Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1009

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-02-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
21-003780-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:2819, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plofkraak. Partiële vrijspraak van de bestanddelen “levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003780-18

Uitspraak d.d.: 4 februari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 28 juni 2018 met parketnummer 05-780001-18 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging, parketnummers 96-094422-16 en
13-702097-17, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

wonende te [woonplaats] ,

thans verblijvende in [detentie] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.C. van Megen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing, een andere strafoplegging en een andere beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 07 januari 2018 te Didam, gemeente Montferland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door in/op/aan een geldautomaat in een pand (supermarkt aan de Leliestraat 47) een of meerdere explosieven aan te brengen en/of (vervolgens) die geldautomaat te doen/laten exploderen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die geldautomaat en/of dat pand en/of de in dat pand aanwezige inventaris/goederen en/of de nabij gelegen panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer bewoners van boven-/omliggende woningen en/of (toevallige) voorbijgangers, in elk geval levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

Feit 2:

hij op of omstreeks 07 januari 2018 te Didam, gemeente Montferland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een gebouw of een getimmerte, te weten een pand (aan de Leliestraat 47), opzettelijk heeft vernield of beschadigd door in/op/aan een geldautomaat in dat pand een of meerdere explosieven aan te brengen en/of (vervolgens) die geldautomaat te doen/laten exploderen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die geldautomaat en/of dat pand en/of de in dat pand aanwezige inventaris/goederen en/of de nabij gelegen panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar voor een of meer bewoners van boven-/omliggende woningen en/of (toevallige) voorbijgangers, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was.

Feit 3:

hij op of omstreeks 07 januari 2018 te Didam, gemeente Montferland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit (een kluis van) een geldautomaat (in een supermarkt aan de Leliestraat 47) heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 83.000 euro, althans een aanzienlijk geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de ING Bank N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren)/geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door in/op/aan die geldautomaat een of meerdere explosieven aan te brengen en/of (vervolgens) die geldautomaat te doen/laten exploderen, althans door middel van braak en/of verbreking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiële vrijspraak

Standpunt advocaat-generaal

Er was sprake van een behoorlijk grote explosie waarna de ravage in de winkel enorm was. Boven de winkel bevonden zich vijf woningen, waarbij in drie woningen personen aanwezig waren. Verder bevonden zich twee personen op betrekkelijk korte afstand van de winkel op straat. Na de ontploffing werd gevreesd voor instortingsgevaar van het betreffende pand. Verder lag na de plofkraak nog een ongebruikt explosief in de winkel. Daarnaast brengt een dergelijke plofkraak risico op brand met zich mee. De gepleegde ontploffing had tot zwaar lichamelijk of levensgevaarlijk letsel van personen kunnen leiden. Dit gevaar was naar algemene ervaringsregels te duchten en voorzienbaar. Dat verdachte zelf dit gevaar niet heeft voorzien is daarbij niet van belang, aldus de advocaat-generaal.

Verweren verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat sprake is geweest van gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en dat er sprake was van levensgevaar door brand en instorting voor bewoners en voorbijgangers. Zij heeft daartoe – kort samengevat en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat zich feitelijk boven de geldautomaat geen woningen bevonden en dat daarnaast niet is onderzocht in welke woningen de bewoners ten tijde van de plofkraak aanwezig waren. Verder is onduidelijk of de bewoners die thuis waren iets van de plofkraak hebben gemerkt en wat de eventuele schade aan de woningen was. De brandweer heeft geconstateerd dat er geen sprake was van instortingsgevaar van het gebouw. De gevaarzetting voor (eventuele) bewoners was in onderhavig geval naar algemene ervaringsregels niet voorzienbaar. Datzelfde geldt voor eventuele voorbijgangers. Ten eerste is naar algemene ervaringsregel de aanwezigheid van voorbijgangers op het tijdstip van de ontploffing, namelijk om 4.00 uur ’s nachts, niet voorzienbaar. De winkel is op dat moment gesloten en is omringd door een groot parkeerterrein. De getuigen die op het moment van de ontploffing in de buurt aanwezig waren, bevonden zich, gelet op de verklaring van één van deze getuigen, op grote afstand. Daarnaast levert een berekening op Google Maps op dat de getuigen zich op ongeveer 35 tot 38 meter van de ontploffing bevonden. Derhalve kan niet worden gesproken dat de voorbijgangers zich “in de nabije” omgeving bevonden. De raadsvrouw heeft onder de vermelding ‘wellicht ten overvloede’ nog opgemerkt dat het een losstaande geldautomaat betrof waar veel minder explosief voor nodig is dan wanneer het zou zijn gegaan om een geldautomaat verankerd in een muur.

Oordeel hof

Juridisch kader

Het hof overweegt met betrekking tot de bestanddelen levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde het volgende.

In artikel 157, aanhef en onder 2 van het Wetboek van Strafrecht is strafbaar gesteld het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten is.

In artikel 170 van het Wetboek van Strafrecht is strafbaar gesteld het opzettelijke vernielen of beschadigen van onder meer enig gebouw indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.

Om in rechte zodanig gevaar als vaststaand te kunnen aannemen, is vereist dat uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar (of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel) inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar (of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel) ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest (vgl. HR 17 februari 2009, LJN BG1653, NJ 2009/120).

Vastgestelde feiten en omstandigheden

De plaats van het delict, een zogenoemde plofkraak, betreft een supermarkt. In het winkelpand bevond zich een losstaande geldautomaat (pinautomaat), op 10 à 15 meter van de ingang. Verdachte en zijn medeverdachte hebben na de plofkraak een ongebruikt explosief in het winkelpand achtergelaten.

(Schuin) boven de plek waar de pinautomaat zich bevond, zijn vijf woningen gelegen. In drie van deze woningen waren op het moment van de ontploffing personen aanwezig. Op last van de brandweer zijn deze woningen ontruimd vanwege mogelijk ontploffings- en instortingsgevaar. Als gevolg van de ontploffing bleek onder meer de volgende schade te zijn ontstaan. In de ruiten van de voorgevel van het winkelpand waren barsten zichtbaar en de ruit van de rechter schuifdeur van de automatische toegangsdeuren was geheel uit de sponning en lag gebarsten op de grond in het winkelpand. Plafondplaten en aluminium onderdelen van het systeemplafond waren uit het plafond en lagen verspreid op de vloer. Op plaatsen waar de plafondplaten ontbraken hingen elektrische bedrading uit het plafond. De geldautomaat was geheel vernield.

Voor de ingang van het winkelpand is een parkeerterrein. De plofkraak werd gepleegd rond het tijdstip 4.00 uur ’s nachts. Twee voorbijgangers bevonden zich (bij toeval) in de nabijheid van het winkelpand. Van andere voorbijgangers blijkt niet uit het dossier. Eén van de voorbijgangers heeft verklaard dat zij verdachten van grote afstand hebben gezien. Uit de verklaringen van deze voorbijgangers en Google Maps blijkt dat de voorbijgangers zich ten tijde van de plofkraak op een afstand van ongeveer 35 tot 38 meter bevonden.

Levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel?

Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld in welke drie van de vijf woningen personen aanwezig waren ten tijde van de ontploffing. Daarnaast is uit het dossier onvoldoende duidelijk geworden hoe de woningen exact ten opzichte van de geldautomaat zijn gesitueerd. Bovendien constateert het hof dat uit het dossier niet is gebleken dat als gevolg van de ontploffing constructieve schade aan het gebouw is ontstaan. Er is ook geen brand ontstaan.

Met betrekking tot de twee voorbijgangers kan niet worden geconstateerd dat zij zich op zodanige korte afstand van de explosie bevonden dat zij ten tijde van de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten hadden. Van andere voorbijgangers blijkt niet uit het dossier. Derhalve ontbreekt wettig en overtuigend bewijs dat er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel een of meer bewoners van boven-/omliggende woningen en/of (toevallige) voorbijgangers te duchten was.

Het hof zal verdachte derhalve van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 07 januari 2018 te Didam, gemeente Montferland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door in/op/aan een geldautomaat in een pand (supermarkt aan de Leliestraat 47) een of meerdere explosief aan te brengen en/of (vervolgens) die geldautomaat te doen/laten exploderen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die geldautomaat en/of dat pand en/of de in dat pand aanwezige inventaris/goederen en/of de nabij gelegen panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer bewoners van boven-/omliggende woningen en/of (toevallige) voorbijgangers, in elk geval levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

Feit 2:

hij op of omstreeks 07 januari 2018 te Didam, gemeente Montferland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een gebouw of een getimmerte, te weten een pand (aan de Leliestraat 47), opzettelijk heeft vernield of beschadigd door in/op/aan een geldautomaat in dat pand een of meerdere explosief aan te brengen en/of (vervolgens) die geldautomaat te doen/laten exploderen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die geldautomaat en/of dat pand en/of de in dat pand aanwezige inventaris/goederen en/of de nabij gelegen panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar voor een of meer bewoners van boven-/omliggende woningen en/of (toevallige) voorbijgangers, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was.

Feit 3:

hij op of omstreeks 07 januari 2018 te Didam, gemeente Montferland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit (een kluis van) een geldautomaat (in een supermarkt aan de Leliestraat 47) heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 83.000 euro, althans een aanzienlijk geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de ING Bank N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak en/of de/het weg te nemen goed(eren)/geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door in/op/aan die geldautomaat een of meerdere explosieven aan te brengen en/of (vervolgens) die geldautomaat te doen/laten exploderen, althans door middel van braak en/of verbreking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is,

en

medeplegen van een gebouw opzettelijk beschadigen, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met oplegging van bijzondere voorwaarden, waarbij de rechtbank ten aanzien van het onder 1 en 2 de bestanddelen te duchten levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) bewoner(s) en/of (toevallige) voorbijgangers bewezen heeft verklaard. De advocaat-generaal heeft gerequireerd verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde, met bewezenverklaring van de bestanddelen te duchten levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) bewoner(s) en/of (toevallige) voorbijgangers ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, te veroordelen tot dezelfde straf als de rechtbank.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen, en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een plofkraak. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte een geldautomaat in een winkelpand laten ontploffen en een groot geldbedrag uit de automaat gestolen. Nadat verdachte en zijn medeverdachte het pand verlieten, hebben zij een ongebruikt explosief in het pand achtergelaten. Door de ontploffing is grote schade ontstaan aan de automaat zelf en aan het pand waarin deze stond. Ook is de toegangsdeur tot het pand vernield om de geldautomaat te kunnen bereiken. Verdachte en zijn mededader hebben bij het plegen van de bewezenverklaarde feiten puur uit winstbejag gehandeld. Naast schade in en aan een winkelpand veroorzaakt een plofkraak veel onrust voor omwonenden en overlast voor de benadeelden. Het hof rekent dit verdachte zwaar aan.

Ten aanzien van de op te leggen straf dient bij ernstige feiten als de onderhavige als uitgangspunt te gelden dat de oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden is. Het hof betrekt bij haar overwegingen over de hoogte van deze straf de strafoplegging in vergelijkbare zaken. Het hof neemt zodoende als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Strafverlagend is het feit dat het hof, anders dan de rechtbank, niet bewezen heeft verklaard dat door de handelwijze van de verdachte en diens medeverdachte levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) bewoner(s) en/of (toevallige) voorbijgangers te duchten was.

Het hof heeft in het nadeel van verdachte acht geslagen op het feit dat verdachte blijkens zijn uittreksel Justitiële Documentatie van 21 december 2018 vele malen eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Daarnaast liep verdachte ten tijde van het plegen van onderhavige feiten in een proeftijd van twee verschillende rechterlijke uitspraken.

Verder heeft het hof acht geslagen op de reclasseringsadviezen van 23 maart 2018 en
17 januari 2019, alsmede het door de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde psychodiagnostisch onderzoek opgemaakt in het kader van een universitaire stage, ontvangen door verdachte op 1 juni 2018. Uit het psychodiagnostisch onderzoek blijkt onder meer dat het niveau van cognitief functioneren van verdachte als laag wordt ingeschat. Mogelijk is er sprake van persoonlijkheidsproblematiek. Er zijn echter onvoldoende criteria aanwezig om de classificatie te kunnen stellen. Het niveau van cognitief functioneren zou kunnen hebben doorgewerkt in het plegen van de delicten.

Uit de reclasseringsadviezen blijkt onder meer dat er bij verdachte mogelijk sprake is van een verstandelijke beperking. Verdachte beschikt niet over een zinvolle dagbesteding en er is sprake van schuldenproblematiek. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De reclassering acht het van groot belang dat verdachte begeleid wordt bij het vinden en behouden van werk, dat de begeleiding ten aanzien van zijn financiële situatie wordt voortgezet en dat verdachte leert om risicovolle situaties te vermijden en inzicht krijgt in zijn eigen gedrag. Ook is wonen buiten zijn buurt in een begeleide setting geïndiceerd. Verdachte is hiervoor gemotiveerd maar, indien hij in zijn oude omgeving blijft en geen intensieve begeleiding krijgt, niet in staat dit vol te houden. De reclassering heeft derhalve geadviseerd verdachte te veroordelen tot een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarden meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, meewerken aan het verkrijgen en behouden van een betaalde baan/reguliere en zinvolle dagbesteding en meewerken aan een schuldhulpverlenings- of saneringstraject.

Alles overwegende acht het hof een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf kan naar het oordeel van het hof niet worden beperkt tot het door verdachte reeds ondergane voorarrest, omdat dit onvoldoende recht zou doen aan de ernst van de feiten, maar ook gelet op het strafblad van verdachte. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep en naar aanleiding van de over verdachte geschreven rapporten naar voren zijn gekomen, ziet het hof aanleiding om een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf dient mede als stok achter de deur teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan het plegen van strafbare feiten. Het hof stelt hierbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, die strekken tot steun en toezicht en tot door de reclassering noodzakelijk geachte behandeling. Het hof ziet, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, geen aanleiding om een proeftijd van drie jaren op te leggen en zal de proeftijd beperken tot de duur van twee jaren.

Beslag

Het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van de hierna te noemen inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen. Zij behoren volgens verdachte aan hem toe. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de eventueel nog in beslag genomen en niet teruggegeven overige voorwerpen aan de rechthebbende(n).

Vordering van de benadeelde partij ING Bank N.V.

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 18.332,83. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof overweegt dat de vergoeding van de BTW over de gevorderde bedragen niet in de rede ligt, nu de benadeelde partij de BTW met de fiscus kan verrekenen. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij in zoverre afwijzen. Het hof zal derhalve een bedrag toewijzen van € 18.332,83 : 121 x 100 = € 15.151,10.

Net als de rechtbank ziet het hof, gelet op verdachtes zeer beperkte draagkracht en de straf die hem voor deze zaak zal worden opgelegd, aanleiding om af te zien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. De schulden van verdachte zullen alleen maar oplopen, waardoor op voorhand is te voorzien dat het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel waarschijnlijk slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van hechtenis. Daarbij komt dat de voorschotregeling ex artikel 36f, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing is als de benadeelde partij een rechtspersoon is, zoals in het onderhavige geval. Dit maakt dat de benadeelde partij het schadebedrag niet van de staat uitgekeerd zal krijgen als verdachte niet binnen acht maanden aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. De benadeelde partij heeft om die reden onvoldoende baat bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Amsterdam van 20 januari 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week, parketnummer 96-094422-16. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Amsterdam van 12 juli 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 19 dagen, parketnummer 13-702097-17. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14g, 14h, 14i, 14j, 24, 33, 33a, 47, 55, 57, 63, 157, 170 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich uiterlijk binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit arrest zal melden bij de Reclassering Nederland te Amsterdam (op het telefoonnummer [telefoonnummer] ) en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij de reclassering, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. Veroordeelde moet zich daarbij houden aan de aanwijzingen die de Reclassering Nederland hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde;

  • -

    zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen bij forensische polikliniek De Waag, Amsta of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    zijn medewerking dient te verlenen aan het vinden van geschikte en passende woonruimte, ook als dat inhoudt dat hij deel gaat nemen aan een begeleid wonen- of beschermd wonen-traject;

  • -

    zijn medewerking dient te verlenen aan het verkrijgen en behouden van een betaalde baan, dan wel reguliere en zinvolle dagbesteding;

  • -

    zijn medewerking dient te verlenen aan een schuldhulpverleningstraject, dan wel saneringstraject.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    rode scooter;

  • -

    beitel;

  • -

    zwart/gele schroevendraaier;

  • -

    zwarte moker;

  • -

    beitel;

  • -

    rood/zwarte moker;

  • -

    gele betonschaar;

  • -

    geel breekijzer.

Gelast de teruggave van nog niet teruggegeven voorwerpen aan de rechthebbende, voor zover daar nog beslag op rust.

Vordering van de benadeelde partij ING Bank N.V.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ING Bank N.V. ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 15.151,10 (vijftienduizend honderdeenenvijftig euro en tien cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 januari 2018.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 20 januari 2017, parketnummer
96-094422-16, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 juli 2017, parketnummer 13-702097-17, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 19 (negentien) dagen.

Aldus gewezen door

mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,

mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg en mr. M. Nooijen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K. van Laarhoven, griffier,

en op 4 februari 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 4 februari 2019.

Tegenwoordig:

mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,

mr. J. van Onna, advocaat-generaal,

mr. S.H. Diepeveen, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.