde zich op het standpunt dat er niet te snel is gereden omdat op 31 mei 2016 na 19 uur een maximumsnelheid van 130 km/u gold en dat de vraag is gerezen of de toegestane maximumsnelheid voor het stuk A2 waarop de meting heeft plaatsgevonden na 30 mei 2016 is gewijzigd en zo ja, wanneer en door middel van welke borden dit aan de weggebruiker kenbaar is gemaakt.

7. In een proces-verbaal van bevindingen van 14 augustus 2019 staat het volgende. Op 31 mei 2016 om 19:47 uur gold een maximumsnelheid van 100 km per uur. De toegestane maximum snelheid op het traject A2 links, Vinkeveen-Abcoude, is op vrijdag 3 juni 2016 gewijzigd. Door middel van onderborden met de tekst “6-19h”, geplaatst onder de al bestaande borden A1 “100”, is kenbaar gemaakt dat er een variabele maximumsnelheid geldt. Vanaf de datum 3 juni 2016 is de maximum snelheid op het traject A2 links Vinkeveen-Abcoude variabel geworden (100/130). Op het eerder overgelegde schouwrapport van 11 juni 2016 is op de regel van hectometerpaal 42,8 een stukje tekst weggevallen. In het originele Excel bestand staat achter “Plus onderborden” ook “6-19.”

8. In reactie hierop voert de gemachtigde van de betrokkene aan dat uit de overgelegde schouwrapporten noch uit het proces-verbaal volgt wanneer de onderborden feitelijk zijn aangebracht en dat onvoldoende vaststaat dat de onderborden niet reeds op 31 mei 2016 aanwezig waren. De gedraging staat onvoldoende vast.

9. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde aanvoert, zoals in het tussenarrest onder 3 en hiervoor onder 8 vermeld, geen aanleiding om eraan te twijfelen dat op 31 mei 2016 op het traject op de A2 links dat begint bij hectometerpaal 42,7 en eindigt bij hectometerpaal 39,7 de maximumsnelheid 100 km per uur was en dat dit met borden A1 “100” aan weggebruikers kenbaar werd gemaakt. Het proces-verbaal van bevindingen geeft geen aanleiding om aan te nemen dat de variabele snelheid eerder dan op 3 juni 2016 door middel van onderborden is aangegeven. Redenen om aan te nemen dat eventueel aanwezige matrixborden een afwijkende, hogere, snelheid aangaven, is er evenmin. Zelfs als dat wel het geval zou zijn geweest, dan geldt ingevolge het bepaalde in artikel 63b, tweede lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de laagst aangegeven maximumsnelheid.

10. Mede gelet op de gegevens op de beide foto-opnamen van de gedraging, waarop wel degelijk staat dat de geconstateerde snelheid 123 km per uur is, de gegevens in het zaakoverzicht, de door de advocaat-generaal in hoger beroep overgelegde processen-verbaal van schouw, de NMi-verklaring en de in de bijlage daarbij vermelde trajectlengte (2981 meter), is komen vast te staan dat sprake is geweest van een betrouwbare trajectmeting en dat de gedraging is verricht. Dat bepaalde nummers of gegevens slechts op één document staan, doet aan het voorgaande niet af.

11. In geval van een trajectcontrole bestaat geen reële mogelijkheid tot staandehouding. De sanctie kon daarom met toepassing van artikel 5 van de Wahv worden opgelegd aan de betrokkene als kentekenhouder.

12. De argumenten dat de sanctie gematigd dient te worden tot de helft wegens de geringe financiële draagkracht van de betrokkene en dat er sprake is van feiten en omstandigheden die matiging van de sanctie rechtvaardigen, kunnen bij gebrek aan onderbouwing geen doel treffen.

13. Nu de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.