Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9759

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-11-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
200.235.926
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berekening partneralimentatie zonder dat de schulden in aanmerking worden genomen en afwikkeling huwelijkse voorwaarden, finaal verrekenbeding, beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2019/5
PFR-Updates.nl 2018-0284
JPF 2019/143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.235.926 en 200.235.928

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 420677 en 421761)

beschikking van 8 november 2018

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.H. Vaandrager te Utrecht,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A. Otten te Bussum, gemeente Gooise Meren.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 december 2017, zoals hersteld bij beschikking van 19 maart 2018, uitgesproken onder voormelde zaaknummers, gezamenlijk verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift van de man met producties 1 tot en met 3, ingekomen op 20 maart 2018;

- het verweerschrift, tevens incidenteel verzoek van de vrouw in de schorsingsprocedure, ingekomen op 20 april 2018;

- het verweerschrift tegen het incidenteel verzoek van de man in de schorsingsprocedure van 9 mei 2018 met producties 4 tot en met 8;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 17 mei 2018;

- een journaalbericht van mr. Vaandrager van 30 mei 2018 in de schorsingsprocedure met producties 9 tot en met 12;

- een journaalbericht van mr. Otten van 1 juni 2018 in de schorsingsprocedure met productie 7;

- een journaalbericht van mr. Otten van 1 juni 2018 in de schorstingsprocedure met producties 8, 9 en 10;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties 13 en 14;

- een journaalbericht van mr. Vaandrager van 14 september 2018 met producties 15 tot en met 23;

- een journaalbericht van mr. Otten van 17 september 2018 met een brief van mr. Otten van 17 september 2018 en producties 10 en 11;

- een journaalbericht van mr. Otten van 20 september 2018 met als productie het verweerschrift, tevens incidenteel verzoek van de vrouw in de schorsingsprocedure met producties;

- een journaalbericht van mr. Otten van 25 september 2018 met als productie nogmaals het verweerschrift, tevens incidenteel verzoek van de vrouw in de schorsingsprocedure met producties;

- een journaalbericht van mr. Vaandrager van 26 september 2018 met een brief van mr. Vaandrager van 26 september 2018.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 27 september 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.3

Mr. Vaandrager heeft namens de man bezwaar gemaakt tegen de door de vrouw op 20 september 2018 en op 25 september 2018 nogmaals bij het hof ingediende stukken, omdat op grond van artikel 1.4.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken stukken uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen worden overgelegd. Nadere bestudering van deze stukken leert dat deze stukken grotendeels al eerder in de procedure zijn overgelegd, dan wel in de procedure tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking, waarbij het hof vaststelt dat de man zich eveneens beroept op de stukken die door hem in die schorsingsprocedure zijn overgelegd. Voor zover de bijlagen wel nieuwe stukken bevat, zijn deze stukken eenvoudig te doorgronden. Het hof is van oordeel dat mr. Vaandrager en de man in redelijkheid voldoende hebben kunnen kennisnemen van die bijlagen en zich voldoende moeten hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen. Deze stukken zullen daarom in aanmerking worden genomen bij de beoordeling.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn op [trouwdag] te [plaats] op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. In de bestreden beschikking is de echtscheiding uitgesproken tussen partijen. Het huwelijk van partijen is op [datum scheiding] ontbonden door inschrijving van echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand van de [plaats] .

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [dochter 1] (verder te noemen: [dochter 1] ), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , en

- [dochter 2] (verder te noemen: [dochter 2] ), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

gezamenlijk verder te noemen: de kinderen, over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3.3

Artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden luidt:

1. 1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden voldaan uit en naar evenredigheid van het netto jaarinkomen van de echtgenoten; indien dit inkomen niet toereikend zou zijn, is ieder van de echtgenoten verplicht naar evenredigheid van zijn netto-vermogen per het einde van het betreffende kalenderjaar het tekort aan te vullen.

2. 2. Onder de kosten van de gemeenschappelijke huishouding zijn begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de uit het huwelijk geboren kinderen en van de kinderen die met toestemming van beiden in het gezin zijn opgenomen, wat de laatste kinderen betreft voor zover deze kosten niet ten laste van derden komen.

Tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden evenwel niet gerekend premies van levens- en ongevallenverzekeringen. Deze komen ten laste van diegene die als begunstigde in de polis is genoemd.

3. 3. Onder netto-inkomen wordt verstaan het inkomen na aftrek van de daarover verschuldigde belasting op inkomen en andere wettelijke inhoudingen of heffingen.

Onder netto-vermogen wordt verstaan het vermogen na aftrek van de daarover verschuldigde belasting op het vermogen.

4. 4. Het in het artikel bepaalde geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

3.4

Artikel 12 onder het kopje ‘afrekening aan het einde van het huwelijk’ van de huwelijkse voorwaarden bevat een finaal verrekenbeding dat luidt:

1. Ingeval het huwelijk wordt ontbonden (daaronder niet begrepen ontbinding na scheiding van tafel en bed) of indien tussen echtgenoten scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, vindt een verrekening plaats, zo dat ieder van de echtgenoten gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe hij gerechtigd zou zijn geweest indien de wettelijke gemeenschap van goederen tussen hen zou hebben bestaan.

In voormelde verrekening worden echter niet betrokken de goederen en de vruchten daarvan, welke door de echtgenoten ten huwelijk zijn aangebracht of krachtens vererving, legaat of schenking zijn of zullen worden verkregen.

Voorts wordt in voormelde verrekening niet betrokken het totaal van de premies en koopsommen van leven- en ongevallenverzekering welke uitsluitend door een echtgenoot die als begunstigde op de polis staat vermeld, zijn betaald dan wel voor diens rekening zijn gekomen, zulks vermeerderd met het renteverlies ter zake. Met het oog hierop zal het vermogen van een echtgenoot, casu quo diens nalatenschap worden vermeerderd met een bedrag gelijk aan de hiervoor bedoelde premies en koopsommen, vermeerderd met het renteverlies terzake.

2. De verrekening heeft plaats naar de toestand ten tijde van de ontbinding van het huwelijk door overlijden of, ingeval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed, naar de toestand van het instellen van de vordering daartoe.

3. De bij artikel 136 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde beschrijving zal plaats hebben binnen zes maanden na de ontbinding van het huwelijk of de scheiding van tafel en bed.

4. De verrekening heeft plaats doordat de ene partij aan de andere een bedrag uitkeert, zo, dat ieder van hen de helft geniet van het vermogen als omschreven in lid 1, met dien verstande dat aanspraken op al of niet ingegaan pensioen niet in deze verrekening worden betrokken.

5. Voor wat betreft de waardering der goederen, de vorm van de handeling, de personen die tot de verrekening moeten meewerken en de oplossing van zwarigheden, geschiedt deze verrekening op dezelfde wijze als voor de verdeling van een nalatenschap is voorgeschreven.

6. De uitkering moet worden gedaan binnen een jaar nadat de plicht tot verrekening vermeld in lid 1 is ontstaan.

7. Ingeval gewichtige redenen zich verzetten tegen prompte voldoening zullen de echtgenoten een redelijke betalingsregeling- al of niet met zekerheidstelling treffen, waarbij de belangen van beiden in acht genomen worden.

8. Geen verrekening vindt plaats:

a) indien op het tijdstip van ontbinding van het huwelijk of van de scheiding van tafel en bed een echtgenoot surséance van betaling heeft of in staat van faillissement verkeert, ofwel verkeerd heeft terwijl het faillissement op andere wijze dan door homologatie van een accoord is geëindigd en de betrokken echtgenoot op grond van de verrekening een vordering op de andere echtgenoot zou verkrijgen;

b) indien bijzondere omstandigheden zich hiertegen verzetten.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van de datum van de bestreden beschikking tot aan de dag dat de echtelijke woning is geleverd aan een derde bepaald op een bedrag van € 223,- per kind per maand en met ingang van de dag dat de echtelijke woning is geleverd aan een derde op een bedrag van € 350,- per kind per maand. Voorts is de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van de dag dat de echtelijke woning is geleverd aan een derde en de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand bepaald op een bedrag van € 533,-per maand. In het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw aan de man ter zake van het finaal verrekenbeding dient te voldoen € 39.240,85.

4.2

De man is met zeven grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op de behoefte en behoeftigheid van de vrouw, de draagkracht van de man en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. De man verzoekt het hof in het principaal hoger beroep om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

de bestreden beschikking te wijzigen en in plaats daarvan te bepalen:

- de door de man te betalen partneralimentatie vast te stellen op € 0,-, althans (subsidiair) op een bedrag van hooguit € 500,- bruto per maand, vanaf de dag volgend op de overdracht van de echtelijke woning van partijen;

- de alimentatieplicht van de man te bepalen op € 0,- met ingang van 1 april 2020, omdat de vrouw geacht kan worden per die datum in haar eigen onderhoud te voorzien;

- dat de vrouw aan de man ter zake van het finaal verrekenbeding dient te voldoen € 104.772,- (50% x (€ 162.199,- waarde BV -/- € 223.063,- rekening-courantschuld

-/- € 2.640,- creditcardschulden -/- € 145.500 schuld aan de vader van de man));

- dat de vrouw de helft van de gezamenlijk schulden dient te dragen, uit hoofde waarvan zij

aan de man verschuldigd is:

- € 7.500,- te weten de helft van de termijnen die de man vanaf juli 2016 tot 1 april 2018 aan Interbank heeft betaald;

- € 375,- per maand, zolang de vrouw ‘haar helft’ van de schuld bij Interbank niet op andere wijze heeft afgelost, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de eerste van de maand volgend op de maand waarin de betaling had moeten plaatsvinden;

- € 1.126,- te weten de helft van de debetsaldi van en/of-rekeningen die door de man zijn aangezuiverd.

4.3

De vrouw voert verweer in principaal hoger beroep en is op haar beurt met vier grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De vrouw verzoekt het hof te bepalen dat:

I de man die stukken overlegt aan het hof en aan de vrouw waarmee hij inzicht kan geven in de bedrijfsvoering van de afgelopen jaren zoals: de laatste drie definitieve jaarstukken inclusief kasstroomoverzichten, belastingaangiften en aanslagen; stukken waarmee hij zijn verwachtingen voor de toekomst kan onderbouwen, zoals bijvoorbeeld een liquiditeitsprognose, relevante informatie uit de markt et cetera; de overeenkomsten, die de man dan wel zijn onderneming met zijn opdrachtgevers heeft afgesloten; indien er een auto van de zaak is zoals ook een bewijs van de cataloguswaarde van de autoleverancier, leasemaatschappij et cetera;

II de man met ingang van 22 december 2017 tot aan de dag dat de echtelijke woning is geleverd aan een derde, ter zake kinderalimentatie aan de vrouw zal betalen € 500,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

III de man met ingang van de dag dat de woning is geleverd aan een derde, ter zake kinderalimentatie aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 550,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

IV de man met ingang van 22 december 2017 tot aan de dag waarop de woning wordt geleverd aan derden aan de vrouw als partneralimentatie een bijdrage zal uitkeren van € 902,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

V de man met ingang van de dag waarop de woning wordt geleverd aan derden aan de vrouw als partneralimentatie een bijdrage zal uitkeren van € 3.040,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

VI de man volledige overzichten overlegt aan het hof en aan de vrouw van de opgaven die hij vanaf de peildatum tot het moment van volledige aflossing van Interbank heeft ontvangen teneinde het bedrag aan verrekening tussen partijen te kunnen vaststellen;

VII de man met de vrouw dient te verrekenen de helft van de aflossingen, die de man na de peildatum heeft voldaan van de gemeenschappelijke rekening van partijen;

VIII de vrouw draagplichtig is voor 1/5 deel van de schuld aan Interbank en zij uit dien hoofde maandelijks haar deel zal aflossen aan Interbank en mocht de schuld aan Interbank door partijen gelijkelijk zijn voldaan op het moment van deze beschikking, dan te bepalen dat hetgeen de vrouw dientengevolge, indien de schuld aan Interbank al is voldaan, vast te stellen het bedrag dat de vrouw teveel heeft voldaan en dat de man met de vrouw moet verrekenen en tevens te bepalen dat de man de helft van de door de man gedane aflossingen van de Interbank schuld van de gemeenschappelijke rekening met de vrouw verrekent.

4.4

De man voert verweer in het incidenteel hoger beroep en verzoekt het hof de verzoeken van de vrouw in het incidenteel hoger beroep af te wijzen.

4.5

Bij voormeld journaalbericht van 14 september 2018 heeft de man een aanvullend standpunt ingenomen ten aanzien van de alimentatiebijdragen, waarbij hij stelt draagkracht te hebben om een kinderalimentatie van € 350,- per kind per maand te betalen. Hij handhaaft zijn verzoeken in het principaal hoger beroep.

4.6

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof heeft de mondelinge behandeling in hoger beroep diverse malen geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen in onderling overleg tot een regeling te komen over de alimentatiebijdragen en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, waaronder het negatieve vermogen aan de zijde van de man, ten gevolge van het feit dat partijen gedurende hun huwelijk jaarlijks een groter bedrag voor de kosten van de huishouding hebben besteed dan hun financiële situatie toeliet. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen, zodat het hof alsnog zal beslissen ten aanzien van de verzoeken van partijen.

Alimentatie

5.2

Partijen verschillen van mening over de hoogte van het inkomen dat in aanmerking moet worden genomen om de draagkracht van de man te berekenen. De man ontvangt een salaris als directeur-grootaandeelhouder (DGA) vanuit zijn BV, genaamd [naam bedrijf 1] . Uit de overgelegde jaarrekening blijkt dat de man aan zichzelf in 2016 een salaris DGA van € 150.000,- bruto per jaar en in 2017 van € 80.000,- bruto per jaar heeft uitgekeerd. In 2015 heeft de man een salaris uitgekeerd van € 50.000,- (exclusief de bijtelling auto) en van € 39.984,- vanuit [naam bedrijf 2] . Het gemiddelde over deze drie jaren leidt tot een gemiddeld inkomen van circa € 9.000,- bruto per maand (€ 108.000,-).

Uit de jaarrekeningen over deze drie jaren blijkt voorst dat sprake was van een resultaat na belastingen van € 54.262,- in 2015, € 54.624,- in 2016 en € 47.299,- in 2017. Dit leidt tot een gemiddeld resultaat van € 52.061,-.

Het hof acht zich voldoende geïnformeerd en zal daarom het verzoek van de vrouw dat de man stukken moet overleggen aan het hof waarmee hij inzicht kan geven in de bedrijfsvoering van de afgelopen jaren, afwijzen. Nu partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen over een regeling, acht het hof het redelijk de draagkracht van de man te baseren op een gemiddeld inkomen van € 9.000,- per maand en daarnaast het gemiddelde resultaat van € 52.061,- in aanmerking te nemen. Nu de rechtbank een ander uitgangspunt heeft gehanteerd slagen in dat opzicht de eerste drie grieven van de vrouw vooralsnog. De derde grief van de man faalt.

5.3

Het hof zal verder de afbetaling op ieders persoonlijke schulden in de draagkrachtberekeningen zowel bij de man als de vrouw buiten beschouwing laten. De man en de vrouw dienen ieder een regeling voor de schulden te treffen op basis van de middelen die zij na de berekening van de alimentatiebijdragen voor de kinderen en de vrouw nog ter beschikking hebben uit hun vrij te besteden ruimte. In dat licht passeert het hof de stelling van de man dat hij het resultaat niet aan zichzelf kan uitkeren omdat hij dan geen dividend meer kan aanwenden om af te betalen op de rekening rekening-courantschuld bij de BV van € 223.063,-.

5.4

Dat de man zich in 2018 tot nu toe een salaris van € 10.000,- bruto per maand heeft uitgekeerd, laat het hof dan buiten beschouwing. Dit hogere salaris zal zich vertalen in een lager resultaat dat in aanmerking kan worden genomen en het gaat om een berekening van de draagkracht van de man niet alleen voor 2018, maar om hetgeen de man gelet op de op hem rustende onderhoudsverplichting jegens de kinderen en de vrouw de komende jaren in redelijkheid voor de kinderen en de vrouw aan de vrouw kan verschaffen.

Kinderalimentatie

5.5

Kinderen die de leeftijd van een en twintig jaren nog niet hebben bereikt, hebben op grond van artikel 1:400 lid 1 BW voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden, indien de draagkracht van de onderhoudsplichtige onvoldoende is om dit levensonderhoud volledig aan allen te verschaffen. Nu de bijdrage van de man behoeve van de kinderen in geschil is, zal het hof allereerst beoordelen welke bijdrage de man dient te leveren in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen, alvorens in te gaan op het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie.

hoogte behoefte kinderen

5.6

De bij de bestreden beschikking vastgestelde behoefte van 626,- per kind per maand is niet in geschil en staat daarmee vast. De man dient de kinderalimentatie te voldoen vanaf 22 december 2017. Het hof zal daarom de tarieven in het jaar 2018 hanteren en de behoefte indexeren naar 2018. De kinderen hebben vanaf 2018 behoefte aan € 635,39 per maand.

5.7

De man en de vrouw dienen beiden naar rato van hun draagkracht in de behoefte van de kinderen bij te dragen. Hiervoor zal het hof het netto besteedbare inkomen (NBI) van ieder berekenen.

hoogte netto besteedbaar inkomen van de ouders

5.8

Zoals hiervoor reeds overwogen, neemt het hof voor het bepalen van de hoogte van het NBI van de man een DGA-salaris van € 9.000,- bruto per maand en een inkomen uit aanmerkelijk belang van € 52.061,- per jaar in box 2 in aanmerking. De inkomstenbelasting aanmerkelijk belang in box 2 bedraagt € 13.015,-. Dit leidt tot een inkomen voor de inkomensheffing van in totaal € 160.061,- per jaar. Rekening houdend met de algemene heffingskorting (0) en de arbeidskorting, bedraagt de verschuldigde inkomensheffing € 60.098,- en is de man een inkomensafhankelijke bijdrage ZVW verschuldigd van € 3.086,-. Zijn NBI € 96.877,- bedraagt dan per jaar, ofwel € 8.073,- per maand.

5.9

Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat zij met ingang van 1 december 2017 twee dagen per week werkzaam is tegen een salaris van € 1.059,- bruto per maand. De man heeft gesteld dat de vrouw haar werkzaamheden kan uitbreiden, nu zij slechts een gering aantal uren werkzaam is in haar eigen onderneming en dit slechts leidt tot een verwaarloosbaar gering resultaat. Hoewel van de vrouw verwacht wordt dat zij zich zoveel mogelijk inspant om in de kosten van haar kinderen en ook in haar eigen levensonderhoud te voorzien, acht het hof het redelijk, gelet op de huwelijksgerelateerde achterstand van de vrouw op de arbeidsmarkt en het feit dat zij inmiddels inkomen uit arbeid verwerft, om van haar huidige inkomen uit te gaan.

5.10

Het hof rekent dus met een inkomen van € 1.059,85 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld, haar netto inkomsten uit de onderneming van € 140,- per jaar, het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting heeft de vrouw geen inkomensheffing en bedraagt haar NBI € 19.580,- per jaar, ofwel € 1.632,- per maand.

draagkracht van de ouders

5.11

Vervolgens wordt de draagkracht van de ouders vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 920,-)], nu het netto besteedbare inkomens betreffen die hoger zijn dan € 1.600,- per maand. Deze benadering houdt in dat het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 920,- aan overige lasten, en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

5.12

De man heeft draagkracht om met € 3.311,- per maand, ofwel € 1.656,- per kind per maand in de kosten van de kinderen bij te dragen.

5.13

Tot de verkoop van de echtelijke woning per 1 juni 2018 heeft de man te maken met dubbele woonlasten. De rechtbank had in verband daarmee de woonlast van de man op € 2.099,- per maand gesteld in plaats van de forfaitaire woonlast van 0,3 NBI. Omdat het hof echter uitgaat van een aanmerkelijk hoger inkomen overstijgt het door de rechtbank gehanteerde bedrag de forfaitaire woonlast, die € 2.421,90, bedraagt, niet. Daarom wordt voor wat betreft de dubbele woonlast door het hof geen bijstelling van de formule uitgevoerd.

5.14

Voorts zal het hof in redelijkheid ook geen rekening houden met een betaling in verband met de aflossing op de schulden van € 1.250,- per maand die de rechtbank in aanmerking heeft genomen. Hoewel niet is betwist dat de man tot 1 juni 2018 de rente en aflossing op de schuld bij Interbank daadwerkelijk heeft voldaan, heeft het hof hiervoor reeds overwogen dat aan de zijde van de man de maximaal beschikbare financiële middelen in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de draagkracht van de man en dat de man en de vrouw dan beiden van hun beschikbare vrije ruimte de schulden moeten voldoen. De man heeft bovendien in een nevenverzoek dat hierna nog door het hof wordt beoordeeld, verzocht te bepalen dat de vrouw de helft van de rentebetaling bij de Interbank, ongeveer € 400,- per maand, aan hem dient te vergoeden.

5.15

De vrouw heeft draagkracht om met € 155,-, ofwel € 78,- per kind per maand in de kosten van de kinderen bij te dragen.

5.16

De draagkracht van de man en de vrouw tezamen bezien, beschikken zij over voldoende draagkracht om in de behoefte van de kinderen van € 635,39 per kind per maand te voorzien. Na een vergelijking dient de man bij te dragen in de kosten van de kinderen met een bedrag van € 607,- per kind per maand en de vrouw met een bedrag van € 28,- per kind per maand.

5.17

De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van mate waarin de man en de kinderen contact hebben met elkaar. Het hof houdt gelet op hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling daaromtrent hebben verklaard, voor wat betreft [dochter 1] rekening met een zorgkortingspercentage van 5% en voor [dochter 2] van 25%. Het bedrag van de zorgkorting, € 32,-, respectievelijk € 159,- per maand, wordt volledig in mindering gebracht op het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding, omdat de partijen samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van de kinderen te voorzien.

5.18

Naar rato van zijn draagkracht dient de man dan met € 575,- per maand bij te dragen in de kosten van [dochter 1] en met € 448,- per maand in de kosten van [dochter 2] .

De vrouw heeft in haar brief van 17 september 2018 onder het kopje ‘productie 11’ weliswaar gesteld dat de man over voldoende draagkracht beschikt om een bijdrage voor [dochter 1] van € 620,- en voor [dochter 2] van € 461,- per maand te kunnen voldoen, maar zij heeft haar verzoek in incidenteel appel dat de man ter zake kinderalimentatie met ingang van 22 december 2017 tot aan de dag dat de echtelijke woning is geleverd aan een derde ter zake kinderalimentatie € 500,- per kind per maand en met ingang van de dag dat de woning is geleverd aan een derde een bedrag van € 550,- per kind per maand zal betalen niet dienovereenkomstig gewijzigd. Het hof zal daarom bepalen dat de man voor [dochter 1] vanaf 22 december 2017 tot 1 juni 2018 een bedrag van € 500,- en vanaf 1 juni 2018 een bedrag van € 550,- per maand dient te voldoen. Voor [dochter 2] dient de man een bijdrage van € 448,- per maand te voldoen vanaf 22 december 2017.

5.19

Uit het vorenstaande volgt dat de grieven één en twee van de vrouw met betrekking tot de kinderalimentatie gedeeltelijk slagen. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en de hiervoor genoemde bedragen vaststellen. Deze bijdragen plus de zorgkorting (€ 582,- respectievelijk € 607,-) zal het hof in aanmerking nemen bij de hierna te maken berekening van de partneralimentatie.

Partneralimentatie

5.20

De man voert in zijn eerste grief aan dat de vrouw geen behoefte aan het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 2.308,- per maand. De vrouw heeft dit betwist en gesteld dat haar behoefte hoger is dan het door de rechtbank vastgestelde bedrag, maar dat zij dit bedrag wil aanvaarden.

5.21

Het hof stelt het volgende voorop. De hoogte van behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk, alsmede het uitgavenpatroon in dezelfde periode in aanmerking kan nemen. Uit de stukken en hetgeen partijen hebben verklaard, is gebleken dat partijen de laatste jaren stelselmatig meer hebben uitgegeven dan hun situatie feitelijk toeliet en dat in die periode diverse hoge schulden, waaronder een rekening-courantschuld van € 223.063,- en een schuld aan de vader van de man van € 145.500,-, zijn ontstaan. De vrouw is thans net als de man voor de helft draagplichtig voor deze schulden. In het licht van deze bijzondere omstandigheden en vanwege het feit dat het partijen niet is gelukt om een regeling te treffen over de wijze waarop moet worden afbetaald op de schulden, is het hof van oordeel dat de hoogte van de behoefte van de vrouw de hoogte van de partneralimentatie, voor zover de vrouw een bijdrage van € 3.040,- bruto per maand heeft verzocht, niet kan beperken. De eerste grief van de man faalt derhalve. Hij dient naar draagkracht op grond van al zijn financiële middelen bij te dragen in de kosten van de vrouw, zodat beiden partijen, zoals hiervoor reeds is overwogen, zoveel mogelijk kunnen afbetalen op de schulden.

Middels een jusvergelijking zal het hof wel beoordelen of de vrouw niet in een voordeligere positie dan de man komt te verkeren en indien nodig de bijdrage beperken tot een bedrag zodat beiden in een gelijke financiële situatie komen te verkeren.

behoeftigheid

5.22

De man stelt verder in zijn tweede grief dat de vrouw meer inkomsten kan verwerven. De vrouw heeft dat betwist. Volgens haar is een uitbreiding bij haar huidige werkgever niet mogelijk en haar contract loopt tot 1 december 2018. Of het contract daarna wordt omgezet naar een vast dienstverband is nog onzeker. Daarnaast heeft zij de zorg voor twee dochters die in de puberteit zijn en die mede ten gevolge van de echtscheiding haar volle aandacht vragen.

5.23

Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat zij sinds 1 december 2017 twee dagen per week werkzaam is tegen een salaris van € 1.059,- bruto per maand. Gedurende het huwelijk had de vrouw uitsluitend geringe inkomsten uit haar onderneming. Deze bedroegen voorheen circa € 120,- per maand. Ten opzichte van de situatie ten tijde van het huwelijk van partijen heeft de vrouw haar inkomenspositie derhalve inmiddels aanzienlijk verbeterd. Hiervoor is reeds door het hof overwogen dat van de vrouw wordt verwacht dat zij zich zoveel mogelijk inspant om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, maar ook voor wat betreft de behoeftigheid van de vrouw acht het hof het redelijk gelet op de huwelijksgerelateerde achterstand van de vrouw op de arbeidsmarkt, om voorlopig van haar huidige inkomen uit te gaan. De tweede grief van de man faalt daarom eveneens. Op langere termijn kan van de vrouw wel een uitbreiding van haar werkzaamheden dan wel hogere resultaten uit haar onderneming worden verlangd, mede gelet op haar draagplicht voor de schulden van partijen, maar daarvoor is het op dit moment nog te vroeg. In verband daarmee faalt naar het oordeel van het hof ook de vierde grief van de man, inhoudende dat hij van mening is dat de wettelijke periode waarin hij partneralimentatiebijdrage verschuldigd is, dient te worden beperkt, omdat hij van mening is dat de vrouw binnen twee jaar geacht kan worden in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Vooralsnog is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat het redelijk is dat de man naar draagkracht bijdraagt in de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw.

draagkracht van de man

5.24

De rechtbank heeft de hoogte van de partneralimentatie in twee periodes berekend in verband met de verkoop van de echtelijke woning. Nu inmiddels duidelijk is dat de periode waarin de man partneralimentatie dient te voldoen en dubbele woonlasten heeft, slechts loopt van 12 april 2018 (datum inschrijving echtscheiding) tot 1 juni 2018 (levering echtelijke woning), zal het hof om proceseconomische redenen en omdat de man gedurende die periode ook daadwerkelijk dubbele woonlasten heeft voldaan als ook betalingen op de schulden van partijen, waaronder de Interbank, de alimentatie voor de vrouw berekenen vanaf 1 juni 2018 en de bestreden beschikking, waarin het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie voor de periode tot 1 juni 2018 is afgewezen, bekrachtigen. Dit betekent dat de man vanaf 1 juni 2018 pas partneralimentatie voor de vrouw verschuldigd is.

5.25

Vanaf 1 juni 2018 gaat het hof, zoals hiervoor reeds overwogen, uit van een DGA-salaris van € 9.000,- bruto per maand en een inkomen uit aanmerkelijk belang van € 52.061,- per jaar.

5.26

Voor wat betreft de huidige woonlast van de man is het hof van oordeel dat de man onvoldoende zwaarwegende redenen heeft aangevoerd waarom het door de rechtbank gehanteerde uitgangspunt onjuist zou zijn dat de man bij het aangaan van een nieuwe woonlast rekening had moeten houden met zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen en de vrouw en dat het daarom redelijk is om met maximaal de helft van de rentelast van de woning van partijen gedurende het huwelijk rekening te houden, te weten een bedrag ter zake hypotheekrente van € 1.303,- bruto per maand. Zeker nu de man steeds heeft gesteld dat hij aanzienlijke maandlasten heeft in verband met het aflossen op de grote schulden van partijen en hij bekend was met zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen en de vrouw, is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat zijn deel van de woonlast met zijn nieuwe partner de helft van de last verbonden aan de echtelijke woning niet dient te overtreffen. Een dergelijke woonlast is bovendien ook in lijn met de huurlast die de vrouw als huurlast voor een woning voor haarzelf en de kinderen van € 1.210,- per maand opvoert. Tevens hanteert het hof de helft van het eigenwoningforfait, te weten € 955,-, per jaar. Rekening houdend met de algemene heffingskorting (0) en de arbeidskorting, bedraagt de verschuldigde inkomensheffing dan € 52.471,- en is de man een inkomensafhankelijke bijdrage ZVW verschuldigd van € 3.086,-. Dan bedraagt zijn NIB in het kader van de partneralimentatie € 104.121,- per jaar, ofwel € 8.677,- per maand.

5.27

Uitgaande van de bijstandsnorm voor een alleenstaande en de gemiddelde basishuur houdt het hof aan de zijde van de man voorts rekening met de volgende maandlasten:

- de door de man opgevoerde € 285,- ter zake hypotheekaflossing/premie levensverzekering, hoewel de rechtbank deze last niet heeft meegenomen in het kader van de woonlast van de man, maar de vrouw thans ook met een dergelijke kostenpost rekening houdt;

- € 182,- aan ziektekosten, bestaande uit de premie basisverzekering ZVW en de aanvullende verzekering, het eigen verplicht risico verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel.

5.28

Zoals hiervoor reeds overwogen houdt het hof geen rekening met de aflossing op schulden.

5.29

Rekening houdend met het door de Expertgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 60, is van de draagkrachtruimte van de man van € 6.089,- een bedrag van € 3.653 beschikbaar voor de alimentatiebijdragen. Verminderd met het hiervoor berekende aandeel van de man in de kosten van de kinderen van € 582,- respectievelijk € 607,- per maand inclusief de zorgkosten, is van de draagkracht van de man € 2.464,- per maand beschikbaar voor partneralimentatie. Rekening houdend met het fiscale voordeel waarop de man aanspraak kan maken, is hij in staat om de door de vrouw verzochte bijdrage van € 3.040,- bruto per maand voor de vrouw te voldoen.

financiële situatie van de vrouw

5.30

Omdat het niet de bedoeling is dat de vrouw bij toekenning van partneralimentatie in een betere financiële positie komt en meer vrij te besteden overhoudt dan de man, ziet het hof aanleiding een zogenaamde jusvergelijking te maken.

5.31

Zoals hiervoor reeds overwogen gaat het hof aan de zijde van de vrouw uit van een inkomen van € 1.059,- bruto per maand te vermeerderen met 8% vakantiegeld en netto inkomen uit haar onderneming van € 140,- per jaar. Rekening houdend met de bij de kinderalimentatie reeds vermelde heffingskortingen bedraagt het NBI van de vrouw exclusief het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop € 1.156,- per maand.

5.32

Voorts houdt het hof rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande en de gemiddelde basishuur nu de financiële situatie van de vrouw wordt berekend om deze te kunnen vergelijken met de situatie van de man. Verder houdt het hof rekening met de volgende maandlasten:

- de huur van € 1.210,- per maand;

- de ziektekosten van € 117,-, bestaande uit de premie basisverzekering ZVW en de aanvullende verzekering, het verplicht eigen risico verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel.

5.33

De vrouw heeft een schuld bij haar ouders opgevoerd en stelt dat zij gelet op haar krappe financiële situatie sinds het uiteengaan van partijen genoodzaakt was deze af te sluiten. Evenals aan de zijde van de man houdt het hof geen rekening met de afbetaling op schulden, omdat de vrouw haar schulden moet aflossen uit de aan haar zijde beschikbare vrij te besteden ruimte.

jusvergelijking

5.34

Eveneens rekening houdend met een draagkrachtpercentage van 60 blijkt dat de vrouw bij een partneralimentatie van € 3.040,- bruto per maand niet meer vrij te besteden overhoudt dan de man, zodat er geen reden is deze alimentatie te matigen. Bij de man leidt een dergelijke alimentatiebijdrage tot een vrije ruimte van € 40.902,- per jaar en de vrouw heeft indien zij een dergelijk bedrag van de man ontvangt een vrije ruimte van € 6.629,- per jaar.

5.35

Op grond van het voormelde zal het hof de bestreden beschikking met betrekking tot de partneralimentatie vernietigen en bepalen dat de man met ingang van 1 juni 2018 een bijdrage voor de vrouw van € 3.040,- per maand dient te voldoen.

De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

finaal verrekenbeding

5.36

Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen, hebben partijen geen uitvoering gegeven aan het periodiek verrekenbeding. Op grond van het finaal verrekenbeding (artikel 12 van de huwelijkse voorwaarden) dient verrekening plaats te vinden, zo dat ieder van partijen gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe hij/zij gerechtigd zou zijn geweest indien de wettelijke gemeenschap van goederen tussen hen zou hebben bestaan. Partijen hebben niet gegriefd tegen de overweging van de rechtbank dat partijen niet hebben bepaald in hun huwelijkse voorwaarden dat geen verrekening plaatsvindt indien bij een van beide partijen sprake is van negatief vermogen, zodat ook in dat geval moet worden afgerekend. Op grond van lid 4 van artikel 12 van de huwelijkse voorwaarden betekent dit dat de ene partij aan de andere een bedrag moet uitkeren, zo, dat ieder van hen over de helft beschikt van het totaal aan te verrekenen vermogen.

peildatum

5.37

Niet in geschil is dat als peildatum voor de waardering van het vermogen van partijen 28 juli 2016 moet worden gehanteerd.

grief 5 van de man

5.38

De man stelt in zijn vijfde grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat toepassing van het finaal verrekenbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en dat hij geen verweer heeft gevoerd tegen het uitgangspunt van de vrouw als verdeelsleutel 4/5 man en 1/5 vrouw te hanteren bij de verdeling van de vermogens van partijen. Volgens de man heeft de rechtbank ten onrechte een beroep van de vrouw op het criterium ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid’ gelezen en ten onrechte heeft de rechtbank de inkomensongelijkheid van partijen tijdens het huwelijk en de ongelijkheid tussen partijen om in de toekomst inkomen te genereren en dat partijen in de huwelijkse voorwaarden ook zijn overeengekomen dat zij naar rato van hun inkomen zouden bijdrage in de kosten van de huishouding, waardoor het onaanvaardbaar is dat de vrouw bij onverkorte toepassing van het finale verrekenbeding alsnog een groter aandeel zou moeten bijdrage aan de kosten van de huishouding, meegewogen bij de beoordeling of moet worden afgeweken van de hoofdregel. De vrouw was op de hoogte van de schulden die tijdens het huwelijk zijn gemaakt en de gelden zijn besteed aan de kosten van de huishouding. Dat hij wel verweer heeft gevoerd tegen het door de vrouw gewenste uitgangspunt blijkt onder meer uit zijn ‘reactie op de akte van de wederpartij’ van 2 juni 2017 in eerste aanleg. Het (negatieve) vermogen moet bij helfte worden verdeeld.

5.39

De vrouw voert verweer tegen de stellingen van de man in het kader van zijn vijfde grief. Zij heeft wel degelijk een beroep gedaan op matiging op basis van onder andere de redelijkheid en billijkheid en terecht is door de rechtbank overwogen dat onverkorte toepassing van het finaal verrekenbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaard is. In het oog moet worden gehouden dat partijen er tijdens het huwelijk uitdrukkelijk voor hebben gekozen zodanig af te rekenen dat degene met het hoogste inkomen/vermogen ook de meeste lasten draagt. De man heeft slechts verzocht haar verzoek tot matiging af te wijzen en ook thans voert hij geen inhoudelijk verweer.

5.40

Gebleken is dat aan de zijde van de man na vaststelling van de omvang van de verrekenvordering een aanzienlijk negatief privévermogen resteert. Uit de stellingen van de vrouw kan het hof niet afleiden dat zij een beroep doet op lid 7 en 8 b) van artikel 12 van de huwelijkse voorwaarden, inhoudende dat partijen ingeval van gewichtige redenen een redelijke betalingsregeling kunnen treffen en dat geen verrekening plaatsvindt indien bijzondere omstandigheden zich hiertegen verzetten. De vrouw doet een beroep op de eisen van redelijkheid en billijkheid op grond van het bepaalde in artikel 6:248 van het Burgerlijk Wetboek. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is het hof van oordeel dat onverkorte toepassing van het finaal verrekenbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Op grond van vaste jurisprudentie kan slechts in zeer bijzondere omstandigheden worden afgeweken van hetgeen partijen in hun huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen. In hetgeen de vrouw heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om te oordelen dat onverkorte handhaving van het tussen partijen overeengekomen finaal verrekenbeding onaanvaardbaar is en dat de omstandigheden van het geval nopen tot een aanpassing van de krachtens overeenkomst van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regels. Met name omdat gebleken is dat partijen gedurende hun huwelijk stelselmatig meer hebben besteed dan hun financiële situatie toeliet. De schulden van partijen zijn met name ontstaan door de uitgaven die partijen gezamenlijk ten behoeve van het voeren van de huishouding hebben gedaan. De vijfde grief van de man slaagt naar het oordeel van het hof op dit punt en het hof zal het (negatieve) vermogen van partijen alsnog bij helfte verdelen.

5.41

Voorts heeft de man in zijn vijfde grief aangevoerd dat de waarde van de BV in het kader van het berekenen van de hoogte van zijn vermogen geen € 180.199,- maar € 162.199,- bedraagt. Hij handhaaft op dit punt zijn stellingen in eerste aanleg. Volgens de man moet de waarde van de BV worden verminderd met het aandelenkapitaal en de dividendbelasting € 54.066). De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en gesteld dat de rechtbank de waarde van de BV correct heeft vastgesteld en dat de man zijn stelling op dit punt nader dient te onderbouwen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat beide partijen uitgaan van een waarde van het eigen vermogen van de BV op de peildatum van € 234.265,-. Dit bedrag is opgebouwd uit € 216.265,- ter zake overige reserves en een geplaatst aandelenkapitaal van € 18.000,-. Volgens de man moet voor de waarde van het eigen vermogen van de man op de peildatum worden uitgegaan van € 216.265,- en moet dit bedrag in verband met door partijen opgenomen gelden in rekening courant worden verminderd met de dividendbelasting van € 54.066,- over dit bedrag. Volgens de vrouw is de dividendbelasting correct berekend, maar moet het totale eigen vermogen van de BV in aanmerking worden genomen, dus inclusief geplaatst aandelenkapitaal en daarom moet van een bedrag van € 180.199,- worden uitgegaan. De rechtbank heeft de vrouw in haar berekening gevolgd omdat het gebruikelijk is om van het totale vermogen uit te gaan en in hetgeen de man heeft aangevoerd geen reden gezien om daarvan af te wijken. Het hof stelt vast dat de man in hoger beroep niet nader heeft toegelicht wat volgens hem de reden is om het geplaatste kapitaal niet voor verrekening in aanmerking te laten komen bij uitvoering van een finaal verrekenbeding en waarom het oordeel van de rechtbank volgens hem niet correct is. Daarom faalt de grief van de man in zoverre.

5.42

Ten gevolge van hetgeen hiervoor is overwogen, blijft het oordeel van de rechtbank dat het vermogen van de man bestaat uit de waarde van de BV, de rekening-courantschuld, de creditcardschulden en de schuld aan de vader van de man, en in totaal € 191.004,25 negatief bedraagt, in stand.

5.43

Het oordeel dat het vermogen van de vrouw bestaande uit de eenmanszaak € 1.300,- positief bedraagt, is niet betwist. Zoals de rechtbank reeds heeft berekend, bedraagt de verrekenvordering dan € 189.704,- negatief, en de helft daarvan is € 94.852,-. Gelet op de hoogte van ieders vermogen, dient de vrouw in het kader van de afwikkeling volgens het finaal verrekenbeding, waarbij aan ieder de helft wordt toegerekend, dan een bedrag van € 96.152,- aan de man te betalen. Het hof zal de beslissing in de bestreden beschikking dat de vrouw ter zake van het finaal verrekenbeding een bedrag van € 39.240,85 aan de man dient te voldoen daarom vernietigen en bepalen dat zij een bedrag van € 96.152,- aan de man dient te voldoen.

grief 4 van de vrouw

5.44

De vrouw heeft in haar vierde grief een vermeerdering van eis gedaan en zij verzoekt het hof te bepalen dat de schuld bij Interbank niet bij helfte moet worden gedragen, maar dat hierop ook de verdeelsleutel 4/5 en 1/5 moet worden toegepast. Op basis van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogene in het kader van de te hanteren verdeelsleutel ten aanzien van de vermogens van partijen, is het hof van oordeel dat deze grief van de vrouw faalt. Dit verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.

grief 6 van de man

5.45

De man heeft in zijn zesde grief aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet in het dictum heeft opgenomen dat partijen de helft van de gezamenlijke schulden moet dragen.

De vrouw was ondanks de overweging van de rechtbank ten aanzien van de schuld bij Interbank niet bereid om de helft van de maandelijkse rente- en aflossingsverplichting voor haar rekening te nemen. De vrouw heeft niet betwist dat de man de schulden inmiddels volledig heeft voldaan. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man zijn verzoek verminderd, in die zin dat hij thans verzoekt te bepalen dat de vrouw de helft van de rente van circa € 400,- per maand ter zake de schuld aan Interbank over de termijnen vanaf augustus 2016 aan hem dient te voldoen. Het gaat dan om eenentwintig termijnen.

Het hof is van oordeel dat de vrouw het aangepaste verzoek van de man, na zijn nadere toelichting tijdens de mondelinge behandeling, onvoldoende inhoudelijk heeft weersproken, en daarom zal het gewijzigde verzoek van de man door het hof worden toegewezen. Het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man volledige overzichten overlegt teneinde het bedrag aan verrekening tussen partijen te kunnen vaststellen, zal het hof daarbij afwijzen.

grief 7 van de man

5.46

Tot slot heeft de man als zevende grief als aanvullend verzoek het hof verzocht te bepalen dat de debetsaldi van de Rabo Basisrekening [rekeningnummer 1] en Rabo Directrekening [rekeningnummer 2], van respectievelijk € 1.654,74 en € 598,17, bij helfte moeten worden gedragen. Hij is het eens met de bepaling van de rechtbank dat de roodstand van de en/of-bankrekeningen door partijen bij helfte moet worden gedragen. De vrouw dient daarom een bedrag van € 1.126,- aan hem voldoen. De vrouw heeft hiertegen geen verweer gevoerd, dan wel niet betwist dat de man deze bankrekeningen heeft aangezuiverd. Het hof acht dit verzoek van de man daarom voor toewijzing vatbaar en zal als volgt beslissen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 december 2017, zoals hersteld bij beschikking van 19 maart 2018, ten aanzien van de kinderalimentatie en partneralimentatie, de afwikkeling van het finaal verrekenbeding, de gezamenlijk schuld van partijen bij Interbank en de debetsaldi op de en/of bankrekeningen van partijen met rekeningnummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2], en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen, voor [dochter 1] met ingang van 22 december 2017 tot 1 juni 2018 een bedrag van € 500,- en vanaf 1 juni 2018 een bedrag van € 550,- per maand en voor [dochter 2] met ingang van 22 december 2017 een bedrag van € 448,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 juni 2018 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 3.040,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de vrouw ter zake van het finaal verrekenbeding aan de man € 96.152,- dient te voldoen;

bepaalt dat de vrouw de helft van de gezamenlijke schulden van partijen dient te dragen en dat de vrouw uit hoofde daarvan aan de man verschuldigd is:

  • -

    de helft van de rente ter zake de schuld aan Interbank over de termijnen die de man vanaf augustus 2016 tot 1 juni 2018 heeft voldaan;

  • -

    de helft van de debetsaldi op Rabo Basisrekening [rekeningnummer 1] en Rabo Directrekening [rekeningnummer 2], van respectievelijk € 1.654,74 en € 598,17, te weten een bedrag van € 1.126,-;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, M.H.H.A. Moes en T. ter Brugge, bijgestaan door de griffier, en is op 8 november 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.