Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9993

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
200.229.917/01 en 200.229.956/01 en 200.229.960/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Hof houdt bij hoogte verdiencapaciteit vrouw rekening met het feit dat zij een Pabo-opleiding volgt die over 2,5 jaar min of meer een baangarantie oplevert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.229.956/01, 200.229.960/01 en 200.229.917/01

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland C/19/114468 FA RK 16-884 en C/19/117358 / FA RK 16-2768)

beschikking van 13 november 2018

in de zaak (met zaaknummer 200.229.917/01) van:

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.J.A. van Es te Meppel,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,

advocaat: mr. W. Hoogerhuis-Wessels te Emmen,

en in de zaak (met zaaknummers 200.229.956/01 en 200.229.960/01) van:

[verweerder] ,

wonende te [B] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,

advocaat: mr. W. Hoogerhuis-Wessels te Emmen,

en

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.J.A. van Es te Meppel.

1. Het geding in eerste aanleg (in beide zaken)

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 27 september 2017, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaak met nummer 200.229.917/01:

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift van de vrouw met productie(s), ingekomen op 21 december 2017;

- het verweerschrift van de man tevens houdende aanvullend c.q. gewijzigd beroepschrift;

- een journaalbericht van mr. Van Es van 11 januari 2018 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Van Es van 24 januari 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Van Es van 22 augustus 2018 met productie(s).
- een journaalbericht van mr. Hoogerhuis-Wessels van 31 augustus 2018 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Van Es van 3 september 2018 met productie(s).


In de zaak met nummers 200.229.956/01 en 200.229.960/01:

2.2

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift van de man met productie(s), ingekomen op 22 december 2017;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep houdende vermeerdering van verzoek in
eerste aanleg van de vrouw met productie(s);

- het verweerschrift van de man tegen het incidenteel hoger beroep/vermeerdering van
verzoek in eerste aanleg van de vrouw;
- een journaalbericht van mr. Hoogerhuis-Wessels van 11 januari 2018 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Hoogerhuis-Wessels van 31 augustus 2018 met productie(s).

2.3

De hierna genoemde minderjarigen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn door het hof gelet op hun leeftijd in de gelegenheid gesteld hun mening over de zaak te geven. Het hof heeft kennisgenomen van de door hen ingevulde formulieren van 23 augustus 2018.

In beide zaken

2.4

De mondelinge behandeling in beide zaken heeft gezamenlijk plaatsgevonden ter zitting van het hof van 13 september 2018 waarbij partijen en hun advocaten zijn verschenen. Zoals ter zitting besproken wordt het door partijen over en weer in beide zaken aangevoerde aangemerkt als te zijn aangevoerd voor beide zaken en zijn de dossiers in zoverre gevoegd.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 2000 in de gemeente [A] in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

3.2

De minderjarige kinderen van partijen zijn:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2000 en;
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2003.

3.3

De vrouw heeft op 20 april 2016 een echtscheidingsverzoek met nevenverzoeken ingediend bij de rechtbank.

3.4

De man heeft op 9 september 2016 een verweerschrift ingediend dat tevens zelfstandige (neven)verzoeken inhoudt.

3.5

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank als volgt beslist:

"De rechtbank:

4.1

spreekt de echtscheiding uit tussen de man en de vrouw (..);
4.2 bepaalt dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben;
4.3 stelt als zorgregeling tussen de man en de minderjarigen vast dat de minderjarigen het
eerste weekend van de maand van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 18.00
uur, de helft van de schoolvakanties en de helft van de feestdagen bij de man
verblijven;
4.4 bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in
de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 483,95 (..) per kind per maand
telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw voldoet als bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van de minderjarigen;
4.5 kent aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in
de registers van de burgerlijke stand tot het moment van verkoop en levering van de
voormalige echtelijke woning een telkens bij vooruitbetaling te ontvangen uitkering
tot levensonderhoud ten laste van de man toe van € 1.357,00 (..) per maand.
4.6 kent aan de vrouw met ingang van het moment van verkoop en levering van de
voormalige echtelijke woning een telkens bij vooruitbetaling te ontvangen uitkering
tot levensonderhoud ten laste van de man toe van € 1.585,- (..) per maand.
4.7 bepaalt dat de vrouw, als zij de echtelijke woning aan de [a-straat 1] in de gemeente
[A] , op de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de
burgerlijke stand nog bewoont, jegens de man bevoegd is die woning en het gebruik

van de tot die woning en de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes
maanden na dat tijdstip voort te zetten;
4.8 bepaalt dat de vrouw gehouden is de helft van de hypotheekrente en eigenaarslasten te
voldoen zolang de woning niet is verkocht en geleverd;
4.9 verstaat dat partijen ter zitting het volgende zijn overeengekomen:

  • -

    de woning aan de [a-straat 1] te [A] zal worden verkocht via [C] te [A] ;

  • -

    de vrouw zal binnen 14 dagen na de zitting deze makelaar benaderen, waarna partijen gezamenlijk de verkoopopdracht aan deze makelaar verstrekken. De vrouw zal binnen 14 dagen na de zitting de makelaar benaderen voor het in gang zetten van de verkoop. De vrouw zal de telefoonnummers en e-mailadressen van beide partijen aan de makelaar geven om een afspraak te maken. De vrouw en de man zullen beiden aanwezig zijn bij de taxatie van de woning. Beide partijen zullen volledige medewerking verlenen aan de verkoop. Partijen zullen de adviezen van de makelaar opvolgen. Het uitgangspunt van partijen is dat de woning € 208.500,- zal opbrengen;

  • -

    de openstaande hypotheekschuld bij [D] zal zo mogelijk worden afgelost met de opbrengst van de woning;

  • -

    de aandelenportefeuilles bij [D] en [E] alsmede de risicoverzekering bij [F] zullen, zo mogelijk, worden gebruikt om de openstaande hypotheekschuld bij [D] af te lossen. Indien er vervolgens nog enige waarde resteert, zal deze bij helfte worden verdeeld;

4.10

stelt de verdeling van de auto's en motor vast overeenkomstig hetgeen partijen ter
zitting zijn overeengekomen en zoals verwoord in rechtsoverweging 3.37 tot en met
3.39;
4.11 stelt de verdeling van de banktegoeden vast, zoals verwoord in rechtsoverweging 3.42
tot en met 3.48;
4.12 bepaalt dat de eenmanszaak [G] aan de man wordt toebedeeld
tegen een waarde van € 6.061,- waarbij de man aan de vrouw een bedrag van
€ 3.030,50 dient te voldoen;
4.13 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behoudens voor zover het de
echtscheiding betreft;
4.14 wijst het meer of anders gevraagde af;
4.15 compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat de man en de vrouw hun
eigen kosten dragen.
(...)"

3.6

De echtscheidingsbeschikking is op 16 januari 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil


In de zaak met nummer 200.229.917/01
4.1 Het geschil in deze procedure betreft de partneralimentatie.

4.2

De vrouw is met vier grieven in hoger beroep gekomen en verzoekt het hof, zakelijk weergeven, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de partneralimentatie betreft en in zoverre opnieuw rechtdoende, de door de man aan de vrouw verschuldigde partneralimentatie te bepalen op € 2.296,- per maand met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

4.3

De man heeft verweer gevoerd en verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de vrouw in hoger beroep af te wijzen, althans de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie op nihil te stellen, althans op een zodanig bedrag als het hof juist acht en te bepalen dat de partneralimentatie na verloop van één jaar op nihil wordt gesteld, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist en redelijk acht.

Nadere afbakening

4.4

De grieven van de vrouw in deze procedure hebben betrekking op de draagkracht van de man op het punt van zijn woonlasten en het onderscheid dat in verband daarmee in de bestreden beschikking is gemaakt.

4.5

Uit het verweerschrift blijkt dat de man het daarmee eens is. Het verweer van de man (lees: incidenteel hoger beroep in deze procedure en principaal hoger beroep in de andere zaak) komt erop neer dat volgens hem de behoefte van de vrouw door de rechtbank te hoog is vastgesteld en dat de vrouw niet behoeftig is. Primair stelt de man zich hierbij op het standpunt dat de verdiencapaciteit van de vrouw voldoende is om in haar behoefte te voorzien en subsidiair, voor zover sprake is van behoeftigheid, voert de man aan dat de berekening van zijn draagkracht correctie behoeft.

In de zaak met nummers 200.229.956/01 en 200.229.960/01

4.6

Het geschil in deze procedure betreft (aanvankelijk) de zorgregeling, de kinderalimentatie, de partneralimentatie en de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk op enkele onderdelen.

4.7

De man is met zeven grieven in hoger beroep gekomen en verzoekt het hof de bestreden beschikking (gedeeltelijk) te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
- als zorgregeling tussen de man en de minderjarigen vast te stellen dat [de minderjarige2] ten minste
twee weekenden per maand van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 18.00 uur,
de helft van de schoolvakanties en de helft van de feestdagen bij de man verblijft en
dat [de minderjarige1] ten minste een weekend per maand van vrijdagmiddag 17.00 uur tot
zondagavond 18.00 uur, de helft van de schoolvakanties en de helft van de feestdagen
bij de man verblijft, althans een zodanige zorgregeling vast te stellen als het hof juist
en redelijk acht;
- te bepalen dat de man een bedrag van € 425,72 per kind per maand als bijdrage in de
kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan de vrouw dient te
voldoen, althans een zodanige bijdrage vast te stellen als het hof juist en redelijk acht;
- de behoefte van de vrouw vast te stellen op een bedrag van circa € 1.800,- netto per
maand, althans de behoefte van de vrouw vast te stellen op een bedrag lager dan
€ 2.227,- per maand;
- te bepalen dat sprake is van een (fictieve) verdiencapaciteit zijdens de vrouw,
inhoudende dat zij geacht kan worden in haar eigen levensbehoefte te voorzien;
- te bepalen dat de vrouw gehouden zal zijn de volledige hypotheekrente alsmede alle
overige aan het gebruik en eigendom van de woning verbonden kosten geheel voor
eigen rekening te nemen, zolang zij in de woning zal wonen en de woning nog niet is
verkocht en geleverd aan een derde partij;
- te bepalen dat de vrouw gehouden zal zijn de volledige hypotheekrente alsmede alle
overige aan het gebruik en eigendom van de woning verbonden kosten geheel voor
eigen rekening te nemen, zolang zij in de woning zal wonen en de woning nog niet is
verkocht en geleverd aan een derde partij;
- het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud af
te wijzen, althans het door de man aan de vrouw te betalen bedrag op nihil te stellen,
althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist en redelijk acht;
- te bepalen dat de schuld van de Chevrolet Volt eveneens dient te worden meegenomen
in de scheiding en (ver)deling van de gemeenschap van goederen van partijen, zodat
de vrouw eveneens draagplichtig is voor het bedrag dat op de peildatum openstond,

kosten rechtens.

4.8

Uit het hiervoor onder 4.3 genoemde verweerschrift van de man volgt -met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 2.4 is overwogen- dat hij zijn verzoek ook in deze procedure heeft aangevuld zoals aldaar (onder 4.3) vermeld.

4.9

De vrouw heeft verweer gevoerd en verzoekt het hof om het verzoek van de man in het principaal hoger beroep af te wijzen, met uitzondering van het verzoek betreffende de zorgregeling. In incidenteel hoger beroep heeft de vrouw haar verzoek in eerste aanleg, voor zover het haar behoefte betreft vermeerderd en verzocht die te bepalen op € 2.462,- netto per maand en (voor zover daarvoor noodzakelijk) de bestreden beschikking in zoverre te vernietigen.

4.10

De man heeft verweer gevoerd in het incidenteel hoger beroep en verzoekt het hof om het verzoek van de vrouw af te wijzen.

In beide zaken
4.11 Het hof zal de geschilpunten tussen partijen in de beide zaken hierna per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing


De zorgregeling

5.1

Het hof zal de door de man verzochte zorgregeling opnemen in het dictum van deze beschikking nu de vrouw daarmee ingestemd heeft en het hof deze regeling in het belang van de kinderen oordeelt mede gelet op hetgeen zij daarover aan het hof hebben laten weten. Het betreft een zorgregeling waarbij [de minderjarige2] bij de man zal zijn gedurende twee weekenden per maand van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 18.00 uur, de helft van de schoolvakanties en de helft van de feestdagen en [de minderjarige1] bij de man zal zijn ten minste een weekend per maand van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 18.00 uur, de helft van de schoolvakanties en de helft van de feestdagen.

5.2

Ter zitting van het hof is gebleken dat de onderlinge communicatie tussen de ouders nog niet optimaal is. Het hof raadt partijen aan daar zo nodig hulp bij in te schakelen bijvoorbeeld door middel van een (vergelijkbaar) traject als " [H] " of mediation.

De kinderalimentatie
5.3 Het hof zal met partijen uitgaan van de juistheid van de beslissing van de rechtbank op dit punt en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen omdat de man ter zitting zijn grief daartegen, die betrekking had op de hoogte van de zorgkorting, niet langer heeft gehandhaafd. Partijen zijn het er in dit verband over eens geworden dat een zorgkorting van 15% dient te worden gehanteerd, wat betekent dat de bestreden beschikking op dit punt in stand kan blijven.

5.4

Voor de draagkrachtberekening van de man ten aanzien van de partneralimentatie heeft dit tot gevolg dat het hof onder post 141 het (gelet op de ingangsdatum) naar 2018 geïndexeerde aandeel van de man in de behoefte van de kinderen van € 1.122,- per maand zal opnemen. Dat betreft in 2018 een bedrag van afgerond € 1.163,- per maand.
De partneralimentatie
De ingangsdatum
5.5 In hoger beroep is gebleken dat de echtscheidingsbeschikking op 16 januari 2018 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Daarmee staat de ingangsdatum, die overigens niet tussen partijen in geschil is, vast.


De behoefte
5.6 Volgens vaste jurisprudentie dient bij het bepalen van de aan de welstand tijdens het huwelijk gerelateerde behoefte rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval. De rechter zal hierbij de inkomsten van beide partijen tijdens de laatste jaren waarin zij een gezamenlijke huishouding voerden in aanmerking moeten nemen alsmede het uitgavenpatroon in dezelfde periode. Ook de (mogelijkheid van) vermogensvorming kan relevant zijn. Als uitgangspunt hierbij geldt dat partijen voor zover mogelijk een levensstandaard blijven voeren die in verhouding staat tot het welstandsniveau tijdens het huwelijk. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter moeten worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en overige, globaal te schatten, uitgaven en reserveringen redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze door de rechter is vastgesteld. De behoefte aan alimentatie moet in redelijkheid worden bepaald met inachtneming van alle door partijen aangevoerde relevante omstandigheden als voormeld.

5.7

De man heeft geklaagd dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de door de vrouw op basis van haar behoeftelijst gestelde behoefte van € 2.227,- netto per maand. De man bepleit enkele correcties daarop (op de posten onderhoud woning, reservering voor vakantie, vervanging inboedel en vervanging auto) en verbindt daaraan de conclusie dat de behoefte van de vrouw € 1.800,- netto per maand bedraagt althans minder dan het door de rechtbank gehanteerde bedrag van € 2.227.- netto per maand.

5.8

De vrouw heeft de grief bestreden en daartoe onder meer gewezen op de gang van zaken en de welstand tijdens het huwelijk. Ook vakanties en vermogensopbouw waren volgens haar onderdeel van de welstand tijdens het huwelijk. In incidenteel hoger beroep stelt de vrouw voorts dat haar behoefte dient te worden verhoogd met (laatstelijk ter zitting genoemd:) € 156,- per maand in verband met de (tweejarige) Pabo-opleiding in deeltijd die de vrouw sinds dit schooljaar volgt in [I] .

5.9

Het hof ziet in het door de man aangevoerde geen aanleiding voor een correctie van de behoefte van de vrouw. De onderliggende stelling van de man komt erop neer dat een deel van de door de vrouw in haar behoeftelijst opgevoerde posten feitelijk niet zijn uitgegeven en dat om die reden haar behoefte op een lager bedrag kan worden vastgesteld. Bepalend zijn hier echter niet in de eerste plaats de feitelijke uitgaven maar de welstand tijdens het huwelijk in het licht van de overige omstandigheden. Uit de toelichting van de man ter zitting leidt het hof af dat partijen ruim hebben geleefd tijdens het huwelijk ("wat er binnen kwam ging er ook weer uit") en dat de door de vrouw in de betreffende lijst opgevoerde posten daarom niet onredelijk hoog zijn, mede gelet op het netto gezinsinkomen in de laatste periode van het huwelijk zoals dat uit de stukken blijkt. Zo heeft de man verklaard dat partijen twee auto's en een motor hadden, regelmatig met elkaar op vakantie gingen in het buitenland en dat zij onderhoud aan de woning wel uitbesteedden. De vrouw heeft erkend dat zij sommige van de door haar in de behoeftelijst opgevoerde posten (vakantie en onderhoud) niet daadwerkelijk heeft uitgegeven maar dat komt volgens haar doordat zij daarin keuzes heeft moeten maken sinds partijen uit elkaar zijn gegaan. Doordat de computer kapot ging moest die vervangen worden en kon de vrouw bijvoorbeeld niet op vakantie. Ook zijn er uitgaven voor de Pabo-opleiding. Zij heeft daarom "de tering naar de nering moeten zetten". Het hof vindt die uitleg overtuigend en ziet geen aanleiding aan te nemen dat de behoefte van de vrouw zou zijn ‘verbleekt’, mede gelet op de relatief korte periode sinds de scheiding.

5.10

Het hof ziet anderzijds evenmin aanleiding de door de rechtbank bepaalde behoefte van de vrouw te verhogen met kosten voor de opleiding. De vrouw baseert haar gestelde behoefte immers met name op de situatie tijdens het huwelijk en gebleken is dat de vrouw ten tijde van het huwelijk geen opleidingsactiviteiten ontplooide. Het staat de vrouw vrij dat nu wel te doen maar dat kan in de gegeven omstandigheden niet worden afgewenteld op de huwelijksgerelateerde behoefte en daarmee mede op de man.

5.11

Het voorgaande betekent dat het hof met de rechtbank uit zal gaan van een behoefte aan de zijde van de vrouw van € 2.227,- netto per maand.

De behoeftigheid

5.12

Een onderhoudsplicht als de onderhavige bestaat alleen bij het ontbreken van mogelijkheden voor de onderhoudsgerechtigde om in eigen behoefte te voorzien. Voor het bepalen van de behoeftigheid wordt daarom rekening gehouden met de redelijkerwijs te verwerven eigen inkomsten. Eventuele toeslagen zijn niet van invloed op de behoeftigheid (vgl. ECLI:NL:HR:2017:1273).

5.13

De man kan zich niet vinden in de overweging van de rechtbank in de bestreden beschikking dat er redenen zijn om nu geen verdiencapaciteit aan de vrouw toe te kennen, gelet op haar leeftijd, werkervaring en opleiding, de huidige arbeidsmarkt en de afstand van de vrouw tot de arbeidsmarkt. De man is van mening dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft die groot genoeg is om geheel in eigen behoefte te voorzien.

5.14

De vrouw is het eens met het oordeel van de rechtbank over haar verdiencapaciteit. Zij wijst daartoe op haar verouderde opleiding (1996 HEAO accountancy), de situatie tijdens het huwelijk, haar ervaring (secretariaat van een kindercircus en overblijfmoeder), haar leeftijd (43) en de omstandigheid dat zij nu de dagelijkse zorg voor de kinderen heeft. Zij heeft voorts een sollicitatieoverzicht overgelegd.

5.15

Het hof is anders dan de rechtbank van oordeel dat aan de vrouw ten tijde van de ontbinding van het huwelijk enige verdiencapaciteit kan worden toegekend. Alles afwegende oordeelt het hof dat de vrouw in staat moet worden geacht in ieder geval € 750,- netto per maand te verdienen. Daarbij heeft het hof enerzijds oog voor de rolverdeling gedurende het huwelijk waarbij de vrouw de meeste zorg voor de kinderen op zich nam, maar neemt het hof anderzijds in aanmerking dat partijen al sinds begin 2016 uit elkaar zijn, dat de vrouw op hbo-niveau is opgeleid, dat de arbeidsmarkt in de lift zit, dat van medische beperkingen bij de vrouw niet is gebleken, dat de kinderen inmiddels op een leeftijd zijn dat de vrouw niet voortdurend voor hen beschikbaar hoeft te zijn en dat de vrouw zich blijkens de overgelegde bescheiden en de daarop gegeven toelichting onvoldoende heeft ingespannen/gesolliciteerd om in eigen onderhoud te voorzien. Zij heeft zich naar eigen zeggen ook niet bij uitzendbureaus ingeschreven. Het hof oordeelt de vrouw daarom in staat om in ieder geval, en daarbij rekening houdend met de deeltijdopleiding die de vrouw volgt, enkele dagen per week te werken en daarmee een inkomen van € 750,- netto per maand te verwerven. Het feit dat de vrouw een Pabo-opleiding volgt die haar, zo heeft zij ter zitting gesteld, over ongeveer twee en een half jaar min of meer een baangarantie oplevert, maakt dat het hof nu niet van een hogere verdiencapaciteit zal uitgaan.

5.16

Het voorgaande betekent dat de behoeftigheid van de vrouw kan worden bepaald op

€ 1.447,- netto per maand (€ 2.227,- minus € 750,-). Gebruteerd is dat een behoeftigheid van circa € 2.330,- per maand. Er zijn naar het oordeel van het hof te veel onzekere factoren om reeds nu aan te nemen dat de behoeftigheid van de vrouw in de toekomst op enig moment tot een bepaald bedrag zal zijn verminderd. Het is in dit verband nog niet duidelijk of de vrouw fulltime dan wel parttime aan de slag kan na het afronden van haar opleiding en ook is de hoogte van het salaris dat zij zal gaan verdienen nog niet bekend. Voor nihilstelling na een bepaalde termijn zoals de man (subsidiair) heeft verzocht ziet het hof daarom nu geen aanleiding. Het hof raadt partijen aan om hierover te zijner tijd in overleg te treden en elkaar op de hoogte te houden van relevante ontwikkelingen.

5.17

Aan de orde is hierna of de draagkracht van de man toereikend is voor zodanige uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw.

De draagkracht van de man voor partneralimentatie
5.18 De man is werkzaam als (zelfstandig) registeraccountant h.o.d.n. [G] .

5.19

Partijen zijn het erover eens geworden dat in de draagkrachtberekening uit kan worden gegaan van een gemiddelde winst (over de jaren 2013 tot en met 2016) van
€ 91.106,-. Daarnaast is tussen partijen in confesso dat in de draagkrachtberekening geen rekening dient te worden gehouden met de lasten verbonden aan de voormalige echtelijke woning van partijen (omdat de vrouw die voldoet tot de verkoop ervan) en ook niet met de huurlasten van de man voor zijn huidige woning (omdat die in het resultaat van de onderneming zijn verdisconteerd). Het hof heeft een en ander overgenomen in zijn draagkrachtberekening en tevens de niet in geschil zijnde ziektekosten van de man, inclusief de aanvullende premie van € 32,- per maand zoals door de vrouw opgenomen in haar berekening, en onder post 141 het hiervoor onder 5.4 genoemde aandeel van de man in de behoefte van de kinderen geïndexeerd naar 2018.

5.20

Het hof verwijst naar de aan deze beschikking gehechte en door de griffier van het hof gewaarmerkte draagkrachtberekening (tarieven 2018/1) waaruit een draagkracht blijkt voor partneralimentatie inclusief fiscaal voordeel van afgerond € 2.237,- bruto per maand.

Conclusie

5.21

Uit het voorgaande volgt dat de draagkracht van de man niet toereikend is om in de gehele behoeftigheid van de vrouw te voorzien en dat de in geding zijnde onderhoudsverplichting daarom wordt begrensd door de draagkracht van de man. Het hof zal de door de man aan de vrouw verschuldigde uitkering tot levensonderhoud bepalen op € 2.237,- bruto per maand nu dat niet het door de vrouw verzochte bedrag overstijgt.

De verdeling
5.22 De grief van de man over de verdeling van de huwelijkse gemeenschap, grief 7, is ter zitting van het hof niet langer door hem gehandhaafd zodat die onbesproken kan blijven. Desgevraagd is namens de man ter zitting voorts toegelicht dat de opmerkingen over de schulden aan de Belastingdienst onder punt 57 van het beroepschrift geen nadere beslissing van het hof behoeven maar onderling door partijen zullen worden afgehandeld.

Proceskosten

5.23

Het hof zal de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, nu partijen ex-echtgenoten zijn en de procedure de echtscheiding met nevenverzoeken betreft.

7 De slotsom

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof beslissen als volgt.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in beide zaken:

vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 27 september 2017 voor zover het de beslissingen over de zorgregeling, de partneralimentatie en de woonlasten betreft (4.3, 4.5, 4.6 en 4.8 in het dictum);

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen aldus dat de voornoemde minderjarige [de minderjarige2] ten minste twee weekenden per maand van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 18.00 uur, de helft van de schoolvakanties en de helft van de feestdagen bij de man verblijft en de voornoemde minderjarige [de minderjarige1] ten minste een weekend per maand van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 18.00 uur, de helft van de schoolvakanties en de helft van de feestdagen bij de man verblijft;

kent aan de vrouw ten laste van de man een uitkering tot levensonderhoud toe van € 2.237,- bruto per maand met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen voor zover de termijnen nog niet zijn verstreken;

bepaalt dat de vrouw gehouden is de volledige hypotheekrente en eigenaarslasten te voldoen van de voormalige echtelijke woning totdat die zal zijn verkocht en geleverd;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;


compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;


wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C. Koopman, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. A.J.Th. Harkema als griffier en is op 13 november 2018 in het openbaar uitgesproken.