Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9905

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
200.205.472
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pensioenrecht. Overdracht pensioen. Uitleg garantieovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0694
PR-Updates.nl PR-2020-0124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummers gerechtshof 200.205.472

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland: 3738763

arrest van 13 november 2018

[appellant] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellant] ,

appellant,

in eerste aanleg: eisende partij,

gemachtigde: mr. M.P.C. Bilderbeek,

tegen:

de stichting Stichting Pensioenfonds HaskoningDHV,

gevestigd te Amersfoort,

verder ook te noemen: het Pensioenfonds,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde partij,

gemachtigde: mr. T.J. Zuiderman.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 10 augustus 2016 dat de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Amersfoort) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 9 november 2016,

- de memorie van grieven tevens houdende vermeerdering van eis,

- de memorie van antwoord tevens incidenteel appel,

- de memorie van antwoord in het incidenteel appel,

- het H12-formulier van de zijde van het Pensioenfonds met een nadere productie,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[appellant] vordert, verkort weergegeven, dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en zal verklaren voor recht:

- dat het Pensioenfonds de Garantieregeling niet correct is nagekomen, dan wel verkeerd heeft toegepast en dat uitgegaan dient te worden van de opgebouwde pensioenrechten op 65-jarige leeftijd die onderdeel uitmaken van de garantie (Deel DHV) en deze te vergelijken met het (geïndexeerde) garantiebedrag op 65-jarige leeftijd;

- dat het garantiebedrag op 65-jarige leeftijd bedraagt € 69.645,50, althans een door het hof vast te stellen bedrag;

- dat het Deel A-restant op 65-jarige leeftijd bedraagt € 6.192,32, althans een door het hof vast te stellen bedrag;

- dat de opgebouwde ouderdomspensioenrechten die onderdeel uitmaken van de Garantieregeling op 65-jarige leeftijd een beloop hebben van € 57.481,86, althans een door het hof vast te stellen bedrag;

- dat [appellant] sinds 1 oktober 2010 heeft misgelopen een bedrag aan ouderdomspensioen van jaarlijks bruto € 12.164,-, althans een door het hof vast te stellen bedrag;

en het Pensioenfonds zal veroordelen tot nakoming van de afspraken conform de Garantieregeling met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 2010 en het verschil ten gunste van het garantiebedrag toe te voegen aan de pensioenuitkering, een en ander op straffe van een dwangsom van € 200,- per dag met een maximum van € 20.000,- , alsmede in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over de (na)kosten.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

3.1

[appellant] , geboren [in] 1945, is op 28 december 1970 in dienst getreden bij HaskoningDHV Nederland, dan wel diens rechtsvoorgangers (hierna: DHV). Vanaf 1 oktober 2010 ontvangt [appellant] een ouderdomspensioen van € 67.089,-- bruto (exclusief omgeruild partnerpensioen) per jaar van het Pensioenfonds.

3.2

In het jaar 1991 is het bedrijfsonderdeel AIB van Philips, waar [appellant] werkzaam was, overgedragen aan DHV. De rechten en verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomsten, waaronder die van [appellant] , zijn overgegaan naar DHV.

3.3

Tussen Philips en DHV zijn afspraken gemaakt over de overgang van de pensioenen van de AIB-werknemers, neergelegd in de Pensioenafspraken d.d. 25 oktober 1991. AIB-werknemers hadden destijds ten laste van het Philips Pensioenfonds recht op een ouderdomspensioen ter grootte van maximaal 70% van de bij Philips geldende pensioengrondslag, dat inging op de 60-jarige leeftijd. Voor de periode vanaf 60 tot 65 jaar bestond een overbruggingspensioen ter compensatie van de (dan ontbrekende) AOW-uitkering. DHV kende destijds een VUT-regeling, die voorzag in een uitkering van 80% van het laatstverdiende loon ingaande op 61-jarige leeftijd en een ouderdomspensioen ter grootte van maximaal 70% van de bij DHV geldende pensioengrondslag, ingaande op 65-jarige leeftijd. De kosten van de VUT (61-65 jaar) werden gefinancierd door de werkgever en de VUT-uitkering werd uitgevoerd en uitgekeerd door een afzonderlijke VUT-stichting. De door AIB-medewerkers per 1 november 1991 bij Philips Pensioenfonds opgebouwde rechten op ouderdomspensioen en overbruggingspensioen voor de periode tussen hun 60ste en 65ste levensjaar werden Deel A genoemd en de rechten opgebouwd voor de periode vanaf 65 jaar Deel B. Tussen de betrokken partijen is afgesproken dat Deel A zou worden aangewend ter financiering van de VUT-regeling van DHV.

3.4

Aan de werknemers van AIB, waaronder [appellant] , is in het kader van de overgang van hun pensioenen naar het Pensioenfonds de keuze geboden om de pensioenaanspraken collectief over te dragen aan het Pensioenfonds, dan wel een premievrije polis van het Philips Pensioenfonds te ontvangen. Aan de AIB-werknemers, waaronder [appellant] , is een “Pensioenoverzicht AIB-Medewerkers i.v.m. overgang naar DHV per 1 november 1991” (hierna: het Pensioenoverzicht) verstrekt. Hierin is een cijfermatige onderbouwing gegeven van de gevolgen van een collectieve overdracht van het pensioen, respectievelijk het verstrekken van een premievrije polis. Bij het Pensioenoverzicht hoort een bijlage “Verklaring bij pensioen-overzicht AIB-medewerkers” van 23 oktober 1991.

3.5

Aan de AIB-werknemers, waaronder [appellant] , is een garantieregeling (hierna: de Garantieregeling) aangeboden, die is verwoord in de artikelen 1 tot en met 4 van de bij de onder 3.4 bedoelde pensioenoverzichten horende “Toelichting bij het pensioenoverzicht van de DHV AIB-medewerkers” (hierna: de Toelichting).

In de Toelichting staat onder meer:

Alvorens u tot een beslissing komt, als u gevraagd wordt in te stemmen met een collectieve overdracht, willen we graag aangeven wat de kernpunten zijn, die wij met de overdrachtsregeling op het oog hebben.

(…) De gehele waarde van de bij Philips opgebouwde rechten komt ten goede aan u. Met andere woorden: de rechten, die u daarvoor bij DHV verkrijgt, zijn gelijkwaardig aan de rechten die u bij Philips hebt verworven. (…)

De enige situatie, waarin het aanhouden van premievrije rechten bij de Philips Pensioenfondsen u voordeel kan bieden is:

*u blijft tot het einde van uw loopbaan in actieve dienst bij DHV en

*op dat moment heeft DHV een VUT-regeling, waarvan u gebruik maakt op basis van de bij DHV doorgebrachte dienstjaren en

*uw salaris bij DHV stijgt door carrièreverloop of anderszins niet significant uit boven de indexering van uw premievrije polis.

De oorzaak van het voordeel is, dat het deel A in die situatie niet wordt uitgekeerd als deel van de VUT-uitkering maar is opgenomen in het pensioen op 65 jaar. (…)

Het zal u duidelijk zijn, dat er in de beschreven situatie sprake is van een onbedoeld voordeel, omdat u bij de nieuwe werkgever de voordelen van het vervroegd uittreden geniet, terwijl u de bij de oude werkgever voor dat doel opgebouwde rechten (deel A) een andere bestemming geeft, namelijk verhoging van uw pensioen op 65 jaar.

Na heroverweging van deze kwestie, realiseren wij ons, dat deze situatie de beslissing voor u ernstig kan bemoeilijken, temeer omdat daarbij onzekerheid bestaat over het voortbestaan van de VUT-regeling en u het toekomstig verloop van uw carrière moet inschatten. Wij zouden het betreuren, wanneer mensen als gevolg van deze onzekerheden zouden afzien van een goede collectieve overdrachtsregeling vanwege een onbedoeld neveneffect.

Om deze onzekerheden voor u zoveel mogelijk weg te nemen hebben wij besloten tot de volgende uitbreiding van de regeling:

1. DHV Pensioenfonds garandeert, dat, indien het totaal van uw bij DHV ingekochte en opgebouwde rechten — na aftrek van het eventueel voor VUT gebruikte deel — op 65-jarige leeftijd een kleiner pensioen oplevert dan de som van een premievrije polis van Philips en het per 1 november 1991 vastgestelde bereikbare DHV-pensioen, dat dan deze laatste som in de plaats treedt van eerstgenoemd pensioen. (Deze som is gelijk aan regel 18).

2. Daartegenover staat, dat indien DHVPensioenfonds zo’n garantie afgeeft, de Philips pensioenjaren niet zullen meetellen bij de opbouw van het recht op VUT, zulks in afwijking van de pensioenafspraken. Indien u op 1 november 1991 ouder was dan 45 jaar zult u in dat geval dus geen volledige VUT-tijd opbouwen. Omgekeerd, wanneer u de voorkeur geeft aan een volledige opbouw van VUT-tijd inclusief uw Philips pensioenjaren, is de bovenbedoelde garantie op u niet van toepassing.

3. Het per 1 november 1991 vastgestelde garantiebedrag zal jaarlijks worden aangepast conform de waardevastheidsindex voor ingegane pensioenen. Wijzigingen in het parttimepercentage zullen eveneens leiden tot aanpassing van het garantiebedrag.

4. De garantie vervalt

a. zodra uw recht op ouderdomspensioen het bedrag van de garantie heeft bereikt,

b. zodra uw dienstverband binnen de DHV-groep eindigt, anders dan wegens intrede van de VUT,

c. zodra de VUT-regeling wordt beëindigd.”

3.6

[appellant] heeft ervoor gekozen zijn opgebouwde pensioen bij het Philips Pensioenfonds over te dragen aan het Pensioenfonds onder toepassing van de Garantieregeling. Het betrof een overstap van de ene naar de andere eindloonregeling, met daaraan bij DHV gekoppeld een collectieve VUT-regeling. De in het laatste deel van in artikel 1 van de Garantieregeling genoemde som bedraagt voor [appellant] f 105.750,-, zoals vermeld op regel 18 van zijn Pensioenoverzicht. Na indexering beloopt dit bedrag volgens het Pensioenfonds € 69.068,43 en volgens [appellant] € 69.645,50 (hierna: het Garantiebedrag).

3.7

De VUT-regeling van DHV is per 1 januari 1995 vervangen door een Tijdelijk Ouderdomspensioenregeling (TOP). Bij brief van 15 maart 1995 heeft het Pensioenfonds [appellant] bericht dat zijn bij Philips Pensioenfonds opgebouwd Deel A gedeeltelijk is omgezet in een aanspraak op TOP en dat het resterende deel is omgezet in een premievrij ouderdomspensioen van f 10.457,93 bruto per jaar. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 28 april 2005 in een door [appellant] tegen het Pensioenfonds aangespannen procedure bepaald dat de TOP-regeling een soortgelijke regeling betreft als de VUT-regeling en dat de Garantieregeling niet is vervallen en toepassing blijft vinden en geoordeeld dat in dat kader het zogenaamde A-deel (Philips deel) mag worden aangewend voor de financiering van de TOP-rechten voor [appellant] , net zoals dat gold voor de VUT-regeling.

3.8

[appellant] heeft in juli 2007 met DHV een vaststellingsovereenkomst gesloten

ter beëindiging van zijn dienstverband met wederzijds goedvinden per 1 oktober 2008. Het voltijdsdienstverband is met ingang van 1 juni 2007 omgezet naar een dienstverband van 80%. In de vaststellingsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“Artikel 1. Beëindiging

De arbeidsovereenkomst tussen DHV en [appellant] zal op grond van de in de considerans genoemde overwegingen met wederzijds goedvinden eindigen met ingang van 1 oktober 2008, mede omdat [appellant] heeft verklaard per gelijke datum met pensioen te gaan en er zorg voor te dragen dat alle formaliteiten in acht genomen worden om dit tijdig te laten ingaan. Bij gebreke hiervan zal de arbeidsovereenkomst onverminderd eindigen.

Artikel 2. Wijziging omvang van het dienstverband

2.1

Met ingang van 1 juni 2007 wordt het voltijdsdienstverband van [appellant] gewijzigd in een deeltijd dienstverband van 80% (derhalve van 1 fte naar 0,8 fte).

2.2

De arbeidsvoorwaarden van [appellant] zullen naar rato van het deeltijdpercentage worden aangepast en uitbetaald. (...).”

3.9

Bij brief van 14 september 2007 van het Pensioenfonds aan [appellant] wordt ten aanzien van de Garantieregeling het volgende medegedeeld:

“De berekening van het verschil tussen het per uw ouderdomspensioendatum (1 oktober 2010) bij DHV bereikbare ouderdomspensioen en het ouderdomspensioen volgens de Philips garantieregeling is afgerond.

Deze berekening (zie bijlage) per 1 januari 2007 wijst uit, dat het ouderdomspensioen volgens de garantieregeling lager is dan het bereikbare DHV ouderdomspensioen. Er zal derhalve geen aanpassing plaatsvinden van uw pensioenaanspraken.”

3.10

[appellant] is ingevolge de vaststellingsovereenkomst met ingang van 1 oktober 2008, de maand waarin hij 63 jaar is geworden, met prepensioen (TOP) gegaan. Het pensioenreglement kent sinds 2004 een prepensioenleeftijd van 63,5 jaar. Het ouderdomspensioen van [appellant] is ingegaan per 1 oktober 2010, de maand waarin [appellant] 65 jaar is geworden.

3.11

Bij brieven van de gemachtigde van [appellant] van 29 november 2012, 29 april 2013 en 23 januari 2014 is het Pensioenfonds aangeschreven en verzocht om uitvoering te geven aan de Garantieregeling op de wijze zoals door [appellant] wordt voorgestaan. Bij brieven van 2 juli 2013, 30 oktober 2013 en 19 februari 2014 van het Pensioenfonds aan de gemachtigde van [appellant] wordt het standpunt van [appellant] bestreden.

3.12

Bij rapport van 14 februari 2013 komt het door [appellant] ingeschakelde bureau KWPS Corparate Pension Solutions tot de volgende conclusie:

4.5 Conclusie

Op basis van de tekst van de garantieregeling menen wij dat DHV heeft gegarandeerd dat de aanspraken die de heer [appellant] op zijn 65ste bij DHV heeft verworven minstens hetzelfde bedragen als het garantiebedrag. De vervalregeling is hierdoor eigenlijk overbodig, omdat tussentijdse berekeningen slechts verwachtingen van op te bouwen pensioenen kunnen weergeven.

Mocht het toch zo zijn dat voor de vervalregeling de te verwachten pensioenaanspraken mogen worden vergeleken met het garantiebedrag, dan is DHV niet consequent geweest in haar berekeningsmethodiek. Zij had in dat geval de fictieve opbouw moeten voortzetten tot oktober 2010, aangezien de heer [appellant] dan de 65-jarige leeftijd bereikt.

5 De schade

(…) De heer [appellant] stelt dat hij door de incorrecte wijze van de toepassing van de garantieregeling financiële schade heeft geleden. De schade is gelijk aan het verschil tussen het garantiebedrag en het opgebouwde pensioen bij DHV. Het pensioen dat de heer [appellant] van DHV ontvangt bedraagt € 67.089 per jaar. Indien het garantiebedrag gescheiden wordt geïndexeerd tot 2010, dan leidt dit tot een bedrag van in totaal € 68.993 (zie bijlage). De heer [appellant] lijdt derhalve een pensioenschade van € 1.904 per jaar.(…)”

3.13

Bij rapport van 30 november 2015 komt het door [appellant] ingeschakelde buro Eric de Bruijn Pensioenconsultancy tot de volgende conclusie:

“(…) Eindconclusie:

1. Mijn conclusie is dat de garantieregeling tussentijds niet is beëindigd. De tekst van de garantieregeling is overduidelijk. Er dient een vergelijking gemaakt te worden met het opgebouwde (bereikt) ouderdomspensioen en niet met het mogelijk op te bouwen (bereikbare) ouderdomspensioen.

2. Het garantiebedrag dient jaarlijks geïndexeerd te worden tot aan de pensioenleeftijd van 65 jaar.

3. Het restant deel A dat als restant afkomstig is van de in 1995 ingevoerde TOP-regeling, dient in de schade te worden meegenomen. (niet het gebruikte A-deel want dat zit in de TOP regeling)

4. Het feit dat de heer [appellant] heeft gekozen voor uitruil van nabestaandenpensioen ten gunste van een hoger ouderdomspensioen dient geëlimineerd te worden. (…)”

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd:

a. te verklaren voor recht, dat het Pensioenfonds de Garantieregeling niet correct is nagekomen dan wel verkeerd interpreteert en toepast ofwel dat uitgegaan dient te worden van de opgebouwde rechten op ouderdomspensioen en de opgebouwde pensioenrechten op

65 jarige leeftijd;

b. te verklaren voor recht, dat het Pensioenfonds in haar vergelijkend overzicht van 1 april 2007 niet de juiste prepensioendatum van [appellant] heeft gehanteerd ofwel dat de werkelijke prepensioendatum van de heer [appellant] , zijnde 1 oktober 2008 is en een gecorrigeerd vergelijkend overzicht had dienen te worden gehanteerd;

c. het Pensioenfonds te veroordelen om met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 2010 tot het nakomen van de afspraken, zoals deze zijn neergelegd in de garantie, door met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 2010 de hoogte van het ouderdomspensioen alsmede het partnerpensioen in lijn te brengen met een correcte naleving van de gegeven garantie, namelijk het garantiebedrag op 65 jarige leeftijd van de heer [appellant] te vergelijken met het conform de garantie opgebouwd ouderdomspensioen bij DHV sinds 1 november 1991, en het verschil ten gunste van het garantiebedrag toe te voegen aan de pensioenuitkering die de heer [appellant] sinds 1 oktober 2010 van SPF DHV ontvangt, en dit mede gebaseerd op de rapportage van de actuaris dat als productie 15 is overgelegd, dit op straffe van een dwangsom ter hoogte van, € 500,00 per dag voor elke dag na betekening van het vonnis dat DHV niet voldoet aan het vonnis;

d. tot betaling van de kosten.

4.2

De kantonrechter heeft bij vonnis van 10 augustus 2016, verkort weergegeven, voor recht verklaard dat het Pensioenfonds de Garantieregeling niet correct is nagekomen, verkeerd heeft toegepast en dat uitgegaan dient te worden van de opgebouwde pensioenrechten op 65-jarige leeftijd. De kantonrechter heeft het Pensioenfonds veroordeeld met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 2010 de Garantieregeling na te komen, namelijk het garantiebedrag op 65-jarige leeftijd van [appellant] te vergelijken met het conform de garantie opgebouwde ouderdomspensioen bij DHV sinds 1 november 1991 en het verschil ten gunste van het garantiebedrag toe te voegen aan de pensioenuitkering, een en ander op straffe van een dwangsom van € 200,- per dag met een maximum van € 20.000,-, de overige vorderingen afgewezen en het Pensioenfonds veroordeeld in de kosten van de procedure.

5. De beoordeling van de grieven en de vorderingen in het principaal en incidenteel hoger beroep

5.1

De grieven in het principaal en in het incidenteel hoger beroep leggen het geschil in volle omvang voor. Het hof zal eerst de grieven 1 en 2 in het incidenteel hoger beroep gezamenlijk beoordelen. Deze grieven richten zich tegen de door de kantonrechter gegeven uitleg aan de Garantieregeling.

5.2

Vaststaat dat de pensioenuitkering die [appellant] vanaf zijn 65-jarige leeftijd per 1 oktober 2010 feitelijk ontvangt lager is dan het Garantiebedrag. Het Pensioenfonds stelt onbetwist dat de reden hiervan is gelegen in de keuzes die [appellant] heeft gemaakt in het kader van de met DHV gesloten vaststellingsovereenkomst (3.8), te weten:

-het terugbrengen van het dienstverband van [appellant] in de periode 1 juni 2007 tot 1 oktober 2008 naar 80% in plaats van 100%, èn

-het eindigen van het dienstverband en aanmelden voor het prepensioen (TOP) op 63-jarige leeftijd per 1 oktober 2008, terwijl het toen geldende Pensioenreglement uitging van een recht op een prepensioenuitkering vanaf de leeftijd van 63,5 jaar.

[appellant] stelt hier tegenover dat deze keuzes niet afdoen aan de gegeven Garantieregeling (op welke stelling hierna wordt teruggekomen), maar betwist niet dat zijn pensioenuitkering vanaf de leeftijd van 65 jaar wel op het niveau van het Garantiebedrag was geweest, als zijn dienstverband tot het bereiken van de leeftijd van 63,5 voor 100% was gecontinueerd. Het hof neemt dit dan ook bij de verdere beoordeling tot uitgangspunt.

5.3

Partijen verschillen van inzicht over het antwoord op de vraag voor wiens rekening en risico het op grond van de Garantieregeling moet komen dat [appellant] ten gevolge van de hiervoor genoemde omstandigheden minder pensioen ontvangt dat het Garantiebedrag. Zij leggen in dat kader de Garantieregeling verschillend uit. [appellant] stelt dat de Garantieregeling is gefixeerd op de in 1991 geldende uitgangspunten en dat die uitgangspunten onverkort van kracht zijn bij de uitleg van de Garantieregeling. Hij baseert zich daarbij op de tekst van artikel 1 (“het totaal van uw bij DHV ingekochte en opgebouwde rechten – na aftrek van het eventueel voor VUT gebruikte deel – op 65-jarige leeftijd”) en het in dat artikel genoemde vaste Garantiebedrag. Hiermee heeft het Pensioenfonds een onvoorwaardelijke en niet-wijzigbare garantie gegeven dat zijn pensioenuitkering vanaf 65 jaar genoemd bedrag zou bedragen en heeft zij alle risico’s voor toekomstige wijzigingen op zich genomen. Omdat de uitgangspunten uit 1991 gelden, op basis waarvan ook de berekeningen zijn gemaakt, kon [appellant] na het bereiken van de 61-jarige leeftijd, de toenmalige VUT-leeftijd, de hiervoor genoemde keuzes maken, omdat zijn dienstverband bij DHV tot dat moment voor 100% in stand was en hij daarmee heeft voldaan aan de voorwaarden van de Garantieregeling, aldus [appellant] . Het Pensioenfonds daarentegen stelt dat de Garantieregeling een zover strekkende toezegging niet inhoudt. Het Pensioenfonds beroept zich daarvoor op de tekst van de Toelichting, de tekst van artikel 3, waarin staat dat wijzigingen in het parttime-percentage leiden tot aanpassing van het Garantiebedrag, en de vervalregeling van artikel 4. [appellant] is gebonden aan de (wijzigingen in de) pensioenreglementen en de wijzigingen in de fiscale en civielrechtelijke wetgeving in het pensioenrecht. Deze hebben onder meer geleid tot vervanging van de VUT-regeling door de TOP-regeling en brengen mee dat voor [appellant] de TOP-gerechtigde leeftijd van 63,5 jaar is gaan gelden.

5.4

Het hof overweegt als volgt. De Garantieregeling is tot stand gekomen in het kader van de overgang van AIB van Philips aan DHV en de daarmee gepaard gaande overgang van de pensioenen van de bij AIB werkzame (circa 165) werknemers van het Philips Pensioenfonds naar het Pensioenfonds. Aan de werknemers is de keuze gegeven om het bij Philips opgebouwde pensioen per 1 november 1991 (collectief) over te dragen aan het Pensioenfonds (hierna: scenario I) of een premievrije polis van de per die datum bij Philips Pensioenfonds opgebouwde rechten te verkrijgen (hierna: scenario II). Door het Pensioenfonds is aan de individuele werknemers het onder 3.4 genoemde Pensioenoverzicht verstrekt, waarin de beide scenario’s cijfermatig zijn onderbouwd. De Garantieregeling is neergelegd in een bij dit overzicht horende Toelichting, gedateerd 13 november 1991. Dit betreft een door het Pensioenfonds opgesteld stuk dat betrekking heeft op de pensioenen van een groep werknemers en bij de totstandkoming waarvan de individuele werknemers niet zijn betrokken. Met partijen is het hof daarom van oordeel dan de uitleg van de Garantieregeling dient te geschieden aan de hand van de zogeheten cao-norm, die meebrengt dat voor de uitleg van de bepalingen de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van de regeling, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij komt het aan op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de Garantieregeling en kan onder meer acht worden geslagen op de elders in dat stuk gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden (zie onder meer HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2376). Bij de uitleg komt beslissende betekenis toe aan alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427).

5.5

De hiervoor weergegeven maatstaf brengt mee dat de Garantieregeling, zoals opgenomen onder 1 tot en met 4, uitgelegd dient te worden in de context van de omstandigheden zoals deze in 1991 voor [appellant] kenbaar waren en in het bijzonder in de context van de Toelichting, waarvan de Garantieregeling onderdeel uitmaakt (3.5). Partijen zijn het in zoverre eens over het karakter van de Garantieregeling, dat zij er beide van uitgaan dat deze tot doel had ervoor te zorgen dat de werknemers na de waardeoverdracht aan het Pensioenfonds niet slechter af zouden zijn dan als zij hun Philips-pensioenen niet zouden hebben overgedragen. De pensioenregeling in 1991 bij Philips hield in een (pre)pensioen vanaf de 60- tot de 65-jarige leeftijd (pensioenopbouw Deel A) en een ouderdomspensioen vanaf de 65-jarige leeftijd (pensioenopbouw Deel B). DHV kende in 1991 een VUT-regeling vanaf 61-jarige leeftijd. In het kader van de overname van AIB is tussen Philips en DHV afgesproken dat deel A zou worden aangewend voor financiering van de VUT-regeling (zie 3.3). In de Toelichting is op pagina 2 onder 1 vermeld wat het Pensioenfonds met de collectieve waardeoverdracht beoogde: de gehele waarde van de bij Philips opgebouwde rechten ten goede te laten komen aan de werknemer en ervoor zorg te dragen de bij DHV te verkrijgen rechten gelijkwaardig waren aan de bij Philips verworven rechten. In de Toelichting worden de scenario’s I en II in algemene zin besproken en wordt, onder verwijzing naar de Pensioenoverzichten waar de Toelichting bijhoort, vermeld dat er (slechts) één situatie is waarin scenario II gunstiger is dan scenario I, te weten die waarin:

-de werknemer tot het einde van zijn loopbaan in actieve dienst bij DHV blijft, en

-DHV op dat moment een VUT-regeling heeft waarvan de werknemer op basis van de bij DHV doorgebrachte dienstjaren gebruik maakt, en

-het salaris van de werknemer niet significant uitstijgt boven de indexering van de premievrije polis.

In het geval van [appellant] blijkt dit ook uit het pensioenoverzicht: in scenario I bedraagt zijn pensioenuitkering in de situatie waarin de VUT-regeling nog bestaat vanaf zijn 65ste leeftijd f 85.975,- (regel 13) en in scenario II f 105.750,- (regel 18). Dat verschil is er niet indien de scenario’s I en II worden vergeleken in de situatie waarin de VUT-regeling niet meer bestaat. Anders dan [appellant] aanvoert was het dus niet in zijn algemeenheid zo dat de AIB-werknemers een hogere aanspraak op ouderdomspensioen op 65-jarige leeftijd zouden ontvangen indien zij hun rechten niet zouden overdragen, maar gold dat slechts in de hiervoor geschetste situatie in het geval de VUT-regeling zou blijven bestaan. Zoals ook uit de Toelichting blijkt is de oorzaak van dit verschil gelegen in het feit dat op grond van de pensioenafspraken Deel A in scenario I wordt aangewend ter financiering van de VUT-uitkering, terwijl dat in scenario II niet het geval is. In scenario II wordt de VUT-uitkering gefinancierd door de VUT-stichting en wordt Deel A toegevoegd aan het opgebouwde pensioen vanaf de 65-jarige leeftijd. In de Toelichting wordt dit een “onbedoeld voordeel” (van scenario II) genoemd. In de Toelichting staat dat het Pensioenfonds, na heroverweging, zich realiseert dat het berekende verschil de beslissing van de werknemers over de te maken keuze tussen de beide scenario’s ernstig kan bemoeilijken, “temeer omdat daarbij onzekerheid bestaat over het voorbestaan van de VUT-regeling en u het toekomstig verloop van uw carrière moet inschatten”. Vervolgens wordt om deze onzekerheden weg te nemen de Garantieregeling (onder de noemer “Uitbreiding van de regeling”) aangeboden. De Garantieregeling moet worden gelezen en uitgelegd in de hiervoor geschetste context, namelijk het wegnemen van een nadeliger resultaat van scenario I ten opzichte van scenario II in het hiervoor beschreven geval (waarin scenario II gunstiger uitpakte). Hierop sluit ook aan het vervalbeding van lid 4 onder c van de Garantieregeling bij beëindiging van de VUT-regeling, omdat het voordeel van scenario II (en daarmee het nadeel van scenario I) zich uitsluitend voordeed indien de VUT-regeling nog zou bestaan en de Garantieregeling dat nadeel nu juist beoogde weg te nemen.

5.6

Het Pensioenfonds heeft zich in een eerder stadium beroepen op de werking van dit vervalbeding en gesteld dat de Garantieregeling na vervanging van de VUT-regeling door de TOP-regeling per 1 januari 1995 is vervallen. In een door [appellant] aangespannen procedure heeft het gerechtshof Amsterdam in zijn arrest van 28 april 2005 (3.7) geoordeeld dat dit beroep van het Pensioenfonds niet opgaat, omdat de TOP-regeling geldt als een gelijksoortige regeling als de oude VUT-regeling van DHV. Daarbij heeft het hof belang gehecht aan de wijze van financiering (uit Deel A) van beide regelingen op grond van de destijds gemaakte pensioenafspraken tussen Philips en DHV. Tussen het Pensioenfonds en [appellant] staat dus vast dat de Garantieregeling bij vervanging van de VUT- door de TOP-regeling van kracht is gebleven. Maar daarmee is naar het oordeel van het hof niet gegeven dat [appellant] onverkort kan blijven vasthouden aan de uitgangspunten die in 1991 aan de berekeningen ten grondslag hebben gelegen. Bij de totstandkoming van de Garantieregeling is uitdrukkelijk rekening gehouden met de mogelijkheid dat de VUT-regeling van DHV zou eindigen. Dat is bij herhaling gemeld in de Toelichting en in het Pensioenoverzicht zijn daar ook verschillende scenario’s voor uitgerekend. Anders dan [appellant] betoogt heeft het Pensioenfonds in de Garantieregeling dan ook niet alle risico’s voor alle toekomstige wijzigingen op zich genomen, nu immers uitdrukkelijk is bepaald dat de Garantieregeling zou vervallen bij het eindigen van de VUT-regeling. Tegen de achtergrond van de bedoeling van de Garantieregeling, zoals deze (ook voor [appellant] kenbaar) uit de Toelichting blijkt en hiervoor onder 5.5 is uiteen gezet, moet de Garantieregeling daarom aldus worden begrepen dat deze [appellant] niet beoogt te vrijwaren van de gevolgen van wijziging van de VUT-regeling in de TOP-regeling. Het uitgangspunt bij de uitvoering van de Garantieregeling is het pensioenreglement van het Pensioenfonds, zoals [appellant] ook erkent. [appellant] is aan wijzigingen van het pensioenreglement dan ook gebonden. Het enkele feit dat bij de berekening van het Garantiebedrag destijds is uitgegaan van een VUT-gerechtigde leeftijd van 61 jaar maakt niet dat deze leeftijd en de andere uitgangspunten uit 1991 voor [appellant] , ongeacht latere (wettelijke) wijzigingen of wijzigingen in de pensioenreglementen, zouden blijven gelden. Dat staat niet in de Garantieregeling en bovendien was de Garantieregeling uitdrukkelijk en kenbaar gekoppeld aan het voortbestaan van de VUT-regeling. Het eindigen van de VUT-regeling heeft voor [appellant] niet geleid tot verval van de Garantieregeling. Door de vervanging van de VUT-regeling door de TOP-regeling is hij voor de uitvoering van de Garantieregeling naar het oordeel van het hof gebonden (geraakt) aan de voorwaarden van deze TOP-regeling. Dit betekent dat zijn keuzes om eerder dan de TOP-gerechtigde leeftijd met (pre)pensioen te gaan en zijn dienstverband tot 80% terug te brengen, waardoor zijn pensioenuitkering niet de hoogte van het Garantiebedrag bereikt, voor zijn rekening dienen te blijven.

5.7

Het voorgaande betekent dat [appellant] op grond van de Garantieregeling geen aanspraak kan maken op aanvulling van door hem vanaf 1 oktober 2010 feitelijk ontvangen pensioenuitkering tot het Garantiebedrag. Dat brengt mee dat de tussen partijen in eerste aanleg gevoerde discussie of het in (het eerste deel van) artikel 1 van de Garantieregeling gaat om een op 65-jarige leeftijd “bereikbaar” of “bereikt” pensioen in het midden kan blijven. Het hof is in de beoordeling immers uitgegaan van het feitelijk per pensioendatum ontvangen pensioen (zoals door [appellant] in eerste aanleg bepleit). Eveneens kan in het midden blijven of de Garantieregeling eerder in 2007 is vervallen op grond van artikel 4 onder a (3.9). Dit betekent dat de grieven 1 en 2 in het incidenteel beroep slagen, dat het hof aan behandeling van de grieven 3 en 4 in het incidenteel beroep niet toekomt en dat grief 2 in het principaal beroep faalt.

5.8

[appellant] voert in grief 1 in het principaal beroep nog aan dat de Garantieregeling de facto uitsluitend ziet op het (per 1 oktober 2008 berekende) ingekochte en geïndexeerde Deel B, vermeerderd met het bij DHV opgebouwde ouderdomspensioen, zodat Deel A buiten beschouwing dient te blijven in de vergelijking van de door hem op 65-jarige leeftijd ontvangen pensioenuitkering. Voor zover hij daarvoor aanvoert dat Deel A bij de overdracht in zijn geheel is opgebruikt voor de financiering van de VUT-regeling, strookt dat niet met de feitelijke bestemming van Deel A, zoals vermeld onder 3.7. Vaststaat immers dat bij de omzetting van de VUT-regeling in de TOP-regeling in maart 1995 Deel A is gebruikt voor de financiering van de TOP-aanspraken van [appellant] en dat, omdat het door [appellant] bij Philips Pensioenfonds opgebouwde Deel A groter was, het restant (Deel A-restant) is omgezet in een afzonderlijke premievrije aanspraak op ouderdomspensioen. In artikel 1 wordt vermeld dat “het totaal van uw bij DHV ingekochte en opgebouwde rechten – na aftrek van het eventueel voor VUT gebruikte deel – op 65 jarige leeftijd ” wordt vergeleken met het Garantiebedrag. Het Deel A, voor zover aangewend voor financiering van de TOP-regeling, valt hier niet onder omdat dit valt onder de aftrek van het voor VUT gebruikte deel. Deel A-restant valt wel onder de omschrijving, omdat dit na de omzetting in 1995 ouderdomspensioen is geworden en daarmee behoort tot de overgedragen en door DHV ingekochte rechten.

5.9

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen heeft [appellant] bij behandeling van subgrief 1 (over hantering van onjuiste DHV-indexcijfers bij de berekening van het Garantiebedrag) geen belang.

5 De slotsom

5.1

Nu de grieven 1 en 2 in het incidenteel hoger beroep slagen, zal het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd. Het principaal hoger beroep faalt. De vorderingen van [appellant] worden alsnog afgewezen.

5.2

[appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het de beide instanties. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van het Pensioenfonds zullen worden vastgesteld op € 750,- voor salaris van de gemachtigde. De kosten voor de procedure in het principaal hoger beroep aan de zijde van het Pensioenfonds zullen worden vastgesteld op € 718,- voor griffierecht en op € 3.222,- (3 punten tarief II) voor salaris van de advocaat. De kosten in het incidenteel hoger beroep aan de zijde van het Pensioenfonds worden vastgesteld op € 1.611,- (1½ punt tarief II) voor salaris van de advocaat.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in het principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt het vonnis van 10 augustus 2016 van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort;

wijst de vorderingen van [appellant] af;

veroordeelt [appellant] in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van het Pensioenfonds voor de eerste instantie begroot op € 750,- aan salaris overeenkomstig het liquidatietarief, in het principaal hoger beroep op € 718,- voor verschotten en € 3.222,- aan salaris overeenkomstig het liquidatietarief en in het incidenteel hoger beroep op € 1.611,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 157,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.F. Hillen, J. van de Merwe en P.G. Vestering en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 november 2018.