Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9971

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
23-11-2018
Zaaknummer
200.216.007
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

7:376 en 370, 365 BW

Ontbinding/beëindiging pachtovereenkomst. Medepacht.

Klein landbouwbedrijf in [plaats] met paardenpension. Bedrijfsmatige exploitatie? In licht van alle feiten en omstandigheden wel. Belangenafweging valt in voordeel pachter uit. Zoon voldoet nipt aan eisen voor opvolgend pachter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2018/472
TvAR 2019/7992, UDH:TvAR/15722 met annotatie van D.W. Bruil
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem


afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.216.007

(zaaknummer rechtbank Rotterdam 4554074)

arrest van de pachtkamer van 13 november 2018

in de zaak van

1 [appellant sub 1]

2. [appellante sub 2], weduwe van [A] ,

beiden wonende te [plaats] ,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna: respectievelijk [appellant sub 1] en [appellante sub 2] , en samen [appellant] c.s. ,

advocaat: mr. W.M. Bijloo,

tegen:

1 [geïntimeerde sub 1] en

2. [geïntimeerde sub 2],

beiden wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: [geïntimeerde sub 1] gedaagde in conventie, beiden eisers in reconventie ( [geïntimeerde sub 2] als gevoegde partij),hierna: respectievelijk [geïntimeerde] senior en junior, en samen [geïntimeerde] c.s. ,

advocaat: mr. B. Nijman.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 april 2018 hier over.

1.1

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 26 september 2018.

1.2

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

1.3

[appellant] c.s. vordert in het hoger beroep - kort samengevat en na wijziging van eis - de ontbinding, subsidiair beëindiging van de tussen [appellant] c.s. en [geïntimeerde] senior bestaande pachtovereenkomst en de ontruiming van de percelen.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten:

2.1

[appellant sub 1] en [appellante sub 2] zijn de rechtsopvolgers van (schoon)vader [(schoon)vader] . [appellant sub 1] is eigenaar van de landbouwpercelen [plaats] , sectie D nummers 405 en 402, groot 2 ha. [appellante sub 2] is eigenaar van de percelen [plaats] , sectie D, nummers 401 en 406 groot 1.98.60 ha. De percelen zijn eertijds door wijlen [(schoon)vader] verpacht aan [geïntimeerde] senior die gehuwd is met zijn dochter [dochter] , (schoon)zuster van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] .

2.2

[geïntimeerde] senior heeft tot 2000 een melkveehouderij gedreven. Op 27 september 2014 hebben [geïntimeerde] senior, zijn echtgenote en [geïntimeerde] junior met ingang van
1 januari 2014 een vennootschap onder firma opgericht. De vennootschap exploiteert thans circa 22 ha landbouwgrond, gemiddeld 9 zoogkoeien, 56 ooien en 9 paarden, schaart paarden in en verhuurt 14 pensionpaardenboxen. Bij de boerderij liggen twee woningen. In een van de woningen woont [geïntimeerde] senior met zijn echtgenote. De andere woning bewoont [geïntimeerde] junior met zijn gezin. [geïntimeerde] junior is werkzaam in loondienst bij zijn broer die een grondverzetbedrijf heeft op korte afstand van de boerderij.

2.3

De landbouwgronden liggen in de waard [naam] die is omsloten door de [rivier 1] en de [rivier 2] . Via een brug over de [rivier 3] is de polder ontsloten.

2.4

Bij brief van 28 mei 2015 heeft de toenmalige gemachtigde van [appellant] c.s. aan [geïntimeerde] senior laten weten dat er geen sprake is van bedrijfsmatige landbouw. De gemachtigde van [geïntimeerde] senior heeft dat betwist.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellant] c.s. heeft in eerste aanleg in conventie de ontbinding van de pachtovereenkomst en de ontruiming van de percelen gevorderd. In reconventie heeft [geïntimeerde] senior primair de aanstelling van [geïntimeerde] junior als medepachter en subsidiair de indeplaatsstelling van [geïntimeerde] junior als pachter gevorderd.

3.2

De pachtkamer heeft na een descente en comparitie van partijen bij vonnis van 9 maart 2017 de vorderingen in conventie afgewezen en in reconventie [geïntimeerde] junior als medepachter aangemerkt.

4 De beoordeling van het hoger beroep

4.1

Het tussenarrest, waarin een comparitie van partijen is bepaald, is mede gewezen door een deskundig lid van de pachtkamer dat destijds nog niet bij koninklijk besluit was benoemd en dus nog niet bevoegd was om als zodanig op te treden. Ter zitting heeft het hof dit vermeld en hebben partijen de wens uitgesproken de zitting doorgang te laten vinden ondanks de nietigheid van het tussenarrest. Aldus is geschied, waarbij het hof voor zover nodig de comparitie opnieuw heeft bepaald.

4.2

Het hoger beroep legt het gehele geschil aan het hof voor. Daarbij heeft [appellant] c.s. zijn eis vermeerderd door ook de beëindiging van de pachtovereenkomst te vorderen op dezelfde gronden als de ontbindingsvordering rust, vermeerderd met de belangenafweging als bedoeld in artikel 7:370 lid 1 onder c BW. Ter zitting heeft het hof beslist dat de eiswijziging toelaatbaar is omdat de beëindigingsvordering stoelt op hetzelfde feitencomplex en [geïntimeerde] c.s. niet is geschaad in zijn verdedigingsbelang. Het hof zal recht doen op de gewijzigde eis.

4.3

In hoger beroep is de vordering van [appellant] c.s. voornamelijk gebaseerd op de stelling dat geen sprake is van bedrijfsmatige landbouw. De vraag die dus moet worden beantwoord is of [geïntimeerde] senior - na de beëindiging van het melkveebedrijf - op het gepachte nog een agrarische onderneming drijft die voldoet aan de eisen van bedrijfsmatig gebruik.

4.4

Mede tegen de achtergrond van de wetsgeschiedenis van artikel 7:312 Burgerlijk Wetboek veronderstelt een bedrijfsmatige exploitatie van het gepachte dat sprake is van een complex van economische activiteiten, gericht op winst door uitoefening van de landbouw. Voor de vraag of daarvan sprake is, zijn de navolgende gezichtspunten in het bijzonder van belang:
- de omvang van het bedrijf en de onderlinge samenhang tussen de diverse bedrijfsactiviteiten;
- de vraag of de voor toekomstige winstkansen noodzakelijke investeringen plaatsvinden;
- het redelijkerwijs te verwachten ondernemingsrendement;
- de vraag of de gebruiker een hoofdfunctie buiten de landbouw heeft,
een en ander in onderlinge samenhang te beschouwen en met inachtneming van de overige omstandigheden van het geval.

4.5

Op de verpachter die ontbinding vordert, rust de stelplicht en, bij betwisting, de bewijslast van zijn stelling dat de pachter tekortschiet door geen bedrijfsmatig gebruik te maken van het gepachte. Dat neemt niet weg dat indien er aanleiding bestaat tot twijfel omtrent de vraag of de pachter het gepachte nog bedrijfsmatig exploiteert, de pachter gehouden kan zijn om ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de verpachter feitelijke gegevens te verstrekken, teneinde de verpachter aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. Het is immers bij uitstek de pachter die inzicht heeft in en toegang tot gegevens met betrekking tot de bedrijfsvoering, waaronder boekhoudrapporten en gecombineerde opgaven.

4.6

[geïntimeerde] c.s. heeft voorafgaand aan de zitting boekhoudstukken en opgaven gewaspercelen overgelegd. Mede naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken, moet het ervoor worden gehouden dat de vennootschap de landbouwgronden exploiteert ten behoeve van het weiden van de zoogkoeien, de schapen, pensionpaarden en, in de zomer, ingeschaarde paarden. Verder wendt zij de gronden aan voor voerwinning en verkrijgt zij subsidies voor agrarisch natuurbeheer. Anders dan [appellant] c.s. heeft aangevoerd, oordeelt het hof de natuurpakketten en bijbehorende subsidies als agrarische exploitatie. De pakketten verplichten tot slootkantbeheer en uitgesteld maaibeleid tot 15 juni. Het land mag bemest worden. De grond wordt minimaal twee keer per jaar bemest met eigen mest (koeien- en paardenmest) en aangevoerde drijfmest (varkensmest). Ten minste twee keer per jaar wordt een snede gras geoogst. De door [appellant] c.s. gestelde verschraling of woekering van wortelonkruid is niet (voldoende) geconcretiseerd, mede in het licht van de bevinding van de pachtkamer in eerste aanleg dat het weiland er netjes bij ligt. De kennelijke stelling dat sprake is van wijziging van bestemming die een tekortkoming zou opleveren heeft [appellant] voorts onvoldoende uitgewerkt.

4.7

De inkomsten die de vennootschap hiermee verwerft overtreffen de inkomsten van het paardenpension. Bovendien is de exploitatie van het paardenpension ingebed in de exploitatie van de landbouwgronden en het bedrijf. De vennootschap (en voorheen [geïntimeerde] senior) behaalt jaarlijks een bescheiden nettowinst uit de onderneming (gemiddeld € 15.000 jaarlijks) die grotendeels ten goede komt aan [geïntimeerde] senior en zijn echtgenote. [geïntimeerde] senior ontvangt naast de inkomsten uit het bedrijf AOW. Er zijn weinig schulden. Vanwege de ligging van de landbouwgronden in de waard is uitbreiding binnen de waard nauwelijks mogelijk. Een voorheen gepacht perceel in de waard is in 2013 in eigendom verworven. Uitbreiding buiten de waard is waarschijnlijk niet rendabel. Gelet op de aard en opzet van het bedrijf en de ligging ervan is niet te verwachten dat (grote) investeringen de winstkansen vergroten. Onderhoud en vervanging vinden voldoende plaats.

4.8

Gelet op dit alles is sprake van een weliswaar marginaal, maar winstgevend bedrijf dat voldoende omvangrijk en samenhangend is om te kwalificeren als agrarische onderneming. De stelling van [appellant] c.s. dat geen sprake is van bedrijfsmatige landbouw, faalt dus.

4.9

Aan de vordering tot ontbinding heeft [appellant] c.s. geen andere grondslagen verbonden. Aan de beëindigingsvordering wel. [appellant] c.s. voert aan dat hij belang heeft bij verkoop in onverpachte staat om te voorzien in (zorg)behoeften. [geïntimeerde] c.s. stelt daar tegenover dat de gepachte gronden midden in het blok liggen. Weliswaar zijn er voorzieningen getroffen voor het geval de gepachte percelen door een derde bewerkt zullen worden, maar die zijn niet ideaal.

4.10

Het hof oordeelt dat het financiële belang van [appellant] c.s. zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerde] senior bij behoud van de percelen. Verkoop in verpachte staat levert ook financiële reserves op en gesteld noch gebleken is dat [appellant] c.s. noodzakelijk dient te beschikken over het meerdere dat verkregen kan worden met verkoop in onverpachte staat.

4.11

De conclusie is dat er geen grond is voor ontbinding of beëindiging van de pachtovereenkomst. Het vonnis in conventie zal het hof bekrachtigen.

4.12

Ten aanzien van de vordering in reconventie overweegt het hof dat de stelplicht en, bij betwisting, de bewijslast dat de voorgestelde medepachter niet voldoende waarborgen biedt voor een goede bedrijfsvoering op de verpachter ligt. [geïntimeerde] junior, thans 44 jaar, heeft een middelbare agrarische opleiding en werkt in de vrije uren op het bedrijf van zijn vader. Het bedrijf is te klein om in het inkomen van twee huishoudens te voorzien. [geïntimeerde] junior doet vooral de mechanisatietaken met materieel uit het loonbedrijf van zijn broer. Ter zitting maakte [geïntimeerde] junior de indruk van een betrokken en kundige agrariër, die graag het bedrijf zal overnemen als zijn vader gaat minderen of stoppen. Zijn visie op het bedrijf en de toekomstige (financiële) ontwikkelingen waren daarentegen pover. Het ingediende bedrijfsplan biedt nauwelijks concrete perspectieven op verbetering van de bedrijfsresultaten. Ook valt te betwijfelen of [geïntimeerde] junior te zijner tijd financieel in staat zal zijn het bedrijf over te nemen volgens de vennootschapsakte en dan een rendabele exploitatie kan verwezenlijken. Naast deze kanttekeningen heeft [appellant] c.s. onvoldoende ingebracht om aan te kunnen nemen dat [geïntimeerde] junior op dit moment als medepachter, naast zijn vader, onvoldoende waarborgen biedt voor een goede bedrijfsvoering. Al met al voldoet [geïntimeerde] junior nu nipt aan de eisen en brengt de billijkheid mee dat hij als medepachter kan worden aangemerkt. Het hoger beroep faalt ook in zoverre.
Slotsom

4.13

Het hoger beroep faalt zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] c.s. in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] c.s. zullen worden vastgesteld op € 313 voor griffierecht en op € 2.148 voor salaris advocaat (2 punten x tarief II).

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer te Dordrecht (rechtbank Rotterdam) van 9 maart 2017;

veroordeelt [appellant] c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] c.s. vastgesteld op € 313 voor griffierecht en op € 2.148 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, H.L. Wattel en B.J.H. Hofstee en de deskundige leden mr. E. Oostra en ing. C.R.M. van Wijk, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 november 2018.