Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9858

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
15-11-2018
Zaaknummer
200.218.519/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan verhuurder is terecht het bewijs opgedragen dat de huurovereenkomst op het door hem gestelde tijdstip zou eindigen. In dat bewijs slaagt hij niet. Vanwege het afsluiten van het huurobject voor de huurder, het stellen van een financiële voorwaarde voor toegang en het feitelijk in gebruik geven van het verhuurde aan een derde, is de huurverhouding feitelijk stopgezet. Daardoor geen verplichting meer tot betaling van huur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.218.519/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 4239765 CV EXPL 15-6607)

arrest van 13 november 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. A.A. Westers, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

Gardener's Pride Beetgum B.V.,

gevestigd te Beetgum,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: GPB,

advocaat: mr. S.A. Roodhof, kantoorhoudend te Reduzum.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van

10 juni 2015 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, en de vonnissen van

10 februari 2016, 22 juni 2016 en 14 maart 2017 die de kantonrechter in die rechtbank (hierna: de kantonrechter) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 13 juni 2017,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[appellant] vordert in het hoger beroep - samengevat - de vernietiging van het vonnis van de kantonrechter van 14 maart 2017 en opnieuw rechtdoende alsnog de toewijzing van zijn vordering en de afwijzing van de vordering van GPB, met veroordeling van GPB in de kosten van beide instanties.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverweging 2 van het vonnis van 22 juni 2016. Aangevuld met wat verder in hoger beroep onbestreden is gebleven, staat het volgende vast.

3.2

Tussen [appellant] als verhuurder en GPB als huurster heeft een huurovereenkomst bestaan met betrekking tot, kort gezegd, een glastuinbouwcomplex met aanhorigheden, waaronder een zogeheten warmtekrachtkoppelinginstallatie (hierna: de WKK), gelegen aan het adres [a-straat 1] te [A] (hierna: de kas).

3.3

De huurovereenkomst is ingegaan op 1 augustus 2010 en zou eindigen op

1 augustus 2014. De huurtermijnen dienden telkens voor de eerste werkdag van de termijn te worden voldaan. Omdat haar nieuwe kas nog niet gereed was, heeft GPB om verlenging verzocht tot 1 november 2014 waarmee [appellant] heeft ingestemd.

3.4

Omdat GPB de in de kas geteelde tomaten na 1 november 2014 nog wilde oogsten in december 2014 hebben partijen op l november 2014 (opnieuw) met elkaar over een verdere verlenging gesproken. Als basis voor het gesprek hebben zij onderstaand stuk gebruikt, waarop tijdens het gesprek enkele aantekeningen met de hand zijn bijgeschreven:

3.5

Partijen zijn in het gesprek van 1 november 2014 met elkaar overeengekomen dat GPB de kas nog enige tijd langer kon huren en dat GPB de contracten voor levering van gas, water en elektra per 31 december 2014 zou opzeggen. Zij zijn voorts overeengekomen dat GPB [appellant] nog (huur)bedragen van € 30.000,- respectievelijk € 32.500,- (exclusief btw) zou voldoen waarvoor op 15 oktober respectievelijk 15 december 2014 zou worden

gefactureerd. Op 15 oktober 2014 heeft GPB een bedrag van € 30.000,­ (exclusief btw) aan [appellant] voldaan.

3.6

[appellant] heeft aan GPB een factuur, met als datum 15 december 2014, gezonden voor een bedrag van € 32.500,- exclusief btw ofwel € 39.325,-. Als omschrijving is vermeld: “Huur over het huurobject aan [a-straat 1] te [A] over januari en februari 2015”. Aan het slot van de factuur is vermeld: “Gaarne betaling binnen 14 dagen (…)”. Dit bedrag van € 32.500,- (exclusief btw) is onbetaald gebleven.

3.7

Op of omstreeks 19 december 2014 heeft GPB de gewassen uit de kas verwijderd. Zij heeft de contracten voor energieleveranties per 1 januari 2015 opgezegd.

3.8

[appellant] heeft eind december 2014 de toegang(sdeur) tot de kas met een ketting afgesloten. Op dat moment bevonden zich nog zaken van GPB in de kas, waaronder zogeheten druppelslangen.

3.9

In januari 2015 heeft [appellant] de kas verkocht en geleverd aan de besloten vennootschap Nell Vastgoed B.V. (hierna: Nell).

3.10

Op 10 april 2015 heeft [appellant] ten laste van GPB conservatoir beslag doen leggen onder de door GPB aangehouden bankrekeningen. [appellant] heeft op 22 april 2015 de dagvaarding aan GPB laten uitbrengen.

3.11

De advocaat van GPB heeft een declaratie d.d. 11 augustus 2015 opgesteld, waarbij aan GPB een honorarium ad € 1.014,50 exclusief btw is berekend voor de tijd te harer behoeve besteed in de periode van 15 april 2015 tot en met 22 april 2015 en op 20 mei 2015. In de specificatie daarvan is doorgaans gerefereerd aan ‘beslag’ of ‘beslagstukken’.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg (in conventie) samengevat gevorderd de veroordeling van GPB tot betaling van € 39.325,- inclusief btw (ofwel de tweede termijn van € 32.500,- exclusief btw) en van € 45.105,17 inclusief btw aan onderhouds- en herstelkosten van de WKK, vermeerderd met wettelijke rente en een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van € 1.619,-, onder veroordeling van GPB in de proceskosten, waaronder begrepen beslag- en nakosten.

4.2

GPB heeft in eerste aanleg (in reconventie) na wijziging van eis samengevat gevorderd de veroordeling van [appellant] tot betaling van € 17.500,- als vergoeding van schade als gevolg van de vermiste druppelslangen subsidiair de afgifte van de druppelslangen op straffe van een dwangsom, alsmede de veroordeling van [appellant] tot betaling van € 1.014,50 exclusief btw aan kosten van ingewonnen juridisch advies, vermeerderd met € 145,83 dan wel € 291,66 per maand, te rekenen vanaf 9 januari 2015 tot het moment van teruggave van de druppelslangen althans tot betaling van een schadevergoeding voor die slangen, onder veroordeling van [appellant] in de proceskosten, met wettelijke rente en nakosten.

4.3

De kantonrechter heeft bij vonnis van 22 juni 2016 overwogen dat op [appellant] de last rust het bewijs te leveren van de juistheid van zijn standpunt dat is overeengekomen dat GPB in de derde week van december 2014 de kas zou ontruimen en dat dan ook, althans per ultimo december 2014, de huurovereenkomst zou eindigen. [appellant] is toegelaten tot bewijslevering. Bij vonnis van 14 maart 2017 heeft de kantonrechter overwogen dat [appellant] niet in dat opgedragen bewijs is geslaagd en dat als uitgangspunt daarom geldt dat tussen partijen is overeengekomen dat GPB de kas tot en met februari 2015 kon gebruiken. Door de toegangsdeur tot de kas met een ketting af te sluiten en de kas in of omstreeks januari 2015 feitelijk in gebruik te geven aan Nell is sprake van een aan [appellant] toerekenbare tekortkoming. [appellant] kan dan ook geen aanspraak maken op de tweede huurtermijn die onmiskenbaar zag op de maanden januari/februari 2015. Dat daadwerkelijk sprake is van schade als gevolg van onvoldoende onderhoud aan de WKK door GPB is door [appellant] onvoldoende onderbouwd. De vordering van [appellant] is vervolgens in haar geheel afgewezen.

4.4

Wat betreft de vordering van GPB is zowel de vordering tot afgifte van de druppelslangen als de vergoeding van de schade, bestaande uit de vervangingswaarde, afgewezen. Over de gevorderde vergoeding voor de kosten van juridisch advies is overwogen dat uit de conventie volgt dat het door [appellant] ten laste van GPB gelegde conservatoire beslag onrechtmatig is geweest en dat [appellant] om die reden gehouden is tot vergoeding van de als gevolg daarvan door GPB geleden schade, waartoe ook kosten van juridisch advies kunnen behoren. Omdat de omvang van de kosten voldoende was onderbouwd en niet gemotiveerd was betwist, is het gevorderde bedrag van € 1.014,50 toewijsbaar geoordeeld, onder veroordeling van [appellant] in de kosten van zowel de conventie als de reconventie.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

Hoewel [appellant] alleen hoger beroep heeft ingesteld tegen het eindvonnis van

14 maart 2017 richt de eerste van zijn zes grieven zich alsnog ook tegen het tussenvonnis van 22 juni 2016. Volgens vaste rechtspraak staat hem dat vrij (zie o.m. HR 14 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4657).

5.2

Met grief 1 betoogt [appellant] dat hem ten onrechte nader bewijs is opgedragen van zijn stelling dat de huurovereenkomst per ultimo december 2014 is geëindigd en dan ontruimd diende te zijn. [appellant] is het verder niet eens met de waardering van het bewijs door de kantonrechter en de uitkomst daarvan. Daar heeft grief 2 betrekking op. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.3

[appellant] stelt dat tussen partijen is overeengekomen dat de huurovereenkomst eind december 2014 zou eindigen en dat [appellant] voor de maanden januari en februari 2015 niet het gebruik en het huurgenot van de kas zou verschaffen doch dat GPB voor die maanden wel een compensatie was verschuldigd voor leegstand en het niet kunnen telen in dan wel het niet kunnen verhuren van die kas. [appellant] beroept zich op de rechtgevolgen van die afspraak. Hij vordert immers een veroordeling tot betaling van de overeengekomen vergoeding voor de maanden januari en februari 2015 terwijl hij meende dat hij de kas in die maanden niet meer aan GPB ter beschikking hoefde te stellen. De bewijslast voor de stelling dat GPB in verband met leegstand / niet kunnen telen in de maanden januari en februari 2015 een vergoeding aan [appellant] is verschuldigd maar wel al eind december 2014 diende te ontruimen, rust daarom ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv in beginsel op [appellant] .

5.4

[appellant] heeft in de toelichting op grief 1 aangevoerd dat het in r.o. 3.4 weergegeven document al voldoende grond biedt voor de juistheid van zijn vordering en dat om die reden de vordering al had moeten worden toegewezen dan wel - subsidiair - de bewijslast bij GPB had moeten worden gelegd. In die stelling kan [appellant] niet worden gevolgd omdat in genoemd document geen duidelijke verklaring is te lezen dat de huurovereenkomst per eind december 2014 zou eindigen en dat GPB over de maanden januari en februari 2015 leegstand- en teeltschade zou vergoeden en die stelling ook gemotiveerd door GPB is weersproken. Het op 1 november 2014 ondertekende stuk, al dan niet in samenhang bezien met de door [appellant] aan GPB verzonden factuur van 15 december 2014, is naar het oordeel van het hof evenmin toereikend om te kunnen concluderen dat het van [appellant] gevergde bewijs (behoudens tegenbewijs) voorshands is geleverd of dat een omkering van de bewijslast dienaangaande is gerechtvaardigd. De in dat document opgenomen gegevens passen immers bij het door GPB gegeven scenario, te weten dat partijen hebben afgesproken om de huurovereenkomst te verlengen tot en met februari 2015, dat de teelt in de kas eind december 2014 zou eindigen en dat GPB de resterende maanden zou gebruiken om de kas te ontruimen door deze te ontdoen van steenwol, plastic en druppelslangen. Voor dat scenario kan steun worden gevonden in [appellant] factuur van 15 december 2014 en in de omstandigheid dat GPD de kas per eind december 2014 nog niet had ontruimd. Er is daarom geen aanleiding het bewijs (voorshands) geleverd te achten. Van een bijzondere regel waaruit een andere bewijslastverdeling voortvloeit, is geen sprake, terwijl de eisen van redelijkheid en billijkheid daartoe evenmin aanleiding geven.

5.5

Aan [appellant] is dan ook terecht bewijs opgedragen. De door [appellant] en door [B] , directeur van GPB, afgelegde verklaringen, zowel ter comparitie in eerste aanleg als nadien als getuigen, staan haaks op elkaar als het gaat om wat op 1 november 2014 is afgesproken over de maanden januari en februari 2015. Wat betreft de weging van de door [appellant] en [B] als getuigen afgelegde verklaringen onderschrijft het hof wat daarover in het vonnis van 14 maart 2017 in r.o. 2.4 tot en met 2.6 is overwogen. Het is niet voldoende dat de teelt in de kas al in december 2014 door GPB is beëindigd of dat GPB na (de afsluiting van de kas in) december 2014 geen aanspraak heeft gemaakt op huurgenot dan wel de kas feitelijk niet meer heeft gebruikt. Dit vormt immers nog geen bewijs dat partijen zijn overeengekomen dat de huur eind 2014 eindigde en dat GPB zich tegenover [appellant] heeft verplicht tot vergoeding van leegstand- en teeltschade over de maanden januari en februari 2015. [appellant] heeft in hoger beroep geen nadere stukken overgelegd die tot bewijs kunnen dienen en hij heeft evenmin nader bewijs aangeboden.

5.6

Het voorgaande leidt ertoe dat beide grieven falen.

5.7

Met zijn grief 3 klaagt [appellant] over het oordeel dat GPB het bij factuur van 15 december 2014 in rekening gebrachte bedrag van € 39.325,- inclusief btw (ofwel de in het stuk van 1 november 2014 bedoelde tweede termijn van € 32.500,- exclusief btw) niet is verschuldigd.

5.8

Dit geval kenmerkt zich, zo blijkt uit de stellingen van partijen, hierdoor dat het gebruik door GPB van de kas voor teelt medio december 2014 is geëindigd door een laatste oogst van de tomaten en het daarna versnipperen van het gewas. In de maanden januari en februari 2015 beperkte het gebruik van GPB zich tot een tijdelijke opslag van de voor die (inmiddels beëindigde) teelt gebruikte zaken, waaronder een teeltcomputer, steenwol en druppelslangen, totdat GPB die zaken zou overbrengen naar haar nieuwe teeltlocatie en daarmee de kas van [appellant] zou ontruimen. Uit de aard van de huurovereenkomst, waarvan gezien het voorgaande moet worden aangenomen dat die zich uitstrekt tot de maanden januari en februari 2015, volgt dat GPB in beginsel (ook) voor dat beperkte gebruik een onbelemmerde toegang zou hebben tot de kas. Anders dan GPB betoogt kan echter uit de enkele afsluiting van de toegangsdeur van de kas door [appellant] niet al volgen dat zij daarmee geen toegang meer had. Uit de door GPB bij conclusie van antwoord overgelegde verklaring van haar bedrijfsleider, de heer [C] , blijkt immers dat vrijwel onmiddellijk na die afsluiting - op 22 december 2014 - telefonisch contact is geweest tussen [B] van GPB en [appellant] en dat toen is afgesproken dat de benodigde sleutel bij [appellant] kon worden opgehaald. Daaruit volgt dat GPB op dat moment nog steeds toegang had tot de kas, zij het dat zij daarvoor eerst een sleutel bij [appellant] diende op te halen. Zolang sprake was van toegang en daarmee van een mogelijkheid voor GPB om op een voor haar passend moment het nog beperkte gebruik van de kas te beëindigen door de kas te ontruimen, is geen reden iets afdoen aan de betalingsverplichting van GPB. In zoverre slaagt de grief.

5.9

Uit de stellingen van partijen volgt echter tevens dat [appellant] de kas in de loop van januari 2015 heeft verkocht en geleverd aan Nell. Dat beëindigt op zichzelf de huurovereenkomst van GPB niet, maar Nell heeft de kas vervolgens ook feitelijk in gebruik genomen. Daarmee is het exclusieve genotsrecht dat GPB op grond van de huurovereenkomst had, ook al was dat beoogde genot in de periode januari en februari 2015 beperkt van omvang, illusoir geworden. Uit het door [appellant] als productie 7 bij zijn dagvaarding van 22 april 2015 overgelegde e-mailbericht van GPB, waarvan, gezien de datum in de verzendgegevens daarvan, moet worden aangenomen dat het verzonden is op 28 januari 2015, kan bovendien worden afgeleid dat [appellant] op dat moment aanspraak maakte op het onder overweging 3.4 bedoelde bedrag van € 32.500,- (exclusief btw) en dat GPB pas na betaling daarvan in de gelegenheid zou worden gesteld haar eigendommen uit de kas te verwijderen. Met het feitelijk voor [appellant] afsluiten van de kas, het vervolgens stellen van een financiële voorwaarde voor toegang en het daadwerkelijk in gebruik geven van de kas aan Nell, heeft [appellant] - kennelijk per 28 januari 2015 - feitelijk de huurverhouding stopgezet. Daarvoor is geen rechtvaardiging gesteld of gebleken. Daardoor is er vanaf 28 januari 2015 geen sprake van een situatie dat er desondanks een verplichting bestaat een vergoeding (ten titel van huur of anderszins) te voldoen. In zoverre strandt deze grief.

5.10

Het voorgaande brengt mee dat de vergoeding ad € 39.325,- (inclusief btw) voor het gebruik van de kas in de maanden januari en februari 2015, zijnde 59 dagen, moet worden beperkt tot 27/59e deel daarvan, ofwel € 17.996,19 (inclusief btw). Dit bedrag zal alsnog worden toegewezen.

5.11

Grief 4 ziet op de afwijzing van de door [appellant] gevorderde vergoeding van de schade door achterstallig onderhoud aan de WKK. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat daadwerkelijk sprake is van door hem geleden of te lijden schade als gevolg van onvoldoende onderhoud door GPB aan de WKK. [appellant] heeft tijdens de comparitie in eerste aanleg gesteld dat hij vanwege het gebrek aan onderhoud aan de WKK een lagere koopprijs voor de kas van Nell gekregen, dat Nell de WKK heeft laten onderzoeken en dat niet van herstel van de WKK sprake is geweest. Ter comparitie is echter tevens namens [appellant] aangevoerd dat er op dat moment geen stukken beschikbaar waren over het door [appellant] ontvangen van een lagere koopprijs voor de kas vanwege het gebrek aan onderhoud aan de WKK maar dat dit met een verklaring van Nell kan worden onderbouwd. [appellant] heeft nadien die stelling niet uitgewerkt en heeft evenmin stukken bijgebracht waaruit die gestelde minderopbrengst kan blijken. Die enkele minderopbrengst kan niet al volgen uit de overgelegde offerte van Pon Power B.V. d.d. 23 december 2014 aan Nell voor vervanging van bepaalde onderdelen van de WKK, terwijl ieder inzicht in de koopovereenkomst met Nell en wat met haar is besproken en overeengekomen over (de onderhoudstoestand van) de WKK is uitgebleven. De kantonrechter is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat [appellant] zijn vordering (schade door minderopbrengst) op dit onderdeel onvoldoende heeft onderbouwd. [appellant] heeft in hoger beroep geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan anders zou moeten worden geoordeeld bij het uitgangspunt dat de schade bestaat uit minderopbrengst. [appellant] voert echter ook aan dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld te bewijzen (door een deskundige of getuigen) dat GPB door het niet hebben van een onderhoudscontract de WKK slecht heeft onderhouden waardoor er onderhoudskosten gemaakt moeten worden. Het hof acht dit bewijsaanbod in dit geval niet specifiek genoeg. Voor zover het Nell zou zijn die die kosten moet maken, is - gelet op wat hiervoor is overwogen omtrent de minderopbrengst - geen sprake van schade die [appellant] heeft geleden. Als het hof er al veronderstellenderwijs van zou uitgaan dat [appellant] aanspraak maakt op abstracte schadevergoeding, dan nog heeft [appellant] in het licht van het verweer van GPB onvoldoende onderbouwd dat GPB aansprakelijk is voor de schade, bestaande uit de geraamde kosten van vervanging van de motor c.a. GPB heeft immers uitgelegd dat zij de eerste drie jaar wel een onderhoudscontract had met Pon en dat Pon dit niet met een jaar wilde verlengen, waarna zij Pon regelmatig op regiebasis heeft ingeschakeld voor onderhoudswerkzaamheden aan de pomp. Volgens GPB zou de motor c.a. ook vervangen moeten worden op kosten van [appellant] indien zij in het laatste jaar wel een onderhouds-contract zou hebben gehad, omdat die kosten niet zijn begrepen in een onderhoudscontract en voor rekening van de verhuurder komen. [appellant] heeft dat vervolgens niet gemotiveerd betwist. Aan een bewijsopdracht komt het hof om die reden niet toe. Ook deze grief faalt.

5.12

Grief 5 betreft het door de kantonrechter toegewezen bedrag van € 1.014,50 aan GPB voor vergoeding van kosten van juridisch advies na het door [appellant] ten laste van GPB gelegde conservatoire beslag. Voor zover de grief steunt op de veronderstelling dat [appellant] op goede grond tot beslaglegging ten laste van GPB is overgegaan, is dat, gezien wat hiervoor is overwogen, juist. De vordering waarvoor [appellant] beslag heeft doen leggen is, zoals uit het voorgaande volgt, immers deels toewijsbaar. Aangezien hier geen sprake is van een onterecht gelegd beslag, heeft [appellant] daarom niet onrechtmatig tegenover GPB gehandeld en is hij niet verplicht schade te vergoeden, bestaande uit de door GPB gemaakte kosten voor juridisch advies na beslaglegging. De grief slaagt en dit bedrag zal alsnog worden afgewezen.

5.13

Grief 6, die zich richt tegen het dictum, ontbeert - naar [appellant] stelt - zelfstandige betekenis en behoeft dan ook geen afzonderlijke bespreking.

5.14

Het hof begrijpt uit de vordering van [appellant] , zoals geformuleerd in zijn appeldagvaarding en in de memorie van grieven, dat hij zijn nevenvorderingen bestaande uit wettelijke rente en vergoeding voor buitengerechtelijke kosten heeft gehandhaafd. De door hem gevorderde wettelijke handelsrente is als niet afzonderlijk weersproken toewijsbaar vanaf 1 januari 2015, zijnde de vervaldag van de laatste termijn. De door [appellant] gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, door hem gesteld op € 1.619,30, is gemotiveerd door GPB weersproken en niet nader door [appellant] toegelicht. Dit deel van de vordering is daarom als onvoldoende onderbouwd niet toewijsbaar.

5.15

De door [appellant] aangevochten beslissing over de proceskosten ziet - naar het hof begrijpt - op zijn veroordeling in de proceskosten in conventie. In de omstandigheid dat [appellant] thans een substantieel deel van het door hem in conventie gevorderde krijgt toegewezen, ziet het hof aanleiding om de proceskosten alsnog tussen partijen te compenseren.

6 De slotsom

6.1

De grieven falen voor zover deze zien op het bestreden tussenvonnis van 22 juni 2016, zodat dat vonnis moet worden bekrachtigd. De grieven slagen deels voor zover zij betrekking hebben op het vonnis van 14 maart 2017, zodat dat vonnis, zowel in conventie als in reconventie, niet in stand kan blijven. Om reden van duidelijkheid zal het hof dat vonnis geheel vernietigen en opnieuw rechtdoen.

6.2

Aangezien partijen in hoger beroep deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de kosten van het hoger beroep compenseren als hierna weer te geven.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden van 22 juni 2016;

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden van 14 maart 2017 en opnieuw rechtdoende:

in conventie

veroordeelt GPB om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 17.996,19 (inclusief btw), vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 1 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

compenseert de proceskosten van het geding tussen partijen zodat ieder de eigen kosten draagt;

in reconventie

wijst de vordering van GPB af;

veroordeelt GPB in de kosten van het geding, begroot op € 300,-;

compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen de partijen zodat ieder de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vermelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L Fikkers, mr. W.F. Boele en mr. M. Willemse en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

13 november 2018.