Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9895

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
21-08-2019
Zaaknummer
200.201.196
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Burenrecht, eigendom door bevrijdende verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.201.196/01

(zaaknummer rechtbank 4837065 CV EXPL 16-1437)

arrest van 13 november 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. J.H. Brouwer,

tegen:

1 [geïntimeerde 1] ,

2. [geïntimeerde 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers,

hierna: [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. L.H. Toonen.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1

Voor het verloop van de procedure tot 29 november 2016 wordt verwezen naar het arrest van die datum. De bij dat arrest bevolen comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 21 februari 2017. Het van de comparitie opgestelde proces-verbaal bevindt zich bij de stukken, evenals de brief van de zijde van [geïntimeerden] met opmerkingen over het proces-verbaal en de als productie 19 door [geïntimeerden] nagezonden stukken. Vervolgens heeft [appellant] een memorie van grieven met producties genomen waarop [geïntimeerden] heeft gereageerd met de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel, tevens houdende akte wijziging van eis, tevens houdende bevoegdheidsincident (met producties). Daarop volgde de memorie van antwoord in incident tevens memorie van antwoord in incidenteel appel (met producties).

1.2

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

2.1.

Artikel 332, lid 1, Rv bepaalt dat partijen van een in eerste aanleg gewezen vonnis in hoger beroep kunnen komen tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,00, of in geval van een vordering van onbepaalde waarde, er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan voornoemd bedrag.

2.2.

[geïntimeerden] heeft in eerste aanleg gevorderd:

A. een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond die zich bevindt tussen de woningen van partijen;

B. te gelasten dat deze eigendom wordt vastgelegd in de kadastrale registers;

C. veroordeling van [appellant] tot betaling van schadevergoeding groot € 580,74 (wegens het verwijderen van de witte betonnen schutting), vermeerderd met wettelijke rente vanaf twee weken na het te wijzen vonnis;

D. veroordeling van [appellant] om de strook grond die groen is gearceerd op een kaart (zie hierna onder 3.1), welke grond kadastraal toebehoort aan [geïntimeerden] , te ontruimen op straffe van een dwangsom;

E. [appellant] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met rente.

2.3.

Volgens [geïntimeerden] vertegenwoordigt de vordering in eerste aanleg een waarde die beneden de appelgrens van artikel 332 Rv blijft. De waarde van de strook grond bedraagt volgens [geïntimeerden] om en nabij € 1.142,40 (6,72 m2 x de grondprijs van

€ 170,00 per m2). Dan bedraagt de vordering van [geïntimeerden] in eerste aanleg € 1.142,40 plus de gevorderde schadevergoeding van € 580,74 = € 1.723,40.

2.4.

[appellant] voert hiertegen aan dat de strook grond een oppervlakte heeft van 9,82 m2 en dat partijen bovendien nog een dispuut hebben over een L-vormige strook grond (de groene strook grond op de kaart hierna onder 3.1.) die een oppervlakte heeft van ongeveer 8 m2 en dat uitgegaan dient te worden van een grondprijs van € 190,00 per m2 zodat de appelgrens ruimschoots wordt overschreden.

2.5.

Voorop staat dat de vordering van [geïntimeerden] in eerste aanleg grotendeels een vordering van onbepaalde waarde betreft. Indien de berekening van [geïntimeerden] wordt gevolgd komt de vordering in eerste aanleg uit op een waarde van om en nabij € 27,00 onder de appelgrens. Nu [geïntimeerden] zelf al aangeeft dat dit een schatting is, “om en nabij”, en [appellant] met een andere niet op voorhand onaannemelijke berekening komt ten aanzien van het aantal vierkante meters van de strook grond, en er terecht op wijst dat in eerste aanleg ook een vordering is ingesteld ten aanzien van een tweede strook grond, de groen gearceerde strook grond (zie de kaart hierna onder 3.1.) staat vast dat de rechter in eerste aanleg gevraagd is te oordelen over een belang dat boven het bedrag van € 1.750,00 ligt. Onbesproken kan hierbij blijven dat volgens [appellant] uitgegaan dient te worden van een andere (hogere) grondprijs. Al met al zijn er onvoldoende duidelijke aanwijzingen (in de zin van artikel 332 lid 1 Rv) dat de vordering van [geïntimeerden] geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1.750,00. [appellant] is ontvankelijk in het hoger beroep.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

in het principaal appel

3.1.

Deze zaak gaat om het volgende. [geïntimeerden] is sinds 2006 eigenaar van de woning aan de [adres 1] (hierna: perceel 14). [appellant] is sinds 17 september 2013 eigenaar van de woning aan de [adres 2] (hierna: perceel 12). Tussen percelen 14 en 12 bevindt zich een bestraat gedeelte grond dat vanaf de straatkant bezien eindigt bij het bakhuis van perceel 14 (hierna: de strook grond). Zie ook onderstaande tekening overgelegd als productie 13 bij memorie van grieven; dit betreft de oranje strook. Tot 2015 stond op het einde van de strook grond ook een witte betonnen schutting, die in een L-vorm een afscheiding vormde tot tegen de aanbouw van de woning van perceel 12 (hierna: de witte schutting).

De oranje strook grond staat in het kadaster op naam van [appellant] . De groene strook grond staat in het kadaster op naam van [geïntimeerden] .

[appellant] heeft in september 2015 de witte schutting verwijderd en een andere schutting geplaatst, met een tuindeur die toegang geeft tot de achtertuin en de achteringang van de woning van [appellant] . De woning van [appellant] (perceel 12) is voorheen bewoond geweest door de [naam vorige bewoners] .

3.2.

Bij het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat [geïntimeerden] door verjaring eigenaar is geworden van de oranje strook grond, is opname gelast in het kadaster van deze eigendom, is [appellant] veroordeeld om de groene strook grond te ontruimen en ter vrije beschikking van [geïntimeerden] te stellen en zijn de proceskosten gecompenseerd. De vordering van [geïntimeerden] tot veroordeling van [appellant] om € 580,74 aan schadevergoeding te betalen wegens de afgebroken witte betonnen schutting is afgewezen.

3.3.

De kantonrechter heeft daartoe – kort samengevat – overwogen dat tegenover de stelling van [geïntimeerden] dat zijn rechtsvoorgangers zich als bezitter hebben gedragen door de gehele strook grond te bestraten, de bestrating te onderhouden en de strook te gebruiken voor het plaatsen van bloembakken en vuilcontainers, [appellant] slechts heeft gesteld dat [naam vorige bewoners] zich steeds als eigenaar heeft gedragen zonder aan te voeren waaruit het zich gedragen als eigenaar zou kunnen blijken. Aldus heeft de kantonrechter geoordeeld dat onvoldoende onderbouwd verweer is gevoerd tegen de stelling dat [geïntimeerden] en zijn rechtsvoorgangers de strook grond in elk geval sinds 1994 en dus meer dan 20 jaar in bezit hebben. Voorts heeft de kantonrechter overwogen dat de vraag of het bezit te goeder trouw is geweest in het midden kan blijven omdat [geïntimeerden] in elk geval door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond. Omdat [geïntimeerden] onvoldoende onderbouwing heeft gegeven dat hij eigenaar was van de door [appellant] afgebroken witte betonnen schutting, is de vordering tot schadevergoeding daarvan afgewezen. Over de groene strook grond aan de achterzijde van perceel 14 heeft [appellant] ter zitting in eerste aanleg verklaard geen bezwaar te hebben tegen toewijzing van de vordering van [geïntimeerden] zodat die vordering is toegewezen.

3.4.

Tegen deze beslissing is [appellant] in hoger beroep gekomen met twee grieven. Voor zover [appellant] met grief 1 op is gekomen tegen het oordeel dat sprake is van verkrijgende verjaring ten aanzien van de strook grond, mist de grief feitelijke grondslag nu de kantonrechter in het midden heeft gelaten of sprake is van verkrijgende verjaring of bevrijdende verjaring. De kantonrechter heeft vastgesteld dat sprake is geweest van twintig jaar onafgebroken bezit van de grond zodat zelfs indien geen sprake is van goede trouw, zoals is vereist voor verkrijgende verjaring ingevolge artikel 3:99 jo 3:108 BW gedurende een termijn van tien jaar, er toch sprake is van bezitsverlies van [appellant] op grond van bevrijdende verjaring in de zin van artikel 3:306 jo artikel 3:314 BW in samenhang met artikel 3:105 BW. Het hof begrijpt de grief van [appellant] aldus dat deze ook ziet op het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van onafgebroken bezit van de strook grond door (de rechtsvoorgangers van) [geïntimeerden] gedurende twintig jaar. Blijkens de memorie van antwoord in het principaal appel heeft [geïntimeerden] de grief ook zo opgevat.

3.5.

Voor rechtsverkrijging door extinctieve verjaring van artikel 3:105 BW is bezit vereist. De vraag of sprake is van bezit dient te worden beantwoord aan de hand van artikel 3:107 e.v. BW. Artikel 3:107 BW omschrijft bezit als het houden van een goed voor zichzelf, dat wil zeggen het uitoefenen van de feitelijk macht over een goed met de pretentie rechthebbende te zijn. Artikel 3:108 BW bepaalt dat de vraag of iemand een goed voor zichzelf houdt wordt beoordeeld naar verkeersopvatting, met inachtneming van de regels die op deze wetsbepaling volgen en overigens op uiterlijke omstandigheden waaruit naar de eerder genoemde verkeersopvattingen de wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden.

3.6.

Voorop staat dat uit de foto, opgenomen in punt 103 van de memorie van antwoord in principaal appel, blijkt dat de voordeur van de woning van [geïntimeerden] zich bevindt ter hoogte halverwege de strook grond en toegang geeft tot de strook grond. De achterdeur van [geïntimeerden] bevindt zich aan het einde van de strook grond aan de linkerzijde, deze achterdeur staat haaks op het melkhuisje waar de strook grond op uitkomt. Aldus geeft ook de achterdeur van [geïntimeerden] toegang tot de strook grond. Vanuit de woning van [appellant] is er geen rechtstreekse toegang tot de strook grond, anders dan via de straatzijde. De strook grond wordt dus door [geïntimeerden] (en diens rechtsvoorgangers) benut als in- en uitgang van en naar zijn woning. Ook staat vast dat door de afsluiting met de witte betonnen schutting - die omstreeks 1959 is geplaatst - aan het einde van de strook grond, [appellant] totdat hij deze witte schutting op 6 november 2015 verwijderde en verving door een schutting met toegangspoort tot zijn achtertuin, geen toegang had tot de strook grond vanuit zijn achtertuin. De kantonrechter heeft overwogen dat bovendien [geïntimeerden] (evenals zijn rechtsvoorgangers) zich als bezitter van de strook grond heeft gedragen door de gehele strook grond doorgelegd te bestraten, de bestrating te onderhouden en de hele strook te gebruiken, zoals door het plaatsen van bloembakken en vuilcontainers. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat, gezien in het licht van de omstandigheid dat het hier om een smalle strook grond gaat, dit allemaal omstandigheden zijn die ingevolge de verkeersopvattingen uitingen vormen waaruit kan worden afgeleid dat [geïntimeerden] en zijn rechtsvoorgangers de wil hebben gehad als rechthebbende op te treden. Hetgeen [appellant] naar voren heeft gebracht als uitingen waaruit zou moeten blijken dat zijn rechtsvoorgangers de strook grond altijd als hun eigendom hebben beschouwd en in bezit hebben gehouden kan hieraan geen afbreuk doen. Immers is daartoe onvoldoende dat zij onderhoud zouden hebben gepleegd aan de strook grond en de zijgevel van de woning. Evenmin is daartoe voldoende dat de strook grond incidenteel is betreden door derden die in opdracht van de rechtsvoorgangers van [appellant] onderhoud pleegden aan zijn woning ofwel de strook grond betraden om schoon te maken of de ramen te lappen. Dit soort werkzaamheden valt immers onder het ladderrecht van artikel 5:56 BW; bezit blijkt daar uit niet. Dit betekent dat grief 1 faalt.

3.7.

Het bewijsaanbod van [appellant] wordt gepasseerd omdat dit niet is toegesneden op een of meer stellingen die tot een ander oordeel kunnen leiden.

3.8.

Met grief 2 komt [appellant] op tegen de veroordeling om de groene strook grond met een breedte van ongeveer 40 cm, bij partijen genoegzaam bekend, binnen twee maanden te ontruimen en ter vrije beschikking aan [geïntimeerden] te stellen

3.9.

Ook deze grief faalt. [appellant] heeft in eerste aanleg in zijn conclusie van antwoord geen verweer gevoerd tegen de vordering de groene strook grond aan de achterzijde van de woningen te ontruimen. Tijdens de comparitiezitting bij de rechtbank informeerde de kantonrechter naar de reden daarvan en stelde [appellant] alsnog in de gelegenheid ter zitting verweer te voeren. Daarop is door de advocaat van [appellant] verklaard dat de strook grond achter de tuin niet in geschil is waarop de kantonrechter heeft gereageerd met de mededeling dat die vordering dan toewijsbaar is wat [appellant] betreft, hetgeen door [appellant] niet is weersproken. De verklaring van de advocaat van [appellant] ter comparitie kwalificeert als een gerechtelijke erkentenis in de zin van artikel 154 Rv. Ingevolge lid 2 van voornoemd artikel kan een dergelijke erkentenis slechts worden herroepen, indien aannemelijk is dat zij door dwaling of niet in vrijheid is afgelegd. Dat dit het geval zou zijn is gesteld noch gebleken. De enkele stelling dat [appellant] zich zou hebben vergist om welke strook grond het precies zou gaan (zie memorie van grieven punt 45) is niet heel geloofwaardig gelet op de stelling die de gemachtigde van [appellant] ter comparitie voor het hof innam: “Wat hij [hof: [appellant] ] alleen wil is eigenaar zijn van wat hij gekocht heeft. Het Oranje deel (op de overgelegde plattegrond) is van hem en het groene deel (op de plattegrond) niet.” maar bovendien onvoldoende om deze erkentenis te herroepen. Bij deze stand van zaken komt het hof niet toe aan het bewijsaanbod van [appellant] dat bovendien in het kader van grief 2 onvoldoende gespecificeerd is.

3.10.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het principaal hoger beroep van [geïntimeerden] veroordelen, welke kosten zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 314,00

- salaris advocaat € 2.148,00 (2 punten x tarief 1.074,00).

in het incidenteel appel (tevens wijziging van (grondslag van) eis)

3.11.

[geïntimeerden] vordert, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad:

A. de vorderingen van [geïntimeerden] in eerste aanleg integraal toe te wijzen;

B. [appellant] te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerden] van € 15.708,93 in verband met additionele juridische kosten en extra gemaakte proceskosten, alsmede de kosten van het (conservatoire) bewijsbeslag in verband met de door [appellant] gemanipuleerde producties;

C. [appellant] te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerden] van een bedrag van € 2.190,10 verband houdende met het herstel van de schutting op de groen gearceerde strook grond;

D. [appellant] te veroordelen tot (vergoeding van) herstel van het straatwerk in verband met de door hem weg gehaalde betonnen witte schutting op de strook grond;

E. Met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep.

Ten aanzien van A:

3.12.

[geïntimeerden] heeft in incidenteel appel gegriefd tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn vordering tot schadevergoeding wegens het slopen van de witte betonnen schutting door [appellant] .

3.13.

Terecht voert [geïntimeerden] aan dat het niet uitmaakt wie de schutting destijds voor/omstreeks 1959 heeft geplaatst. Het enkele feit dat deze op de strook grond stond, maakt dat de schutting van [geïntimeerden] was (zie ook artikel 5:20 BW). Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft [appellant] aangegeven de witte betonnen schutting te hebben bewaard en in staat en bereid te zijn, om indien nodig deze schutting terug te plaatsen. Dat betekent dat [geïntimeerden] ten aanzien van deze schutting geen schade heeft geleden. Het hof gaat er van uit dat [appellant] deze toezegging zal naleven binnen twee weken na betekening van dit arrest. Dit betekent dat vordering sub A in zoverre zal worden afgewezen.

3.14.

[geïntimeerden] heeft in eerste aanleg ook gevorderd een dwangsom te verbinden aan de ontruiming van de groen gearceerde strook grond. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen omdat [appellant] had toegezegd dit vrijwillig te zullen doen. Omdat [appellant] de strook grond nog altijd niet geheel heeft ontruimd vordert [geïntimeerden] om alsnog een dwangsom te verbinden aan deze ontruiming. [appellant] heeft een en ander niet betwist.

3.15.

Deze vordering zal worden toegewezen met dien verstande dat de dwangsommen zullen worden gemaximeerd als hierna in het dictum volgt.

Ten aanzien van B:

3.16.

Na de comparitie van partijen in hoger beroep heeft [appellant] een brief van 1 februari 2017 met foto’s in het geding gebracht van luchtfotograaf Snelleman, zie productie 19 van de zijde van [appellant] . Deze brief luidt:

“Hierbij doe ik u de luchtfoto’s toekomen waarop de contouren van een schutting zichtbaar zijn tussen de achtertuinen van de percelen aan de [adres 1 en 2] . De foto’s zijn door mij genomen op 18-10-1989. Tevens voeg ik een uitdraai van Googel Earth bij, genomen op 01-01-2004.”

[geïntimeerden] twijfelde aan de authenticiteit van deze brief en heeft onderzocht of de verklaring van deze wel afkomstig was van die luchtfotograaf. [geïntimeerden] heeft daartoe bewijsbeslag doen leggen op de computer van de fotograaf. Als productie 2 bij memorie van grieven in incidenteel appel heeft [geïntimeerden] de volgens hem originele brief in het geding gebracht. Deze brief wijkt echter met geen letter af van de als productie 19 door [appellant] in het geding gebrachte brief. Indien [geïntimeerden] de nummers van producties 2 en 3 bij memorie van grieven in incidenteel appel heeft omgedraaid in hetgeen is aangevoerd onder punt 39 en 40 van die memorie, dan komt dat voor zijn risico. Aldus is onvoldoende gesteld en onderbouwd dat ten aanzien van de brief sprake is van onrechtmatig handelen aan de zijde van [appellant] .

3.17.

Ten aanzien van de bijlagen bij de brief van Snelleman betoogt [geïntimeerden] dat de luchtfoto’s zouden zijn vervangen door afbeelding(en) uit Google Maps. Dat wordt door [appellant] betwist. Hij stelt dat hij van Snelleman de brief heeft gekregen met twee (lucht)foto’s en één foto van Google Maps uit 2004 en dat deze stukken als productie 19 in het geding zijn gebracht. Als productie 19 zijn slechts twee foto’s overgelegd, maar daarover stelt [geïntimeerden] niets. [geïntimeerden] biedt geen bewijs aan van zijn stelling dat het zou gaan om twee gemanipuleerde Google Maps afbeeldingen. Dat betekent dat deze stelling als onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd moet worden verworpen, wat dan tevens geldt voor de stelling met betrekking tot de overige in het geding gebrachte getuigenverklaringen die allemaal zijn gebaseerd op de veronderstelling dat sprake is van een vervalste brief en bijlagen van Snelleman. Vordering B zal reeds daarom worden afgewezen. De door [geïntimeerden] gevorderde schadevergoeding wegens onrechtmatige daad behoeft dan ook geen bespreking.

Ten aanzien van C:

3.18.

Voorts vordert [geïntimeerden] schadevergoeding wegens het door [appellant] eind 2016 verwijderen van de schutting die zich bevond langs de groene strook grond. Deze schutting stond op de grond van [geïntimeerden] en was eigendom van [geïntimeerden] In het vonnis van de kantonrechter is niet de verplichting opgelegd om deze schutting te verwijderen, alleen de strook grond vrij te maken en ter vrije beschikking van [geïntimeerden] te stellen. [geïntimeerden] vordert de kosten van herstel van de schutting welke kosten door [appellant] zelf zijn begroot op € 2.190,10 (zie memorie van antwoord onder punt 53 en productie 18 van [appellant] ).

3.19.

[appellant] stelt eigenaar te zijn geweest van de verwijderde houten schutting en bovendien op grond van de door de kantonrechter bevolen ontruiming van de strook grond gehouden te zijn geweest tot verwijdering van de schuttingdelen. Ook voert [appellant] aan dat hij de schuttingdelen nog heeft en in staat en bereid te zijn om deze terug te plaatsen. Gelet op deze toezegging van [appellant] gaat het hof er van uit dat deze schutting op de erfgrens wordt teruggeplaatst binnen twee weken na betekening van dit arrest. Dit betekent dat vordering sub C zal worden afgewezen

Ten aanzien van D:

3.20.

Ten slotte vordert [geïntimeerden] om [appellant] alsnog te veroordelen de bestrating, die deels door [appellant] is weggehaald bij het verwijderen van de witte betonnen schutting, te herstellen.

3.21.

Deze vordering is door [appellant] niet betwist anders dan dat hij zich eigenaar van de strook grond beschouwt. Dit is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onjuist. Nu [appellant] niet heeft betwist de bestrating te hebben verwijderd, dient hij dit straatwerk te herstellen binnen twee weken na betekening van dit arrest. Vordering D zal dan ook worden toegewezen.

3.22.

Het bewijsaanbod van ieder van partijen wordt gepasseerd omdat dit niet is toegesneden op een of meer stellingen die tot een ander oordeel kunnen leiden.

Ten aanzien van E:

3.23.

Nu beide partijen voor een deel in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van het incidenteel hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in principaal appel

4.1.

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn van 10 augustus 2016;

4.2.

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 314,00 voor verschotten en op € 2.148,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

4.3.

verklaart dit arrest wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

in incidenteel appel

4.4.

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn van 10 augustus 2016 behoudens voor zover daarin de door [geïntimeerden] gevorderde dwangsommen ten aanzien van de veroordeling onder 5.3. is afgewezen en doet in zoverre opnieuw recht als volgt:

4.5.

bepaalt dat voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [appellant] – na veertien dagen na betekening van dit arrest - in strijd handelt met het onder 5.3. van het vonnis van de kantonrechter te rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn van 10 augustus 2016 bepaalde, aan [geïntimeerden] een dwangsom verbeurt van

€ 250,00 per dag, tot een maximum van € 5.000,00;

4.6.

veroordeelt [appellant] binnen veertien dagen na betekening van dit arrest tot herstel van het straatwerk in verband met de door hem weggehaalde witte betonnen schutting op de oranje strook grond (zie hiervoor kaart onder 3.1.);

4.7.

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt in het incidenteel appel;

4.8.

verklaart dit arrest ten aanzien van 4.5 tot en met 4.7. uitvoerbaar bij voorraad;

4.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, O.G.H. Milar en R.F. Groos, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 november 2018.