Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9999

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
200.241.271/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is mailbericht GI een schriftelijke aanwijzing?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0286
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.241.271/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/121759 / JE RK 18-45)

beschikking van 15 november 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam

en

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen

gevestigd te Assen,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.E. Bentum te Veendam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 23 mei 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s) van de moeder, ingekomen op 22 juni 2018;

- het verweerschrift met productie(s) van de GI;

- een brief van 5 september 2018 van mr. De Gruijl met productie;

- een brief van 7 september 2018 van mr. De Gruijl met productie.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 18 oktober 2018 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de GI is de heer [C] verschenen.

3 De feiten

3.1

Uit de relatie van de ouders - die tot in 2013 hebben samengewoond - is [de minderjarige] (hierna te noemen [de minderjarige] ) geboren [in] 2009 te [D] .

De ouders oefenen het gezag over [de minderjarige] gezamenlijk uit.

3.2

Na het uiteengaan van de ouders heeft [de minderjarige] haar hoofdverblijf bij de moeder gekregen, zoals was afgesproken en vastgelegd in het ouderschapsplan van februari 2014. Sinds augustus 2016 heeft [de minderjarige] haar feitelijk verblijf bij de vader. In het vonnis in kort geding van 7 oktober 2016 is haar hoofdverblijf ook voorlopig bij de vader bepaald. Bij beschikking van 3 oktober 2017 is, onder wijziging van het ouderschapsplan, het hoofdverblijf bepaald bij de vader.

3.3

Nadat [de minderjarige] feitelijk bij de vader is gaan wonen zijn de ouders met betrekking tot de zorgregeling overeengekomen (vastgelegd in het vonnis in kort geding van 7 oktober 2016) dat zij zullen toewerken naar een regeling waarbij de moeder iedere woensdagmiddag onder begeleiding omgang heeft met [de minderjarige] , welke omgang zo snel mogelijk onbegeleid zal plaatsvinden, en een regeling waarbij [de minderjarige] een weekend per drie weken en na verloop van tijd per twee weken bij de moeder zal verblijven (en ook blijft slapen).

3.4

Bij vonnis in kort geding van 3 april 2017 is deze regeling geschorst en is bepaald dat er begeleide omgang zal zijn tussen de moeder en [de minderjarige] bij de moeder thuis op woensdagmiddag van 15.00 uur tot 17.00 uur. Eind juni 2017 heeft de moeder verdere medewerking aan de begeleide omgangscontacten geweigerd.

3.5

Bij beschikking van de kinderrechter van 20 september 2017 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar tot 20 september 2018. Deze ondertoezichtstelling is bij beschikking van 31 augustus 2018 verlengd tot 20 maart 2019.

3.6

Bij beschikking van de rechtbank van 3 oktober 2017 is, onder wijziging van het ouderschapsplan, een zorgregeling vastgesteld inhoudende dat de jeugdbeschermer (de gezinsvoogd in het kader van de ondertoezichtstelling) nadere invulling dient te geven aan de aard, duur en een opbouw van de frequentie van de contactmomenten, alsmede over de wijze van begeleiding, een en ander met inachtneming van hetgeen in de beschikking is opgenomen en overwogen.

3.7

Op 24 januari 2018 heeft de GI een mailbericht verzonden aan de moeder, met kopie aan de vader, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

"JBN ziet voor nu een begeleide omgang van 1 uur op haar kantoor als haalbaar voor de komende 3 keer.

De frequentie kan tussen de 6 en 8 weken. Een en ander afhankelijk wat voor jou haalbaar is. Dit hoort JBNoord graag van jou zodat we een nieuwe omgang kunnen plannen.

Na 3 keer zal JBNoord de afgelopen omgangen evalueren. Dan zal blijken of de frequentie en duur van de omgang gehandhaafd kan blijven of naar beneden of naar boven bijgesteld moet worden."

3.8

De moeder heeft de rechtbank primair gevraagd om vervallenverklaring van deze door haar als schriftelijke aanwijzing opgevatte mededeling, om vaststelling van een uitgebreidere omgangsregeling en aanvullend, subsidiair, om toepassing te geven aan artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW) en een uitgebreidere omgangsregeling vast te stellen dan wel om, meer subsidiair, de omgangsregeling opgenomen in de beschikking van 3 oktober 2017 te wijzigen en een uitgebreidere omgangsregeling vast te stellen.

3.9

Bij beschikking van 23 mei 2018 heeft de rechtbank de verzoeken van de moeder afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

In hoger beroep verzoekt de moeder de als zodanig opgevatte schriftelijke aanwijzing van 24 januari 2018 vervallen te verklaren en een omgangsregeling met [de minderjarige] vast te stellen die inhoudt dat er 5 à 6 keer iedere week dan wel iedere twee weken een (on)begeleid contact van een dagdeel per keer dan wel twee uur per keer zal zijn, gevolgd door evaluatie en weer 5 à 6 keer begeleid contact, waarna de volgende stap of uitbreiding kan worden bepaald.

4.2

De GI voert verweer en heeft verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen en het verzoek van de moeder af te wijzen.

4.3

De vader heeft ter zitting verweer gevoerd. Hij bestrijdt dat de moeder ontvankelijk is in haar beroep. Inhoudelijk heeft hij gesteld dat het nu goed gaat en dat hij niet tegen uitbreiding van de omgang is wanneer de moeder iets gedaan heeft aan haar problemen en de GI uitbreiding verantwoord vindt.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Voordat het hof toe kan komen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de moeder moet eerst worden beoordeeld of zij dit geschil wel in hoger beroep aan het hof kan voorleggen; met andere woorden: of de moeder ontvankelijk is in haar hoger beroep.

5.2

De vraag is in dit kader wat de juridische status is van het mailbericht van de GI, zoals hierboven onder randnummer 3.7 weergegeven.

De moeder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het mailbericht een schriftelijke aanwijzing is zoals bedoeld in artikel 1:263 BW. Subsidiair heeft zij haar verzoek gebaseerd op artikel 1:262b BW en meer subsidiair moet haar verzoek, aldus de moeder, worden opgevat als een verzoek tot wijziging van de beschikking van de rechtbank van 3 oktober 2017 wegens gewijzigde omstandigheden.

schriftelijke aanwijzing?

5.3

Het hof is van oordeel dat de inhoud van het mailbericht van 24 januari 2018 niet kan worden opgevat als een schriftelijke aanwijzing zoals bedoeld in artikel 1:263 BW. Een dergelijke aanwijzing heeft ten doel de gewenste medewerking van een ouder (of een minderjarige, maar dat is in dit geval niet aan de orde) te bereiken aan de uitvoering van de ondertoezichtstelling wanneer die medewerking niet door overleg en overreding kan worden bereikt. Zo'n aanwijzing heeft dus een dwingend karakter. Dat karakter heeft dit bericht naar het oordeel van het hof niet. Het is een voorstel van de GI aan de moeder hoe de omgang kan worden ingevuld, en als zodanig een rechtstreeks voortvloeisel uit de beschikking van de rechtbank van 3 oktober 2017 waarbij aan de GI de regie over de omgang is gegeven. De moeder hoeft het voorstel van de GI niet te volgen maar kan een ander voorstel doen. Dit mailbericht is dan ook een vorm van overleg en geen dwingende aanwijzing.

geschillenregeling artikel 1:262b BW?

5.4

Of het verzoek van de moeder aan de kinderrechter moet worden opgevat als een geschil als bedoeld in artikel 1:262b BW kan in het midden blijven, nu de moeder erkent dat tegen de beslissing op een dergelijk verzoek geen hoger beroep openstaat (zie artikel 807 Rv.)

wijziging beschikking 3 oktober 2017?

5.5

De vader heeft aangevoerd dat de moeder zich in haar verzoek aan de kinderrechter expliciet heeft gericht tegen het bericht van de GI, terwijl de beschikking van de rechtbank van 3 oktober 2017 een beslissing betreft in een geschil tussen de moeder en de vader. Om een wijziging in die beschikking te kunnen verkrijgen had de moeder dan ook, aldus de vader, hem in de procedure moeten betrekken en niet de GI.

Naar het oordeel van het hof gaat dit verweer niet op, omdat in beide procedures zowel de GI als de vader als belanghebbende zijn aangemerkt.

5.6

Wel snijdt het verweer hout dat inhoudt dat er van een wijziging van omstandigheden geen sprake is sinds de beschikking van 3 oktober 2017, althans dat de moeder dergelijke gewijzigde omstandigheden niet expliciet heeft aangevoerd. Het hof heeft, met de vader, geen concrete gewijzigde omstandigheden aangetroffen in de stellingen van de moeder. Zonder gewijzigde omstandigheden bestaat er geen mogelijkheid om de beschikking van 3 oktober 2017 te wijzigen. Zou dat al anders zijn geweest (en zou er dus wel sprake zijn van gewijzigde omstandigheden), dan voorziet naar het oordeel van het hof de beslissing zoals die in de beschikking van 3 oktober 2017 over de omgang is gegeven, nog steeds het best in de mogelijkheden om die omgang in het belang van [de minderjarige] verantwoord in te vullen, op te bouwen en te evalueren, zodat ook in dat geval wijziging van die beschikking niet aan de orde zou zijn.

5.7

Aangezien het hof ook ambtshalve geen grondslag voor het verzoek van de moeder in hoger beroep ziet, moet de conclusie zijn dat het hof geen grondslag aanwezig acht voor het verzoek van de moeder in hoger beroep. De moeder zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep.

5.8

Het hof komt daarmee niet toe aan een inhoudelijke bespreking van deze zaak.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 23 mei 2018.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.F. Holtvluwer-Veenstra, J.D.S.L. Bosch en M.E. Allegro, bijgestaan door mr. J. Robben als griffier, en is op 15 november 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.