Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9868

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
21-08-2019
Zaaknummer
200.237.660/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is gemaakte afspraak kinderalimentatie nietig/vernietigbaar?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0216
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.237.660

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 444017)

beschikking van 13 november 2018

inzake

[verzoekster] ,

en

[verzoeker] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,
verzoekers in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw respectievelijk [verzoeker] ,

advocaat: mr. H. Dreesmann-Bruijntjes te Den Haag,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.C. van Riet-Holst te Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 5 juli 2017, uitgesproken onder zaaknummer 5784569, en – na verwijzing van de zaak naar de rechtbank – de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 5 januari 2018, uitgesproken onder zaaknummer 444017 (hierna ook te noemen: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties 1 tot en met 12, ingekomen op 5 april 2018;

  • -

    het verweerschrift met producties H-14 tot en met H-16;

  • -

    een journaalbericht van mr. Van Riet-Holst van 20 september 2018 met producties H-17 tot en met H-25;

  • -

    een journaalbericht van mr. Dreesmann-Bruijntjes van 21 september 2018 met producties 13 tot en met 18;

  • -

    een journaalbericht van mr. Dreesmann-Bruijntjes van 24 september 2018 met producties.

2.2.

[verzoeker] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek tot aan zijn meerderjarigheid, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 2 oktober 2018 plaatsgevonden. De vrouw en de man zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens [verzoeker] is zijn advocaat verschenen.

2.4.

Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een journaalbericht van mr. Dreesmann-Bruijntjes van 5 oktober 2018 met als bijlage het bewijs van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

3 De feiten

3.1.

Het huwelijk van de man en de vrouw is op 15 juni 2006 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 7 juni 2006 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

De man en de vrouw zijn de ouders van:

  • -

    [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

  • -

    [naam kind 1] (hierna: [naam kind 1] ), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen, over wie de man en de vrouw gezamenlijk het gezag uitoefenen.

[verzoeker] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw. [naam kind 1] heeft zijn hoofdverblijf bij de man.

3.3.

In het echtscheidingsconvenant, door partijen ondertekend op 11 mei 2006, dat deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van 7 juni 2006, zijn de man en de vrouw overeengekomen dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 juni 2006 een bedrag van € 280,- per kind per maand zal voldoen.

3.4.

Bij overeenkomst van 18 oktober 2007 zijn de man en de vrouw overeengekomen dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voor de kinderen zoals overeengekomen in het echtscheidingsconvenant – wegens vermindering van financiële draagkracht van de man – wordt aangepast in die zin dat de man met ingang van 27 oktober 2007 een bedrag van € 200,- per kind per maand zal gaan betalen, jaarlijks te indexeren.

3.5.

De man is op 9 maart 2009 een geregistreerd partnerschap aangegaan met [geregistreerd partner] (hierna: [geregistreerd partner] ). Uit hun relatie zijn geen kinderen geboren.

De vrouw woont samen met [partner vrouw] (hierna: [partner vrouw] ). Uit hun relatie zijn op [geboortedatum] [naam kind 2] en op [geboortedatum] [naam kind 3] geboren.

3.6.

In een e-mailwisseling tussen de man en de vrouw is vermeld dat de man en de vrouw op 24 januari 2011 zijn overeengekomen dat [naam kind 1] – per 1 april 2011 – zijn hoofdverblijf bij de man zal hebben en dat de verdeling van de kosten van de kinderen met “gesloten beurzen” zal geschieden.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij vonnis van 5 juli 2017 heeft de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, de zaak in de stand waarin deze zich bevond naar het team familie van die rechtbank verwezen en bevolen dat de procedure zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure. De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld hun stellingen zo nodig aan de op de verzoekschriftprocedure toepasselijke procesregels aan te passen.

4.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, in zoverre uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaard dat de man en de vrouw zijn overeengekomen dat zij met ingang van 1 april 2011 elkaar financieel over en weer niets zijn verschuldigd op grond van hun onderhoudsplicht ten aanzien van [verzoeker] en [naam kind 1] , en het meer of anders verzochte afgewezen, te weten de verzoeken van de vrouw tot verklaring voor recht, kort gezegd, dat de man vanaf 1 maart 2008, althans 1 april 2011, althans 1 mei 2014 tot de datum van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie een bedrag van € 280,-, althans € 200,- per kind per maand aan de vrouw is verschuldigd en daarna een bedrag van € 338,58, althans € 237,50 per maand voor [verzoeker] en een bedrag van € 118,50, althans € 83,12 per maand voor [naam kind 1] , afgewezen, en de proceskosten aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.3.

De vrouw is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen.

De vrouw verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen:

- PRIMAIR:

dat de man met ingang van 1 maart 2008 dan wel 1 december 2009 ten titel van kinderalimentatie ten behoeve van [verzoeker] bij vooruitbetaling dient te voldoen een bedrag van € 302,67 (het geïndexeerde bedrag van € 280,-) per maand aan [verzoeker] , dan wel aan de vrouw,

en ten behoeve van [naam kind 1] een bedrag van € 302,67 per maand aan de vrouw, welke bijdrage voor [naam kind 1] is verschuldigd over het tijdvak van 1 maart 2008 tot en met 1 april 2011, dan wel van 1 december 2009 tot 1 april 2011,

en voorts te bepalen dat uit dien hoofde de achterstand voor [verzoeker] en [naam kind 1] € 45.778,85 + PM bedraagt;

- SUBSIDIAIR:

dat de man met ingang van 1 april 2011 ten titel van kinderalimentatie ten behoeve van [verzoeker] een bijdrage van € 312,42 per maand, dan wel € 219,21 per maand aan [verzoeker] , dan wel aan de vrouw bij vooruitbetaling dient te voldoen,

en als bijdrage in de verblijfskosten van [naam kind 1] een bijdrage van € 109,34 per maand, dan wel € 76,72 per maand aan de vrouw dient te voldoen,

en voorts te bepalen dat op basis van het voorgaande de totale achterstand ten behoeve van [verzoeker] € 27.058,26+PM bedraagt dan wel € 18.985,57+PM en voor [naam kind 1] € 9.470,30+PM dan wel € 6.644,94+PM;

- MEER SUBSIDIAIR:

dat de man op grond van gewijzigde omstandigheden met ingang van 12 april 2017 een bijdrage in het levensonderhoud aan [verzoeker] , dan wel de vrouw dient te voldoen van € 343,66 dan wel € 241,13 per maand bij vooruitbetaling te voldoen en,

een bijdrage in het levensonderhoud van [naam kind 1] dient te voldoen van € 120,28 per maand, dan wel € 84,39 per maand aan de vrouw bij vooruitbetaling te voldoen;

- NOG MEER SUBSIDIAIR:

dat de man per 12 april 2017 een bijdrage aan [verzoeker] dient te voldoen in de kosten van studie en levensonderhoud van € 246,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, en

een bijdrage in het levensonderhoud van [naam kind 1] van € 76,- per maand aan de vrouw, bij vooruitbetaling te voldoen, en

- MEEST SUBSIDIAIR:

een bijdrage vast te stellen met een ingangsdatum die het hof juist acht,

kosten rechtens.

4.4.

De man voert verweer en hij verzoekt het hof de vrouw in haar grieven niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze te ontzeggen, onder compensatie van kosten.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Aan het hof ligt voor de vraag of de man aan de vrouw kinderalimentatie is verschuldigd ten behoeve van de kinderen, en zo ja, met ingang van wanneer en hoeveel dat zou moeten zijn, en – als uitvloeisel daarvan – of de vrouw een bedrag heeft te vorderen van de man ter zake van achterstallige kinderalimentatie. De vrouw stelt dat zij hierop recht heeft omdat de door haar met de man op 18 oktober 2007 gemaakte afspraak tot verlaging van de kinderalimentatie slechts tijdelijk van aard was en/of de tussen hen gemaakte afspraak in de e-mailwisseling tussen hen van 24 januari 2011 (zie hiervoor onder 3.6) nietig dan wel vernietigbaar is. Het hof zal de grieven van de vrouw hieronder bespreken.

Grief I verlaging kinderalimentatie per 18 oktober 2007

5.2.

De vrouw heeft in haar eerste grief aangevoerd dat partijen op 18 oktober 2007 slechts een tijdelijke verlaging van de kinderalimentatie zijn overeengekomen vanwege het feit dat de man op dat moment dubbele woonlasten had. Nadat de man zijn woning had verkocht en dus geen dubbele woonlasten meer had, heeft de vrouw hem gevraagd om voortaan het volledige bedrag aan kinderalimentatie aan haar te voldoen, hetgeen de man heeft geweigerd. Volgens de vrouw dient de man de niet-betaalde en achterstallige kinderalimentatie alsnog aan haar te betalen.

De man stelt hiertegenover dat partijen zijn overeengekomen dat de door hem te betalen kinderalimentatie zou worden verlaagd, omdat was gebleken dat hij na betaling van de kinderalimentatie te weinig overhield om leuke dingen met de kinderen te ondernemen. Op dat moment had de man geen dubbele woonlasten. De verlaging was dus niet tijdelijk van aard. Dat dit zo zou zijn staat ook niet in de herzieningsovereenkomst van 18 oktober 2007.

5.3.

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de vrouw haar stellingen, tegenover gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende (nader) heeft onderbouwd. Uit de tekst van de herzieningsovereenkomst van 18 oktober 2007 blijkt niet dat de daarin neergelegde afspraken slechts tijdelijk van aard waren, waarbij het hof opmerkt dat het wel voor de hand had gelegen die tijdelijkheid daarin op te nemen indien partijen dit zo hadden bedoeld. Daarbij komt dat ook niet is gebleken dat de man ten tijde van het maken van de afspraken, rond oktober 2007, ook daadwerkelijk dubbele woonlasten heeft gehad. Dat de partner van de man, [geregistreerd partner] , ook woonlasten had, maakt dit niet anders, nu ervan moet worden uitgegaan dat [geregistreerd partner] voldoende inkomen had om zelf haar woonlasten te voldoen en haar woonlasten dus niet drukten op het inkomen van de man. Grief I faalt dus.

De grieven II en IV: de nietigheid van de overeenkomst van 24 januari 2011 en de strekking van deze overeenkomst

5.4.

De vrouw stelt in haar tweede grief dat de door partijen op 24 januari 2011 gesloten overeenkomst erop neerkomt dat partijen zouden afzien van de onderhoudsplicht jegens de kinderen die op hen rust, hetgeen nietig is wegens strijd met de openbare orde.

De man betwist dit gemotiveerd. Hij stelt op zijn beurt dat partijen zijn overeengekomen dat zij ieder de kosten van het bij hen inwonende kind zouden dragen, waarmee zij voldoen aan hun onderhoudsplicht.

5.5.

Het hof oordeelt als volgt. Zoals hiervoor onder 3.6 staat vermeld, zijn de man en de vrouw in de e-mailwisseling tussen hen van 24 januari 2011 overeengekomen dat [naam kind 1] – per 1 april 2011 – zijn hoofdverblijf bij de man zou hebben en dat de verdeling van de kosten van de kinderen vanaf die datum met gesloten beurzen zou geschieden. Het hof ziet, met de rechtbank en de man, niet in dat de man en de vrouw hiermee de bedoeling hebben gehad af te zien van de op hen rustende onderhoudsplicht jegens de kinderen, zoals de vrouw in haar grief stelt. Dat de vrouw in de onderhandelingen van de totstandkoming van de overeenkomst aan de man tevergeefs heeft verzocht om een aanvullende bijdrage van de man voor de verblijfskosten voor [naam kind 1] , indien [naam kind 1] bij haar zou verblijven, maakt dit niet anders. Zoals de man terecht stelt, zijn partijen overeengekomen dat zij ieder de kosten van het bij hen inwonende kind zouden dragen, waarmee zij naar het oordeel van het hof hebben voldaan aan de op ieder van hen rustende onderhoudsplicht voor de kinderen. De hiervoor genoemde overeenkomst is dan ook niet nietig op grond van artikel 1:400 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

In het verlengde hiervan is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat de strekking van de afspraak dat de verdeling van de kosten van de kinderen voortaan “met gesloten beurzen” zal geschieden, gelet op hetgeen partijen op basis van deze overeenkomst in de gegeven omstandigheden over en weer van elkaar mochten verwachten, niet anders kan worden uitgelegd dan dat de man, vanaf het moment dat [naam kind 1] bij hem woonachtig zou zijn, dus vanaf 1 april 2011, alle lasten van [naam kind 1] voor zijn rekening zou nemen en de vrouw alle lasten van [verzoeker] . In dit verband acht het hof voorts nog van belang dat partijen deze afspraak in de jaren na 1 april 2011 ook dienovereenkomstig hebben uitgevoerd. Het feit dat de vrouw hierop nu kennelijk wenst terug te komen, doet niet af aan de geldigheid van de tot stand gekomen overeenkomst of aan de inhoud daarvan.

De grieven II en IV falen dus eveneens.

Grief III de vernietigbaarheid van de overeenkomst van 24 januari 2011

5.6.

De vrouw beroept zich in grief III op de vernietigbaarheid van voormelde overeenkomst vanwege bedreiging dan wel misbruik van omstandigheden op grond van artikel 3:44 lid 1 BW. De man betwist dat de overeenkomst van 24 januari 2011 is gesloten onder invloed van een wilsgebrek.

5.7.

Bij de beoordeling van grief III stelt het hof het volgende voorop. Ingevolge lid 2 van dit artikel is bedreiging aanwezig, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door onrechtmatig deze of een derde met enig nadeel in persoon of goed te bedreigen. De bedreiging moet zodanig zijn, dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed.

Lid 4 van genoemd wetsartikel bepaalt voorts dat sprake is van misbruik van omstandigheden, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.

5.8.

Het hof begrijpt dat de situatie waarin de man en de vrouw zich toen bevonden en de gedragsproblematiek waarmee [naam kind 1] op dat moment te maken had, en die heeft geleid tot de totstandkoming van de afspraak van 24 januari 2011, voor hen belastend was en een grote druk heeft gelegd op zowel (het gezin van) de vrouw als (dat van) de man, en dat zij in goed overleg hebben geprobeerd een passende oplossing daarvoor te vinden.

5.9.

Het hof ziet in de stelling van de vrouw, dat Roy slechts bij de man mocht komen wonen indien de vrouw zou afzien van kinderalimentatie, nog daargelaten of zij deze stelling voldoende concreet heeft onderbouwd, niet in dat sprake zou zijn geweest van enige bedreiging van de man jegens de vrouw in de zin van artikel 3:44 lid 2 BW. De door de vrouw nader overgelegde verklaringen maken dit niet anders. Het feit dat de man tegenover zijn bereidheid om [naam kind 1] – gelet op de problemen waarvan bij [naam kind 1] sprake was in het gezin van de vrouw – voortaan bij hem in huis te nemen, de financiële consequenties daarvan gecompenseerd wenste te zien en toen heeft bedongen dat ieder van partijen vanaf dat moment de kosten van het bij hem of haar wonende kind voor zijn rekening zou nemen, kan niet worden beschouwd als onredelijk, en kan ook niet worden aangemerkt als het onrechtmatig de vrouw met enig nadeel in persoon of goed bedreigen en wel zodanig, dat een redelijk oordelend mens daardoor zou worden beïnvloed. Het hof is daarom met de rechtbank van oordeel dat de vrouw haar stellingen dat de onderhavige afspraak vernietigbaar is vanwege bedreiging onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof gaat daarom aan die stellingen voorbij.

5.10.

Voorts is het hof van oordeel dat evenmin sprake was van misbruik van omstandigheden. De vrouw heeft haar stellingen dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 lid 4 BW – in dit geval: noodtoestand of afhankelijkheid – na betwisting door de man, onvoldoende feitelijk onderbouwd. Dat bij de totstandkoming van de afspraak sprake is geweest van emoties of dat in het gezin van de vrouw op dat moment wellicht sprake was van een onhoudbare situatie, zoals de vrouw stelt, is op zichzelf nog niet voldoende om te kunnen oordelen dat de man wist of had moeten begrijpen dat de vrouw op dat moment door genoemde noodtoestand of afhankelijkheid werd bewogen tot het maken van de afspraak dat de verdeling van de kosten van de kinderen voortaan met “gesloten beurzen” zou geschieden, en dat hij (desondanks) het tot stand komen van die afspraak heeft bevorderd, ofschoon de man op grond van hetgeen hij wist of had moeten begrijpen hem van het maken van die afspraak zou behoren te weerhouden.

Hiermee faalt ook grief III.

Grief V wijziging van omstandigheden

5.11.

Voorts is aan de orde of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW. Omdat is gebleken dat [verzoeker] na de overeenkomst van 24 januari 2011 – en wel op 4 september 2017 – meerderjarig is geworden, is naar het oordeel van het hof in dit geval sprake van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW, die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt.

Ingangsdatum

5.12.

Nu de wijziging per 4 september 2017 is ingegaan, hanteert het hof deze datum als ingangsdatum.

Behoefte [verzoeker] en [naam kind 1]

5.13.

De vrouw heeft ter zitting onbestreden gesteld dat de behoefte van [verzoeker] en [naam kind 1] € 288,- per kind per maand bedraagt.

Draagkracht

5.14.

Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de man en de vrouw hun netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt nemen. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, alsmede het te ontvangen kindgebonden budget, te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn.

De draagkracht zal worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 905,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.575,- per maand. Deze benadering houdt in dat het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 905,- aan overige lasten, en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

5.15.

De man, geboren op [geboortedatum] , heeft een belastbaar loon van € 40.884,- blijkens de jaaropgaaf 2017.

De man vormt met [naam kind 1] en zijn geregistreerde partner, [geregistreerd partner] , een gezin. Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen ten behoeve van de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de volgende heffingskortingen: algemene heffingskorting en arbeidskorting.

Onder de gegeven omstandigheden en op basis van de stukken van het geding stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de man in 2017 vast op € 2.435,- per maand.

5.16.

Op basis hiervan stelt het hof de draagkracht van de man conform de aanbeveling in het Rapport Alimentatienormen en de formule in de bijbehorende draagkrachttabel 2017, vast op € 559,65 per maand.

5.17.

De vrouw, geboren op 12 augustus 1970, heeft een maandloon van gemiddeld € 2.283,- bruto, te verminderen met pensioenpremie van € 226,04 en € 3,11 per maand en te vermeerderen met 8% vakantiegeld en € 2.200,- bruto eindejaarsuitkering. Dit blijkt uit de door de vrouw overgelegde inkomensspecificaties van mei tot en met augustus 2018.

De vrouw maakt verder aanspraak op het kindgebonden budget.

De vrouw vormt met [verzoeker] , de kinderen van haar huidige partner ( [naam kind 2] en [naam kind 3] ) en haar huidige partner, [partner vrouw] , een gezin. Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen ten behoeve van de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de volgende heffingskortingen: algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Onder de gegeven omstandigheden en op basis van de stukken van het geding stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2017 vast op € 2.471,- per maand.

5.18.

Op basis hiervan stelt het hof de draagkracht van de vrouw conform de aanbeveling in het Rapport Alimentatienormen en de formule in de bijbehorende draagkrachttabel 2017, vast op € 577,29 per maand, ofwel afgerond € 289,- per kind per maand.

5.19.

De vrouw is eveneens onderhoudsplichtig voor [naam kind 2] en [naam kind 3] . Nu het hof niet beschikt over inkomensgegevens van [partner vrouw] , die ook onderhoudsplichtig is voor [naam kind 2] en [naam kind 3] , en het hof derhalve de behoefte van [naam kind 2] en [naam kind 3] niet kan berekenen, gaat het hof, conform het advies van de Expertgroep in voormeld rapport, ervan uit dat de behoefte van [naam kind 2] en [naam kind 3] gelijk is aan de behoefte van [verzoeker] en [naam kind 1] . Het hof zal de draagkracht van de vrouw dan ook gelijkelijk verdelen over de vier kinderen, zodat bij de vrouw voor [verzoeker] en [naam kind 1] een draagkracht resteert van afgerond € 144,- per kind per maand.

Draagkrachtvergelijking

5.20.

De behoefte van [verzoeker] en [naam kind 1] bedraagt € 288,- per kind per maand. De draagkracht van de man en de vrouw tezamen bezien is voldoende om in de behoefte van [verzoeker] en [naam kind 1] te voorzien. Het hof zal derhalve overgaan tot vergelijking van de draagkracht van de man en de vrouw.

Op basis hiervan is het aandeel van de man € 289,-/ (€ 289,- + € 144,- = € 433,-) x € 288,- = € 192,- per kind per maand. Het aandeel van de vrouw is derhalve € 96,- per kind per maand.

5.21.

Het hof houdt geen rekening met zorgkorting nu [verzoeker] meerderjarig is. Dit betekent dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie aan [verzoeker] dient te voldoen een bedrag van € 192,- per maand.

5.22.

De vrouw verzoekt het hof een door de man te betalen bijdrage voor [naam kind 1] ter hoogte van de zorgkorting vast te stellen. Het hof stelt de zorgkorting op 25%, nu [naam kind 1] gemiddeld twee dagen per week bij de vrouw verblijft. Dit betreft een bedrag van € 72,- per maand. Nu het aandeel van de vrouw in de kosten van [naam kind 1] hoger is dan de door haar voor hem te ontvangen verblijfskosten, zal het hof het verzoek van de vrouw in zoverre afwijzen.

Hiermee is ook grief V voldoende besproken.

6 De slotsom

6.1.

Gelet op het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover deze betrekking heeft op de periode tot 4 september 2017, en zal die beschikking voor zover deze betrekking heeft op de periode vanaf die datum vernietigen en voor die periode opnieuw beslissen als hierna gemeld.

6.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft berekeningen van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man en de vrouw gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van die berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van

5 januari 2018, voor zover deze betrekking heeft op de periode tot 4 september 2017;

vernietigt voornoemde beschikking voor zover die beschikking betrekking heeft op de periode vanaf 4 september 2017,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de tussen de man en de vrouw op 24 januari 2011 gemaakte afspraak dat de verdeling van de kosten van de kinderen met gesloten beurzen zou geschieden en bepaalt dat de man aan [verzoeker] met ingang van 4 september 2017 als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie € 192,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Laurentius-Kooter, A. Smeeïng-van Hees

en R. Krijger, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op

13 november 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.