Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1002

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
200.245.711/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag, hoofdverblijf, omgang en wijziging geslachtsnaam. Aanhoudende strijd tussen de ouders leidt tot een eenzijdig gezag en hoofdverblijf bij vader. Berichten van moeder zijn bedreigend en diskwalificeren de opvoeders en zijn niet passend richting het kind. Kind (van 17) wil geen omgang. Nu gezag niet langer bij de moeder is, is haar toestemming voor het indienen van het verzoek tot geslachtsnaamwijziging bij de Koning niet nodig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.245.711/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad C/16/457450 / FL RK 18-646)

beschikking van 29 januari 2019

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.F.P. Scheele te Rotterdam,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.M. Wigman te Den Haag.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad (hierna: de rechtbank), van 1 juni 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 31 augustus 2018;

- het verweerschrift met productie(s).

2.2

De minderjarige [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ) is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft in zijn brief, die het hof op 18 december 2018 heeft ontvangen, aangegeven daarvan geen gebruik te willen maken.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 17 december 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Scheele heeft zijn pleitaantekeningen overgelegd en op verzoek van het hof het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2001. [de minderjarige] heeft tot 2012 bij de moeder gewoond en woont sindsdien bij de vader.

3.2

Bij beschikking van 31 juli 2014 van de rechtbank Rotterdam zijn partijen gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] belast, is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam voor de duur van één jaar, is de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader bepaald en is een zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] vastgesteld.

3.3

De ondertoezichtstelling is eenmaal verlengd voor de duur van één jaar.

3.4

Bij vonnis in kort geding van de rechtbank van 18 april 2018 is de vordering van de moeder tot - onder meer - nakoming van de zorgregeling als vastgelegd in de beschikking van 31 juli 2014 van de rechtbank Rotterdam afgewezen en de tenuitvoerlegging van die beschikking voor zover het de zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] betreft geschorst.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking van 1 juni 2018 is bepaald dat het gezag over [de minderjarige] voortaan alleen aan de vader toekomt, is de moeder de omgang met [de minderjarige] ontzegd en is aan de vader vervangende toestemming verleend voor de aanvraag van een wijziging van de geslachtsnaam van [de minderjarige] . Het verzoek van de moeder om een ondertoezichtstelling voor zes maanden af te geven is afgewezen, alsmede haar verzoek om het gezag alleen aan haar te doen toekomen en het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij haar te bepalen.

4.2

De moeder is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 1 juni 2018. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt die beschikking te vernietigen en alsnog na herbeoordeling van de zaak haar verzoeken uit eerste aanleg toe te wijzen, dan wel te beslissen zoals het hof in goede justitie juist acht.

4.3

De vader voert verweer en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en verzoekt aanvullend te bepalen dat mr. Scheele althans de moeder in de kosten wordt veroordeeld ter hoogte van € 3.200,- althans op een door het hof te bepalen bedrag, uitvoerbaar bij voorraad en te bepalen dat de moeder geen procedures meer jegens de vader en de minderjarige aanhangig mag maken, althans zolang [de minderjarige] minderjarig is.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Eerst zal het hof de gezagskwestie en het hoofdverblijf van [de minderjarige] bespreken, vervolgens het verzoek om ondertoezichtstelling van [de minderjarige] , de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] , de geslachtsnaamwijziging, de door de vader gewenste bepaling dat de moeder stopt met procedures en tot slot de door de vader verzochte proceskostenveroordeling.

5.2

Anders dan de moeder, acht het hof zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen, zodat geen reden bestaat om een nader onderzoek te gelasten.

Gezag en hoofdverblijf

5.3

Tot de bestreden beschikking hadden de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

5.4

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.5

Dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden is niet in geschil.

5.6

Na eigen onderzoek komt het hof tot hetzelfde oordeel als de rechtbank namelijk dat er bij gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico is dat [de minderjarige] klem of verloren raakt tussen partijen, dat voldoende verbetering niet binnen afzienbare termijn te verwachten is en dat de vader, bij wie [de minderjarige] sinds 2012 woont en die zorg voor hem draagt, voortaan alleen met het gezag over [de minderjarige] dient te zijn belast. Het is de strijd tussen de ouders die maakt dat zij niet in staat zijn tezamen het ouderlijk gezag uit te oefenen. Van noodzaak om [de minderjarige] opvoedsituatie te wijzigen is in het geheel niet gebleken. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking. De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderzocht of het met [de minderjarige] wel echt zo goed gaat als de vader zegt, nu hij zijn moeder niet mag/wil zien en dat schadelijk is. Het hof is van oordeel dat er zorgen zijn over [de minderjarige] omdat zijn ouders strijden, zijn moeder hem daarmee belast en hij daaronder lijdt, maar van zorgen over de opvoedsituatie bij de vader is niet gebleken. De moeder verwijt de vader dat hij [de minderjarige] bewust bij haar weghoudt en omgang belemmert, dat de vader [de minderjarige] van haar vervreemdt en hij [de minderjarige] jarenlang geïndoctrineerd heeft, waardoor hij slechts napraat wat zijn vader heeft aangegeven. Het hof stelt vast dat al deze stellingen van de moeder geen steun vinden in de stukken en volstrekt haar eigen aandeel in de ontstane situatie miskennen. Andere zorgen over de vader zijn niet nader geconcretiseerd door de moeder.

Het hof onderschrijft verder de overwegingen van de rechtbank zoals weergegeven in de laatste alinea van bladzijde 3 en in de eerste drie alinea's van bladzijde 4 van de bestreden beschikking. Het hof neemt die overwegingen over en maakt die hier tot de zijne. Het hof voegt daar aan toe dat in deze procedure nog recente e-mails van de moeder in het geding zijn gebracht die mede aan [de minderjarige] zijn geadresseerd. De moeder heeft ter zitting van het hof laten weten dat ze de e-mails vanuit emotie heeft geschreven en dat [de minderjarige] moet weten wat de waarheid is, maar dat neemt niet weg dat – daargelaten welke waarheid de moeder bedoelt - de inhoud volstrekt onacceptabel is en schadelijk voor [de minderjarige] . De berichten van de moeder zijn bedreigend en diskwalificeren de vader en zijn partner, terwijl de verdere inhoud niet passend is jegens een (eigen) kind. De moeder gaat met deze e-mails wederom voorbij aan de impact van haar berichten op [de minderjarige] (en de vader), die al veel te verduren heeft gehad. Dit valt de moeder aan te rekenen, temeer nu ze er eerder op is gewezen dat dergelijk handelen schadelijk is voor [de minderjarige] .

Het gebrek aan inzicht in haar gedrag en de impact daarvan op [de minderjarige] weerspreekt de stelling van de moeder dat zij in staat is om (alleen dan wel tezamen met de vader) keuzes te maken - laat staan belangrijke beslissingen te nemen - die in het belang van [de minderjarige] zijn. Het hof zal dan ook de beslissing van de rechtbank om de vader alleen met het gezag te belasten en om de verzochte wijziging van het hoofdverblijf af te wijzen, bekrachtigen.

Ondertoezichtstelling

5.7

De moeder heeft verzocht [de minderjarige] onder toezicht te stellen om het contact tussen haar en [de minderjarige] te herstellen. Als dat niet in een vrijwillig kader kan moet dit gedwongen, aldus de moeder. Na eigen onderzoek komt het hof tot dezelfde conclusie als de rechtbank, inhoudende dat dit verzoek van de moeder dient te worden afgewezen. Het hof is het eens met de overwegingen van de rechtbank zoals weergegeven in de laatste twee alinea's van bladzijde 4 en de eerste twee alinea's van bladzijde 5 van de bestreden beschikking. Het hof neemt die na eigen onderzoek over en maakt die tot de zijne. Het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling is eerder geprobeerd maar heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. Met de rechtbank verwacht het hof niet dat een nieuwe ondertoezichtstelling de problemen binnen afzienbare termijn kan oplossen. De moeder dient bij zichzelf te rade te gaan en zich er rekenschap van te geven dat [de minderjarige] inmiddels zeventien jaar is.

Omgang

5.8

De rechter ontzegt de omgang slechts indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van

het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang

met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

5.9

Net als de rechtbank acht het hof een opgelegde omgangsregeling tussen de moeder en de inmiddels zeventienjarige [de minderjarige] in strijd met zijn zwaarwegende belangen. Na eigen onderzoek onderschrijft het hof de overwegingen van de rechtbank zoals weergegeven in de laatste twee alinea's van bladzijde 5 en de eerste twee van bladzijde 6 van de bestreden beschikking, neemt die over en maakt die tot de zijne. Anders dan de moeder ter zitting van het hof stelt is het niet zo dat er niets ondernomen is om contactherstel tussen haar en [de minderjarige] mogelijk te maken. Zo heeft de ondertoezichtstelling, waarin in een gedwongen kader is geprobeerd het contact te herstellen, niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Ook heeft een bijzondere curator onderzocht of het contact hersteld kon worden en of en zo ja, welke hulpverlening voor [de minderjarige] geboden was, en is de raad voor de kinderbescherming betrokken geweest.

Geslachtsnaamswijziging

5.10

Aan het hof ligt verder de vraag voor of aan de vader vervangende toestemming dient te worden verleend voor het namens [de minderjarige] indienen van een verzoekschrift om de huidige geslachtsnaam van [de minderjarige] , die van de moeder, zijnde ' [verzoekster] ', te wijzigen in die van de vader, zijnde ' [verweerder] '.

5.11

Op grond van artikel 1:7 BW kan de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek of op verzoek van diens wettelijke vertegenwoordiger worden gewijzigd door de Koning. Ingevolge artikel 3 lid 1 aanhef en onder a van het Besluit geslachtsnaamwijziging (hierna: het besluit) kan - voor zover hier van belang - op eensluidend verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger en van degene wiens geslachtsnaam ten behoeve van de minderjarige wordt verzocht, de geslachtsnaam van een minderjarige van twaalf jaren of ouder worden gewijzigd in de geslachtsnaam van de ouder wiens naam het kind niet heeft, indien deze ouder na de ontbinding van het huwelijk of de verbreking van de buitenhuwelijkse samenleving met de andere ouder gedurende ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek de minderjarige heeft verzorgd en opgevoed. Zowel de wettelijke vertegenwoordiger als degene wiens geslachtsnaam ten behoeve van de minderjarige wordt verzocht is hier de vader. Anders dan de rechtbank zal het hof het verzoek van de vader om vervangende toestemming om een dergelijk verzoek bij de Koning in te dienen niet beoordelen aan de hand van artikel 1:253a lid 1 BW, nu dat ziet op geschillen over de gezamenlijke gezagsuitoefening en daar geen sprake meer van is. Medewerking of toestemming van de moeder bij de indiening van het verzoek is niet vereist, terwijl de inhoudelijke toets of de geslachtsnaam gewijzigd kan worden bij de Koning ligt. De mening van [de minderjarige] en de vraag of hij de consequenties van zijn keuze kan overzien behoeft dan ook in deze procedure bij het hof, anders dan de moeder bepleit, geen nader onderzoek.

5.12

Nu de toestemming van de moeder voor het indienen van het verzoek tot geslachtsnaamwijziging bij de Koning niet nodig is, is het verzoek van de vader overbodig. Het hof zal daarom de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en alsnog het verzoek afwijzen.

Procedurestop

5.13

Het verzoek van de vader aan het hof om te bepalen dat de moeder geen procedures meer jegens hem en [de minderjarige] aanhangig mag maken, althans zolang [de minderjarige] minderjarig is, vindt geen steun in het recht en zal het hof daarom afwijzen.

Proceskostenveroordeling

5.14

In een zaak als deze, waar het een geschil omrent het kind van partijen betreft, is het gebruikelijk dat de kosten van het geding in hoger beroep gecompenseerd worden in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Het hof ziet in het door de vader - die zelf de procedure in eerste aanleg is gestart - met betrekking tot de proceskosten gestelde geen aanleiding af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt. Het verzoek van de vader om de moeder in de proceskosten te veroordelen zal het hof daarom afwijzen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, bekrachtigen voor zover het de beslissingen over het ouderlijk gezag, het hoofdverblijf, de ondertoezichtstelling en de omgang betreft, en vernietigen voor zover het de vervangende toestemming voor een verzoek geslachtsnaamswijziging betreft, dat verzoek afwijzen en de overige verzoeken eveneens afwijzen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 1 juni 2018, voor zover het de beslissing over het ouderlijk gezag over de minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2001 betreft en de beslissingen over zijn hoofdverblijf, de ondertoezichtstelling en de omgang tussen hem en de moeder;

vernietigt die beschikking voor zover het de beslissing over de geslachtsnaamwijziging betreft en wijst het verzoek om vervangende toestemming voor het indienen van een verzoek tot geslachtsnaamwijziging alsnog af;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, I.A. Vermeulen en J.L. Roubos, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 29 januari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.