Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9898

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
200.204.910
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARL:2019:8170
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorshands geslaagd in bewijs totstandkoming overeenkomst ter zake reparatie auto. Appellant toelaten tot leveren tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.204.910

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 4761327)

arrest van 13 november 2018

in de zaak van

[appellant ] , voorheen h.o.d.n. [bedrijf] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [de reparateur] ,

advocaat: mr. S. Hering-de Monchy,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [de opdrachtgever] ,

advocaat: mr. J.M. de Jonge.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 24 januari 2017 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 7 maart 2017;

- de memorie van grieven, met producties;

- de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel;

- de memorie van antwoord in incidenteel appel.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.9 van het (bestreden) vonnis van 17 augustus 2016, nu tegen de feiten geen grieven zijn aangevoerd.
2.2 De vraag die partijen verdeeld houdt, is of tussen [de opdrachtgever] en [de reparateur] , handelend onder de naam [bedrijf] , een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen is of tussen [de opdrachtgever] en De Klassieker LTD en voorts of sprake is van een tekortkoming in de uitvoering van de overeenkomst. [de opdrachtgever] heeft aangevoerd dat [de reparateur] aansprakelijk is voor de als gevolg van de ondeugdelijke uitvoering van de opdracht door hem geleden schade.

2.3

[de opdrachtgever] heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd om [de reparateur] te veroordelen tot betaling aan [de opdrachtgever] van een bedrag van € 12.980,85 (inclusief wettelijke rente tot 1 oktober 2015) aan schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 oktober 2015 en met veroordeling van [de reparateur] in de proceskosten. [de reparateur] heeft de vordering van [de opdrachtgever] betwist.

2.4

Bij vonnis van 17 augustus 2016 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [de opdrachtgever] er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat hij handelde met (een eenmanszaak van) [de reparateur] en niet met [de reparateur] namens De Klassieker LTD. Vervolgens heeft de kantonrechter overwogen dat [de reparateur] tekort is geschoten in de nakoming van de door [de opdrachtgever] verstrekte opdracht en is [de reparateur] veroordeeld tot betaling van € 7.360,14 aan schadevergoeding en rente, vermeerderd met wettelijke rente, met veroordeling in de proceskosten.

2.5

[de reparateur] heeft in zijn grieven bestreden dat tussen hem en [de opdrachtgever] een overeenkomst tot stand is gekomen en heeft gesteld dat de overeenkomst met De Klassieker LTD is gesloten; de kantonrechter heeft ten onrechte zijn bewijsaanbod op dit punt gepasseerd. Ook komt [de reparateur] op tegen een deel van de door de kantonrechter toegewezen schadevergoeding, de wettelijke rente en de proceskostenveroordeling.

2.6

[de opdrachtgever] heeft incidenteel appel ingesteld. Hij heeft zijn incidentele grieven gericht tegen de afwijzing door de kantonrechter van een deel van zijn vordering tot schadevergoeding.

2.7

De eerste vraag die beantwoord dient te worden is met wie [de opdrachtgever] een overeenkomst heeft gesloten. Dit hangt af van hetgeen partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden (zie Hoge Raad 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877). Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op [de opdrachtgever] de bewijslast van de stelling dat tussen hem en [de reparateur] een overeenkomst tot stand is gekomen, nu hij daaraan een rechtsgevolg verbindt.

2.8

[de opdrachtgever] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat tussen hem en [de reparateur] een overeenkomst tot stand is gekomen aangevoerd dat niet uit de opdrachtbevestiging blijkt dat het gaat om De Klassieker LTD, dat alle correspondentie met [de reparateur] is gevoerd en nooit is vermeld of meegedeeld dat de overeenkomst met De Klassieker LTD werd gesloten. [de reparateur] heeft aangevoerd dat [de opdrachtgever] er tijdens een bespreking in mei 2012 op is gewezen dat de opdracht zou worden aanvaard door De Klassieker LTD. Daarnaast heeft [de reparateur] betoogd dat uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, wanneer wordt gezocht op het KvK-nummer dat de opdrachtbevestiging staat vermeld, en uit de website van het bedrijf blijkt dat [bedrijf] een handelsnaam is van De Klassieker LTD.

2.9

Het hof oordeelt dat de door [de opdrachtgever] gestelde feiten en omstandigheden en de overgelegde stukken erop wijzen dat de overeenkomst met [de reparateur] tot stand is gekomen. Uit de opdrachtbevestiging en de correspondentie blijkt niet dat de overeenkomst is gesloten met De Klassieker LTD. Op basis hiervan dient er voorshands van te worden uitgegaan dat [de reparateur] geen duidelijkheid aan [de opdrachtgever] heeft gegeven over de hoedanigheid en de rechtsvorm waarin hij optrad en dat [de opdrachtgever] daarmee de gerechtvaardigde verwachting had dat hij met een door [de reparateur] (en zijn broer) gedreven eenmanszaak contracteerde. Het hof acht daarom [de opdrachtgever] voorshands in het bewijs geslaagd dat de overeenkomst tussen hem en [de reparateur] tot stand is gekomen.

2.10

[de reparateur] zal overeenkomstig zijn bewijsaanbod worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Uit de formulering van het bewijsaanbod kan worden opgemaakt dat [de reparateur] het tegenbewijs wil leveren door het horen van getuigen. Om redenen van doelmatigheid gaat het hof ervan uit dat de advocaten van partijen van te voren overleg voeren over de te horen getuigen, zodat na de door [de reparateur] voor te brengen getuigen [de opdrachtgever] desgewenst aansluitend getuigen kan horen in contra-enquête en alle getuigen, zowel in enquête als in contra-enquête, op één dag kunnen worden gehoord.

2.11

In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [de reparateur] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands bewezen feit dat tussen [de opdrachtgever] en [de reparateur] een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen;

bepaalt dat [de opdrachtgever] aansluitend gelegenheid zal hebben tot het leveren van bewijs in contra-enquête;

bepaalt dat, indien [de reparateur] dan wel [de opdrachtgever] uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst te leveren, die stukken op de roldatum van 11 december 2018 het geding dienen te worden gebracht;

bepaalt dat, indien [de reparateur] dan wel [de opdrachtgever] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. J. Beuving, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen in persoon bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat partijen het aantal voor te brengen getuigen alsmede hun verhinderdagen, die van hun advocaten en die van hun getuigen zullen opgeven op de roldatum 27 november 2018 over de periode december 2018 tot en met april 2019, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat zowel [de reparateur] als [de opdrachtgever] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, B.J. Engberts en J. Beuving en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 november 2018.