Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9838

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-11-2018
Datum publicatie
19-11-2018
Zaaknummer
200.247.443
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging of (bij wijze van sanctie achteraf) verlenging van een schuldsaneringsregeling na onherroepelijk verleende schone lei past niet in de door de wetgever gekozen systematiek. Geen sprake van een verzoek of voordracht tot ontneming van de schone lei. Herroeping van het vonnis tot verlening van vonnis tot verlening van een schone lei lag niet aan de rechtbank voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.247.443

(insolventienummers rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: C/05/15/649 R en C/05/15/650 R)

arrest van 12 november 2018

in de zaken van:

[appellant 1]
en
[appellant 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,
hierna: [appellanten] ,

advocaat: mr. R.G. van der Laan.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij vonnissen van 18 juni 2015 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (hierna: de rechtbank), het ten aanzien van [appellanten] uitgesproken faillissement opgeheven onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

1.2

Bij vonnis van 15 juni 2018 heeft de rechtbank vastgesteld dat [appellanten] niet toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit hun schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De rechtbank heeft voorts verstaan dat voor de vorderingen, ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregelingen van [appellanten] hebben gewerkt en zover deze onvoldaan zijn gebleven, de schone lei wordt verleend, in die zin dat die vorderingen niet langer afdwingbaar zijn en dat de toepassing van de schuldsaneringsregelingen van rechtswege zal zijn beëindigd zodra de slotuitdelingslijst(en) verbindend is (zijn) geworden.

1.3

De bewindvoerder, F.J. Velner, heeft in een (niet aan het hof overgelegd)
e-mailbericht van 31 juli 2018 de rechtbank meegedeeld dat [appellant 1] recht heeft op uitbetaling van de reservewaarde van € 2.466,99 inzake een op 1 juli 2012 door ASR Levensverzekering N.V. (voorheen: Stad Rotterdam Verzekeringen) beëindigde overlijdensrisicoverzekering. ASR heeft [appellant 1] van deze betaling per brief van 27 januari 2015 op de hoogte gesteld.
In verband met het voorgaande heeft de rechter-commissaris op 22 augustus 2018 een inlichtingenverhoor gehouden en vervolgens op 30 augustus 2018 de wettelijke schuldsaneringsregelingen van [appellanten] voorgedragen voor tussentijdse beëindiging. Daarbij heeft de rechter-commissaris de rechtbank in overweging gegeven die regelingen te verlengen in plaats van te beëindigen.

1.4

Bij vonnis van 27 september 2018 heeft de rechtbank haar vonnis van 15 juni 2018 herroepen en onder meer:
- bepaald dat de toepassing van de schuldsaneringsregelingen van [appellanten] wordt voortgezet;
- de termijn, gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregelingen van kracht is, vastgesteld op drie jaar en zes maanden, zodat de regelingen eindigen op 18 december 2018;

- bepaald dat [appellanten] ook gedurende de verlenging van de termijn maandelijks conform de berekening van het vrij te laten bedrag afdragen aan de boedel en
- bepaald dat [appellanten] ook gedurende de verlenging van de termijn zich aan de overige verplichtingen van hun schuldsaneringsregeling dienen te houden.
Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis.

2
2. Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 5 oktober 2018 ingekomen verzoekschrift zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 27 september 2018. [appellanten] hebben daarbij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en:
- primair te bepalen dat de aan hen verleende schone lei gehandhaafd blijft;
- subsidiair de looptijd van hun schuldsaneringsregeling te verlengen met drie maanden;
- meer subsidiair de looptijd van hun schuldsaneringsregeling te verlengen met zes maanden,
vanaf 27 september 2018 (in plaats van vanaf 18 juni 2018).

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met één bijlage, de brief met bijlagen van 23 oktober 2018 van de bewindvoerder en de met de op 30 oktober 2018 en
1 november 2018 door/namens mr. Van der Laan ingediende V6-formulieren meegezonden producties.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 november 2018. Daarbij is [appellant 1] niet verschenen. Wel verschenen is [appellant 2] , bijgestaan door mr. Van der Laan. Voorts is namens de bewindvoerder M.C. Oostrom verschenen.

2.4

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hoger beroep heeft mr. Van der Laan een afschrift van het vonnis van de rechtbank van 15 juni 2018 overgelegd, alsmede enkele met dat vonnis verband houdende stukken.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

De rechtbank heeft aan haar vonnis van 27 september 2018 tot herroeping van haar op 15 juni 2018 gewezen vonnis het volgende ten grondslag gelegd.

[appellanten] hebben bewust geprobeerd de schuldeisers te benadelen. Zij wisten immers vóór aanvang van hun schuldsaneringsregeling dat zij recht hadden op de waarde van de beëindigde ASR-verzekering. Op diverse momenten hadden zij de bewindvoerder daarover kunnen en moeten informeren, namelijk bij het huisbezoek, in de schriftelijke verklaring en in 2018 toen zij wederom met ASR contact opnamen. Uit de schriftelijke reactie van [appellant 2] van 3 augustus 2018 kan niet anders worden afgeleid dan dat zij en [appellant 1] vonden dat het geld niet aan de boedel toebehoorde, omdat zij hier jaren voor hadden gespaard. Deze verklaring past in de reeks van gedragingen van [appellanten] die in onderlinge samenhang bezien tot de conclusie moeten leiden dat [appellanten] bewust hebben getracht de schuldeisers te benadelen.
De omstandigheid dat de waarde van de nabetaling inmiddels op de boedelrekening is gestort, neemt de verwijtbaarheid van de gedragingen niet weg, aldus de rechtbank.

Het niet melden van de nabetaling van de verzekering betekent naar het oordeel van de rechtbank dat [appellanten] de informatieverplichting hebben geschonden. Beide vergrijpen zijn volgens de rechtbank ernstige verwijten die in beginsel een tussentijdse beëindiging van hun schuldsaneringsregeling rechtvaardigen op grond van artikel 350 lid 1, in samenhang met lid 3, sub e en c, van de Faillissementswet (hierna: Fw). Nu de schuldeisers echter niet daadwerkelijk zijn benadeeld, acht de rechtbank tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregelingen een te zware maatregel en heeft zij in plaats daarvan de looptijd van die regelingen met zes maanden verlengd.

3.2

Het hof overweegt dat uit de brief van ASR aan [appellant 1] van 27 januari 2015 blijkt dat de vordering van [appellant 1] op uitbetaling van het bedrag van € 2.466,99 door ASR is ontstaan voordat hij en [appellant 2] tot de schuldsaneringsregeling werden toegelaten, zodat deze vordering op grond van artikel 295 Fw tot de boedel behoort.
Vast staat dat dit bedrag niet tijdens het reguliere schuldsaneringstraject van drie jaar aan [appellant 1] (en [appellant 2] ) is uitgekeerd. Bij e-mail van 30 juli 2018 heeft ASR de bewindvoerder er van op de hoogte gesteld dat [appellant 1] recht had op het bedrag van € 2.466,99. Nadien hebben [appellanten] het bedrag dat aan hen was uitbetaald naar de schuldsaneringsboedel overgemaakt.

3.3

Aan de orde is vervolgens in de eerste plaats of de rechtbank haar vonnis van 15 juni 2018 tot verlening van een schone lei aan [appellanten] kon herroepen en in de tweede plaats of de rechtbank op grond van de door haar als verwijtbaar beschouwde gedragingen van [appellanten] in de kwestie van de overlijdensrisicoverzekering van ASR de looptijd van de schuldsaneringsregeling van [appellanten] had mogen verlengen.
3.4 Het hof beantwoordt deze vragen ontkennend.

Het wettelijk systeem is erop gericht om de schuldsanering afgehandeld te krijgen bij of kort na de afloop van de schuldsaneringstermijn van drie jaar (349a Fw). Als de bewindvoerder, de schuldenaar of één of meer schuldeisers menen dat de schuldsanering nog moet voortduren, kunnen zij daartoe ingevolge artikel 349a lid 2 en 3 Fw een verzoek indienen bij de rechter-commissaris. Na het verstrijken van de schuldsaneringstermijn ex artikel 349a Fw en de verlening van de schone lei (artikel 354 Fw) wordt de schuldsaneringsboedel gefixeerd. Goederen die na afloop van die termijn worden verkregen, vallen daardoor niet onder het bepaalde in artikel 295 lid 1 Fw en vallen daarmee niet meer in de boedel. Ook het onderzoek naar de vraag of de schuldenaar is tekortgeschoten in zijn verplichtingen uit de schuldsanering is beperkt tot de in artikel 349a Fw bedoelde termijn.

Los daarvan staat dat de schuldsaneringsregeling na verlening van de schone lei en het in kracht van gewijsde gaan van het daartoe gewezen eindvonnis formeel nog niet is geëindigd. De toepassing van de schuldsaneringsregeling is dan echter alleen nog gericht op de vereffening van de boedel. Dat is de fase waarin de bewindvoerder de slotuitdelingslijst moet opmaken (artikel 356 lid 1 Fw). De beëindiging van de schuldsaneringsregeling vindt van rechtswege plaats wanneer deze slotuitdelingslijst verbindend is geworden (artikel 356 lid 2 Fw). Met de beëindiging van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in artikel 356 lid 2 Fw treedt artikel 358 lid 1 Fw in werking. De rechtsgevolgen van de beëindiging kunnen vanaf dat moment alleen nog worden teruggedraaid als de rechter conform het bepaalde in artikel 358a Fw op verzoek van een belanghebbende de schone lei ontneemt.

3.5

In het onderhavige geval heeft de rechtbank bij vonnis van 15 juni 2018 na onderzoek onvoorwaardelijk de schone lei aan [appellanten] verleend.
Gesteld noch gebleken is dat tegen dit vonnis een rechtsmiddel is aangewend, zodat ervan uit moet worden gegaan dat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. De bewindvoerder, [appellanten] zijn er vervolgens terecht van uitgegaan dat de uitkering van ASR aan de boedel toekwam, ook al werd deze eerst na afloop van de in artikel 349a Fw bedoelde termijn aan [appellanten] betaald. Zoals hiervoor uiteengezet, behoorde deze vordering op grond van artikel 295 Fw vanaf de toepassing van de schuldsaneringsregeling tot de boedel en bleef de bewindvoerder ook na het einde van de materiële looptijd van de schuldsaneringsregeling bevoegd baten voor de boedel te vereffenen.

3.6

Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt voorts dat een tussentijdse beëindiging of een verlenging van de looptijd van een schuldsaneringsregeling nadat de schone lei onherroepelijk is verleend niet past in de door de wetgever gekozen systematiek. Wel bestaat voor iedere belanghebbende ingevolge artikel 358a lid 1 Fw de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek bij de rechter om de schone lei te ontnemen, maar van die mogelijkheid is in het geval van [appellanten] geen gebruik gemaakt. De voordracht van de rechter-commissaris van 30 augustus 2018 kan niet als een zodanig verzoek worden gekwalificeerd, nu dit duidelijk een voordracht tot tussentijdse beëindiging dan wel verlenging betreft.

De voordracht kan ook niet worden gezien als een vordering van een partij tot herroeping van het vonnis waarbij de schone lei is verleend. Herroeping van het vonnis lag daarmee niet voor aan de rechtbank.

3.7

Gelet hierop is de beslissing van de rechtbank om het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 15 juni 2018 te herroepen en (bij wijze van sanctie achteraf) de looptijd van de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellanten] te verlengen met zes maanden in strijd met het wettelijke systeem van de Faillissementswet en van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit leidt tot het oordeel dat het vonnis van de rechtbank van
27 september 2018 moet worden vernietigd, met afwijzing van de voordracht van de rechter-commissaris, zodat het vonnis van 15 juni 2018 waarin de schone lei is verleend zijn gelding behoudt.
3.8 Het hoger beroep slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en er zal als volgt worden beslist.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 27 september 2018 en, opnieuw recht doende:

wijst de voordracht van de rechter-commissaris van 30 augustus 2018 alsnog af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I. Brand, C.G. ter Veer en I.W. Levelt-Iseger, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer, en op 12 november 2018 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.