Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9846

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
200.205.548/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verjaring strook grond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvAR 2019/5967, UDH:TvAR/15357 met annotatie van H.J.F. Clifford
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.205.548/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 4581788 / LC EXPL 15-4403)

arrest van 13 november 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. E. Wijnne-Oosterhoff, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

Waterschap Zuiderzeeland,

gevestigd te Lelystad,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: het Waterschap,

advocaat: mr. P.V. Kleijn, kantoorhoudend te Utrecht.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 6 februari 2018 hier over. In genoemd tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft op 4 september 2018 plaatsgevonden. Na afloop van de comparitie hebben partijen arrest gevraagd en het hof heeft arrest bepaald op het reeds overgelegde procesdossier aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie van partijen.

1.2

[appellant] vordert in het hoger beroep, kort samengevat, vernietiging van het vonnis van de kantonrechter van 29 juni 2016 en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [appellant] alsnog toe te wijzen met veroordeling van het Waterschap in de kosten van beide instanties.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het (bestreden) vonnis van 29 juni 2016, aangevuld met feiten die daarnaast in hoger beroep als niet betwist zijn komen vast te staan.

2.2

[appellant] heeft een akkerbouwbedrijf en houdt zich bezig met de teelt van aardappels, suikerbieten, overige wortel- en knolgewassen, granen, peulvruchten en oliehoudende zaden.

2.3

[appellant] is eigenaar van de percelen, kadastraal aangeduid met gemeente Dronten, sectie F nummers 41, 42, respectievelijk 316. De percelen worden ook wel aangeduid met het administratieve kavelnummer. Voor perceel F41 is dit U48, voor perceel F42 is dit U48 en U49 (deels) en voor perceel F316 is dit U45. Alle percelen grenzen aan de Hoekwanttocht. Een tocht is een hoofdwatergang waar onder andere agrarische kavelsloten op afwateren.

2.4

De vader van [appellant] , [B] (hierna [B] sr.) heeft perceel F42 in 1970 in eigendom verkregen bij akte van levering d.d. 10 februari 1970, perceel F41 in 1983 bij akte van levering d.d. 28 februari 1993 en perceel F316 in 1996 bij akte van levering

d.d. 29 februari 1996.

2.5

Vanaf 1978 vormden [B] sr. en [appellant] een maatschap, waarbij [B] sr. de betreffende gronden in de maatschap heeft ingebracht. Vanaf 1999 drijft [appellant] voor eigen rekening en risico een akkerbouwbedrijf en is hij eigenaar van de percelen F41, F42 en F316 die hij van [B] sr. heeft overgenomen.

2.6

Het Waterschap heeft in 2004 besloten om verschillende tochten in Flevoland

duurzaam in te richten, waaronder de Hoekwanttocht. Het duurzaam inrichten van de Hoekwanttocht is vastgelegd in het projectplan “Aanleg duurzame oevers Hoekwanttocht”, zoals vastgesteld bij besluit van 27 juni 2013 door het college van Dijkgraaf en Heemraden van het Waterschap. De projectbeschrijving luidt als volgt:

"Het project omvat het wijzigen van de inrichting van de Hoekwanttocht ter hoogte van kavel U44 tot en met U52 en U56 tot en met U65 nu de bestaande oeververdediging aan het einde van de technische levensduur is of als er sprake is van versnelde aanleg van duurzame of natuurvriendelijke oevers. Een traditioneel met beschoeiing afgewerkte oever van een hoofdwatergang in agrarisch gebied wordt duurzaam ingericht zoals weergegeven op de schets in hoofdstuk 1.3."

2.7

Met betrekking tot de bestaande en nieuwe situatie bepaalt het projectplan:

"Het waterschap is eigenaar van de ondergrond van de hoofdwatergang; de kadastrale grens bepaalt waar dat eigendom in het veld is gelegen.

Het waterschap koopt de strook grond aan tussen de (huidige) kadastrale grens en de nieuwe insteek na aanleg duurzame oever."

2.8

Als gevolg van het verduurzamen en daarmee verbreden van de Hoekwanttocht had het Waterschap grond nodig. De grond die voor de verbreding van de Hoekwanttocht nodig was, was in de meeste gevallen eigendom van of in gebruik bij agrariërs. In dat kader had het

Waterschap ook grond nodig van [appellant] , als gevolg waarvan een geschil is ontstaan over de eigendom van een deel van de benodigde grond.

2.9

Op 28 november 2013 heeft het Kadaster in opdracht van het Waterschap een grensreconstructie uitgevoerd.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg, kort samengevat, een verklaring voor recht gevorderd dat hij eigenaar is van de stroken grond staande en gelegen tussen de insteek van de Hoekwanttocht en perceel F316 (U45), F42 (U48 en U49 deels) en F41 (U48), ter grootte van in totaal 1.300 m2, althans dat de vordering tot revindicatie van het Waterschap aangaande die stroken grond is verjaard, met veroordeling van het Waterschap tot betaling van een bedrag van € 12.610,- aan [appellant] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en met veroordeling van het Waterschap in de kosten van de procedure, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente over de totale proceskostenveroordeling

3.2

Het Waterschap heeft verweer gevoerd.

3.3

De kantonrechter heeft bij vonnis van 29 juni 2016 geoordeeld dat van verkrijging door verkrijgende (artikel 3:99 BW) dan wel extinctieve (artikel 3:105 BW in verbinding met artikel 3:306 en artikel 3:314 lid 2 BW) verjaring geen sprake is, nu [appellant] geen bezit heeft genomen of verkregen van de betreffende stroken grond. De door [appellant] gevorderde verklaring voor recht dat de vordering tot revindicatie van het Waterschap is verjaard, is door de kantonrechter aldus opgevat dat [appellant] heeft willen aanvoeren dat het Waterschap ingevolge het bepaalde in artikel 3:314 lid 1 BW niet tijdig een vordering tot opheffing van de onrechtmatige toestand heeft ingesteld. De kantonrechter heeft het beroep op artikel 3:314 lid 1 BW vervolgens afgewezen omdat er geen sprake is geweest van een continue inbreuk en dus niet van een onrechtmatige toestand als bedoeld in artikel 3:314 lid 1 BW. De vorderingen van [appellant] zijn dan ook afgewezen door de kantonrechter met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

Het gaat in deze zaak om de eigendom van de stroken grond gelegen tussen de oorspronkelijke insteek van de Hoekwanttocht (het punt waar het talud begint) en de kadastrale percelen F316 (U45), F42 (U48 en U49 deels) en F41 (U48), ter grootte van in totaal 1.300 m2 (hierna kortweg de strook grond). [appellant] stelt zich primair op het standpunt dat hij door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden en subsidiair dat hij door verjaring van de vordering tot revindicatie (extinctieve verjaring) eigenaar is geworden van de betreffende strook grond en dat het Waterschap hem de waarde van die grond dient te vergoeden, aangezien het Waterschap deze grond wil gebruiken voor het verbreden van de Hoekwanttocht. Meer subsidiair stelt [appellant] zich op het standpunt dat de vordering van het Waterschap tot het opheffen van een onrechtmatige toestand is verjaard en dat het Waterschap, zo begrijpt het hof, [appellant] een vergoeding dient te betalen omdat [appellant] de grond niet meer kan gebruiken in verband met de verbreding van de Hoekwanttocht. Dat een verklaring voor recht is gevorderd dat de vordering tot revindicatie is verjaard berust op een misverstand, zo heeft de advocaat van [appellant] ter zitting aangegeven. Nu de advocaat van het Waterschap ter zitting heeft aangegeven de vordering ook in de door [appellant] nader

toegelichte zin te hebben opgevat, zal het hof dat bij de verdere beoordeling ook doen. Ook de kantonrechter is van de vordering in de door [appellant] ter zitting toegelichte zin uitgegaan.

4.2

Ter zitting is door de advocaat van [appellant] verder expliciet te kennen gegeven dat niet het standpunt wordt ingenomen dat [appellant] , althans [B] sr. met de eigendomsoverdracht van de percelen tevens eigenaar is geworden van de strook grond.

4.3

Het verweer van het Waterschap komt er op neer dat het beroep op verkrijgende verjaring niet kan slagen omdat er geen sprake is van goeder trouw en bezit. Op het bezitsvereiste stuit ook het beroep op verjaring van de vordering tot revindicatie af, aldus het Waterschap. Bovendien geldt voor perceel F316 dat de verjaringstermijn van 20 jaar niet is voltooid nu [B] sr. dit perceel pas in 1996 in eigendom heeft verkregen en het Waterschap in 2013 haar eigendomsaanspraak daarop aan [appellant] kenbaar heeft gemaakt. Voor het geval het beroep op verjaring van [appellant] slaagt, beroept het Waterschap zich ter zake van de door [appellant] gevorderde schadevergoeding op verrekening met haar vordering op [appellant] uit onrechtmatige daad onder verwijzing naar HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309.

4.4

[appellant] is met zeven grieven opgekomen tegen het vonnis van de kantonrechter van 29 juni 2016. De grieven I tot en met IV zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is van inbezitneming en ondubbelzinnig bezit van [appellant] en dat de kantonrechter ten onrechte de vraag of [appellant] te goeder trouw was (als bedoeld in artikel 3:99 BW) in het midden heeft gelaten. Grief V is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat nu geen sprake is van bezit er om die reden aan het beroep op extinctieve verjaring voorbij dient te worden gegaan. Grief VI is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is van een continue inbreuk en dus geen onrechtmatige toestand als bedoeld in artikel 3:314 lid 1 BW. De laatste grief is een veeggrief en heeft als zodanig geen zelfstandige betekenis.

Verjaring

4.5

De vraag die eerst voorligt is of [appellant] door verkrijgende verjaring, dan wel door verjaring van de vordering tot revindicatie rechthebbende van de strook grond is geworden.

4.6

Op grond van artikel 3:99 BW worden (onder meer) rechten op onroerende zaken verkregen door een bezitter te goeder trouw door een onafgebroken bezit van tien jaren (verkrijgende verjaring).

4.7

Artikel 3:105 lid 1 BW bepaalt dat hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw (bevrijdende verjaring). Vereist is dat de verkrijger het bezit heeft op het moment waarop de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit wordt voltooid. Ingevolge artikel 3:314 lid 2 BW vangt de verjaringstermijn van een rechtsvordering die strekt tot beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende aan op de dag nadat een ander dan de rechthebbende bezitter is geworden. Ingevolge artikel 3:306 BW bedraagt de verjaringstermijn voor een zodanige rechtsvordering 20 jaar.

4.8

Zowel voor het verkrijgen van een goed door verkrijgende verjaring als voor het verkrijgen van een goed door bevrijdende verjaring is bezit vereist.

4.9

De vraag of op het tijdstip van voltooiing van de verjaring sprake is van bezit dient te worden beantwoord aan de hand van artikel 3:107 BW en volgende. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf (artikel 3:107 BW). Of er sprake is van bezit wordt beoordeeld naar de verkeersopvattingen met inachtneming van de wettelijke regels en overigens op grond van de uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Voor de beantwoording van de vraag of iemand een zaak in bezit heeft genomen, is bepalend of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (artikel 3:113 lid 1 BW). Indien de zaak in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende (artikel 3:113 lid 2 BW). De machtsuitoefening moet derhalve zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet. Dit is een kwestie van feitelijke aard. De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat bij de aan de orde zijnde vraag de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen.

Anders dan onder het recht zoals dat gold tot 1992, noemt de wet als vereisten voor bezit niet meer met zoveel woorden dat het ‘niet dubbelzinnig’ en ‘openbaar’ is. Uit de wetsgeschiedenis blijkt evenwel dat ook naar het huidige recht deze eisen gelden en dat beide eigenschappen in het wettelijk begrip ‘bezit’ besloten liggen.

Van niet dubbelzinnig bezit is sprake wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt, dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden, dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn, hetgeen naar objectieve maatstaven beoordeeld moet worden (zie HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743 alsook HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309).

4.10

Op grond van artikel 150 Rv rusten op de partij, in dit geval [appellant] , die zich erop beroept dat een goed door verjaring is verkregen, de stelplicht en bewijslast van de stelling dat aan de vereisten voor verjaring is voldaan.

4.11

Het hof zal thans beoordelen of aan de vereisten voor verjaring, in het bijzonder het vereiste van bezit, is voldaan. Bij de beoordeling van de vraag of aan het bezitsvereiste is voldaan gaat het er om of [appellant] zich zodanig heeft gedragen, dat het Waterschap daaruit niet anders kon afleiden, dan dat [appellant] pretendeerde rechthebbende te zijn van de strook grond.

4.12

Door [appellant] is in dit kader gesteld dat hij en daarvoor zijn vader de strook grond op gelijke wijze heeft bewerkt als de aan hem in eigendom toebehorende aan die strook grond grenzende percelen. Hij heeft de strook grond omgeploegd, ingezaaid en de daarop staande vruchten geoogst. De percelen van [appellant] vormden ook zichtbaar één geheel met de strook grond. Er was geen waarneembaar onderscheid. Ook derden zullen altijd gedacht hebben dat de strook grond van dezelfde eigenaar was als de percelen, aldus [appellant] . Dit blijkt wel uit de mededeling van de jachtopziener dat de grens van het jachtrecht tot aan de insteek van de tocht gold. De jachtopziener heeft dit nadien ook aan derden medegedeeld die het jachtrecht van [appellant] huurden. Hieruit kan worden afgeleid dat derden er van uitgingen dat de eigendomsgrens op de insteek van de tocht lag. Daarbij heeft [appellant] de strook grond onderhouden door het riet te maaien en de muskusratten te bestrijden. Het waterschap heeft daarentegen nooit iets ondernomen om de strook grond te onderhouden. [appellant] heeft het Waterschap toegelaten op de strook grond om onderhoudswerkzaamheden aan de tocht te kunnen uitvoeren, omdat [appellant] hiertoe verplicht was. Het onderhoud ging echter altijd in overleg, gelet op het feit dat [appellant] gewassen op de grond had staan. Uit al deze uiterlijk waarneembare feiten volgt wel degelijk dat er sprake was van ondubbelzinnig bezit, aldus [appellant] .

4.13

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Door het Waterschap is niet betwist dat [appellant] en daarvoor zijn vader de strook grond heeft gebruikt als landbouwgrond. Het enkele feit dat [appellant] gedurende lange tijd de grond heeft bewerkt en gebruikt, is echter onvoldoende ter onderbouwing van het vereiste (ondubbelzinnige) bezit. Deze handelingen als zodanig hoeven niet te duiden op een bezitspretentie als eigenaar van [appellant] . Het bewerken van de grond betreft handelingen die net zo goed door een pachter, bruiklener, enz. kunnen worden verricht en hoeven dan ook niet te duiden op het gebruik van de grond in de hoedanigheid van eigenaar. Uit het enkel bewerken door [appellant] van de grond hoefde het Waterschap naar het oordeel van het hof dan ook niet op te maken dat [appellant] pretendeerde eigenaar te zijn. Dat [appellant] meende eigenaar te zijn en dat hij de interne wil had om als eigenaar op te treden, is niet van belang. Het gaat om de uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvatting de wil kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Het gebruik van de strook grond als landbouwgrond is naar het oordeel van het hof slechts een op zichzelf staande machtsuitoefening, die onvoldoende is om aan te nemen dat het bezit van het Waterschap teniet is gegaan. Dat [appellant] het riet en de muskusratten op de strook grond bestreed, dat een jachtopziener meende dat het jachtgebied van [appellant] doorliep tot de insteek en dat het Waterschap de strook grond pas na overleg met [appellant] gebruikte voor onderhoud, maakt het vorenstaande niet anders. Ook uit deze feiten met betrekking tot de strook grond kan – noch op zichzelf beschouwd, noch in combinatie met het gebruik als landbouwgrond – naar verkeersopvatting niet worden afgeleid dat [appellant] pretendeerde rechthebbende te zijn, nu ook dit handelingen zijn die door een pachter, bruiklener, enz. uitgevoerd kunnen worden.

4.14

De door [appellant] gestelde feiten en omstandigheden leiden dan ook niet tot de gevolgtrekking dat hij, [appellant] en daarvoor zijn vader, de betreffende stroken grond voor zichzelf hield en dat door zijn inbezitneming het bezit van het Waterschap is geëindigd. Nu van bezit geen sprake is, faalt zowel het beroep op verkrijgende verjaring als op bevrijdende verjaring en daarmee komt ook de grondslag aan de gevorderde betaling van € 12.610,- te ontvallen. Of er sprake is van goede trouw van [appellant] in de zin van artikel 3:99 BW kan daarom als niet van belang in het midden blijven. De grieven I tot en met IV en grief V falen.

4.15

Ten aanzien van de strook grond gelegen tussen de oorspronkelijke insteek en perceel F316 geldt bovendien dat het beroep op bevrijdende verjaring reeds afstuit op het feit dat nog geen 20 jaar zijn verstreken sinds [B] sr. in 1996 de eigendom van perceel F316 heeft verkregen en de betreffende strook grond is gaan gebruiken en het moment dat het Waterschap in 2013 haar rechten op deze strook grond jegens [appellant] geldend heeft gemaakt. [appellant] heeft dat ter zitting ook bevestigd.

Verjaring rechtsvordering tot opheffing onrechtmatige toestand

4.16

De meer subsidiaire vordering van [appellant] is gebaseerd op de stelling dat de vordering van het Waterschap tot opheffing van de onrechtmatige toestand is verjaard. Tegen het oordeel van de kantonrechter dat het ploegen, eggen, zaaien en oogsten van de strook grond niet als een voortdurende onrechtmatige toestand kan worden aangemerkt in de zin van artikel 3:314 lid 1 BW richt zich grief VI. [appellant] heeft in hoger beroep gesteld dat hij de strook grond weliswaar korte periodes niet gebruikte, maar dat dit niet afdoet aan het feit

dat hij de strook grond onafgebroken bij zijn bedrijfsvoering heeft betrokken en dat dus van een continue onrechtmatige toestand sprake was. Van prijsgeven is geen sprake geweest.

4.18

Daargelaten dat de door [appellant] gevorderde verklaring voor recht zich niet goed verdraagt met het wettelijk systeem zoals neergelegd in artikel 3:105 BW in verbinding met artikel 3:314 lid 2 BW– toewijzing zou betekenen dat een onduidelijke situatie met betrekking tot de strook zou ontstaan waarbij enerzijds het Waterschap de eigendom van de strook grond niet ten volle kan uitoefenen en anderzijds [appellant] geen rechthebbende op de strook grond wordt –, is van een situatie als bedoeld in artikel 3:314 lid 1 BW geen sprake. Daartoe overweegt het hof als volgt. Een onrechtmatige toestand in de zin van artikel 3:314 lid 1 BW houdt in dat er sprake moet zijn van een voortdurende inbreuk. Incidentele inbreuken vallen er niet onder, ook niet als ze in serie plaatsvinden. Bij terugkerende verschijnselen is artikel 3:314 lid 1 BW niet van toepassing (Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 929). Vast staat dat [appellant] , net zo min als zijn vader voor hem, de strook grond niet continue heeft bewerkt, maar ook periodes braak heeft laten liggen. In het onderhavige geval is derhalve geen sprake van een continue onrechtmatige toestand maar veeleer van een situatie waarbij de inbreuk met tussenpozen plaatsvindt. Overigens is voor het hof niet duidelijk geworden waartoe de gevorderde verklaring voor recht dient te leiden. [appellant] heeft dit verder ook niet toegelicht. Grief VI faalt dan ook.

4.20

Nu eerdergenoemde grieven falen, faalt ook grief VII.

5 De slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van het Waterschap zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 1.957,-

- salaris advocaat € 2.148,- (2 punten x tarief II € 1.074,-)

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, te Lelystad, van 29 juni 2016;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van het Waterschap vastgesteld op € 1.957,- voor verschotten en op € 2.148,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. I.F. Clement, mr. B.J.H. Hofstee en mr. J. Smit en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

13 november 2018.