Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9983

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-11-2018
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
WAHV 200.201.401
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De officier van justitie heeft het beroep van de pretense gemachtigde terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzuim een deugdelijke machtiging over te leggen niet is hersteld. De pretense gemachtigde heeft slechts een stuk aan de CVOM gefaxt dat niet goed leesbaar is en niet (tevens) per post een leesbare machtiging overgelegd. Dat tijdens het faxverzendproces

de leesbaarheid van de machtiging is afgenomen, is een omstandigheid die voor rekening komt van de pretense gemachtigde, als degene die zich van dit proces bedient.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.201.401

16 november 2018

CJIB 190738847

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland

van 28 september 2016

betreffende

[A] ( [B] B.V.),

kantoorhoudende te [C] ,

beweerdelijk optredende voor
[betrokkene] B.V. (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [D] .

Het tussenarrest

Bij tussenarrest van 5 juli 2018 heeft het hof bepaald dat de onderhavige zaak wordt behandeld op een nader te bepalen zitting van het hof. De inhoud van dat arrest wordt hier als ingelast beschouwd.

Het verdere procesverloop

De zaak is behandeld ter zitting van 2 november 2018. [A] is niet verschenen.
Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. [E] .

Beoordeling

  1. Op grond van de inhoud van het tussenarrest, waarin is overwogen dat [A] niet behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter, zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen. Ter beoordeling van het hof is nu het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie.

  2. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen geldige machtiging is overgelegd en dit verzuim niet of niet tijdig binnen de daartoe gestelde termijn is hersteld.

3. Het hof stelt vast dat bij het administratief beroepschrift een machtiging is gevoegd. Uit die machtiging blijkt, voor zover hier van belang, dat [F] , wonende te [G] , [A] ( [B] B.V.) machtigt om hem - kort samengevat - in rechte te vertegenwoordigen. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de sanctie is opgelegd aan [betrokkene] B.V. gevestigd te [D] . Bij brief van 15 september 2015 heeft de officier van justitie aan [A] verzocht om binnen een termijn van vier weken een machtiging over te leggen waaruit blijkt dat hij door degene die de inleidende beschikking heeft ontvangen, [betrokkene] B.V., is gemachtigd tot het instellen van beroep, bij gebreke waarvan het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

4. Bij de stukken bevindt zich een brief van [A] van 30 september 2015, waarin hij in reactie op de brief van de officier van justitie van 15 september 2015 verwijst naar een machtiging in de bijlage. Het hof stelt vast dat deze bijlage niet goed leesbaar is. Uit een brief van [A] van 17 januari 2016 maakt het hof op dat deze bijlage een overzicht van de leasemaatschappij zou betreffen, waaruit de relatie tussen de betrokkene en de kentekenhouder zou blijken.

5. Nu [A] slechts een stuk aan de CVOM heeft gefaxt dat niet goed leesbaar is en niet (tevens) per post een leesbare machtiging heeft overgelegd, heeft de officier van justitie terecht geoordeeld dat [A] het verzuim een deugdelijke machtiging te overleggen, niet hersteld heeft. Dat tijdens het faxverzendproces de leesbaarheid van de machtiging is afgenomen, is een omstandigheid die voor rekening komt van [A] , als degene die zich van dit proces bedient. Voor zover [A] meent dat de officier van justitie hem in de gelegenheid had moeten stellen om alsnog een leesbaar exemplaar over te leggen, vindt deze stelling geen steun in het recht.

6. Gelet op het voorgaande heeft de officier van justitie het beroep van [A] , zijnde niet beroepsgerechtigd in de zin van artikel 6, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie daarom ongegrond verklaren.

7. Nu [A] door de officier van justitie op juiste gronden niet als gemachtigde is aangemerkt, heeft hij ook in fase bij de kantonrechter en in hoger beroep als een pretense gemachtigde te gelden. Gesteld nog gebleken is van proceskosten die aan hem, procederend op eigen titel, vergoed kunnen worden. Het verzoek tot vergoeding van de proceskosten wordt daarom afgewezen.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.