Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9734

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-10-2018
Datum publicatie
07-11-2018
Zaaknummer
200.237.174/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Provisionele bewindvoering. In beschikking niet de motivering opgenomen. Wordt achteraf door de kantonrechter bij brief hersteld. Hof merkt ambtshalve op dat een gebrekkige en ontoereikende motivering niet door een brief namens de kantonrechter kan worden hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.237.174/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 6061253 MT VERZ 17-6113)

beschikking van 30 oktober 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoekster],

advocaat: mr. I. Roos te Amsterdam,

en

het Openbaar Ministerie,

de Advocaat-Generaal in het ressort Arnhem-Leeuwarden,

verweerder,

verder te noemen: het Openbaar Ministerie.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de vader] en [de moeder],

wonende te [B] ,

verder te noemen: de ouders van [verzoekster] ,

[de zus] ,

wonende te [C] ,

verder te noemen: de zus van [verzoekster] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 9 januari 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 9 april 2018;

- een journaalbericht van mr. Roos van 11 april 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Roos van 12 april 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Roos van 18 mei 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Roos van 27 augustus 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Roos van 24 september 2018 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 26 september 2018 plaatsgevonden. [verzoekster] is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat.

3 De feiten

3.1

[verzoekster] is geboren [in] 1973.

3.2

Op 17 mei 2017 heeft het Openbaar Ministerie, daartoe uitgenodigd door GGz [D] te [A] , bij de kantonrechter een verzoek ingediend om [verzoekster] onder curatele te stellen als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand en als curator voorgesteld [E] B.V.

3.3

Bij beschikking van 9 januari 2018 heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, alvorens verder te beslissen, (ambtshalve) [E] B.V. benoemd tot provisionele bewindvoerder over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [verzoekster] waarbij aan de provisioneel bewindvoerder alle bevoegdheden zijn toegekend die een curator volgens de wet heeft.

3.4

Bij brief van 7 februari 2018 aan [verzoekster] is namens de kantonrechter als volgt bericht: "Op 9 januari 2018 is de beschikking afgegeven. Per abuis is in deze beschikking niet de extra motivering opgenomen waaruit duidelijk is geworden waarom de kantonrechter deze beslissing heeft genomen. Deze weliswaar in de beschikking ontbrekende motivering stuur ik u per brief toe. Hieruit blijkt waarom de beslissing is genomen en wanneer de beoordeling over de definitieve maatregel zal worden heropend:

'Ter zitting is de kantonrechter gebleken dat betrokkene een sterke preoccupatie heeft met de gezondheid/het gebit van haar zoon en ondanks duidelijke aanwezige intellectuele vermogens niet in staat is een coherent gesprek te voeren.

Op grond van de stukken en de indruk ter zitting is de kantonrechter van oordeel dat een beschermingsmaatregel voor betrokkene aangewezen is. Welke maatregel voldoende bescherming biedt is echter nog onvoldoende duidelijk geworden. Betrokkene heeft op verzoek van de kantonrechter nog gelegenheid gehad na afloop van de zitting aan te geven of zij bereid is mee te werken aan een deskundigen onderzoek naar de noodzaak van een beschermingsmaatregel en bij een positief antwoord op de noodzaak-vraag, welke maatregel dan aangewezen is. Zij heeft te kennen gegeven daartoe niet bereid te zijn.

Nu de kantonrechter, zoals hiervoor overwogen, van oordeel is dat een beschermingsmaatregel op zijn plaats is, zal zij ambtshalve een provisioneel bewindvoerder benoemen. Deze voorlopige maatregel wordt mede ingesteld om niet het onderzoek van Bureau Jeugdzorg/Raad voor de Kinderbescherming overbodig te maken. De uitkomsten van dit onderzoek zullen moeten worden afgewacht, voordat het onderzoek naar de juiste beschermingsmaatregel wordt voortgezet'.

3.5

Bij beschikking van 20 februari 2018 heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, het verzoek tot ondercuratelestelling afgewezen en verstaan dat het provisioneel bewind is geëindigd.

4 De omvang van het geschil

4.1

Het hoger beroep van [verzoekster] richt zich tot de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 9 januari 2018 waarbij de kantonrechter een provisionele bewindvoerder heeft benoemd met ingang van die datum.

4.2

[verzoekster] is met één grief van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Zij verzoekt de beschikking van 9 januari 2018 te vernietigen en het verzoek van het Openbaar Ministerie betreffende de ondercuratelestelling en de ambtshalve ingestelde provisionele bewindvoering alsnog af te wijzen, met veroordeling van het Openbaar Ministerie in de kosten van beide instanties.

4.3

Ter zitting heeft de advocaat van [verzoekster] desgevraagd bevestigd dat in hoger beroep uitsluitend de vraag aan de orde is of de kantonrechter, gezien de hem ter beschikking staande informatie, op juiste gronden een provisioneel bewind heeft ingesteld over de goederen van [verzoekster] .

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:380 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter voor wie het verzoek tot ondercuratelestelling aanhangig is of laatstelijk aanhangig was, op verzoek of ambtshalve, een provisionele bewindvoerder benoemen. Het provisioneel bewind is een tijdelijke voorziening en bedoeld voor situaties waarin onmiddellijke bescherming van de belangen van de meerderjarige noodzakelijk is omdat nog geen beslissing of onherroepelijke beslissing is of kan worden gegeven op het verzoek tot ondercuratelestelling..

5.2

Het hof stelt voorop dat de beslissing van de kantonrechter ten aanzien van het provisioneel bewind weliswaar een voorlopig maar ook een onherroepelijk karakter heeft. Deze beslissing kan, eenmaal geëffectueerd, in haar gevolgen niet meer ongedaan worden gemaakt. In zoverre is wat betreft het instellen van een provisioneel bewind sprake van een eindbeschikking en staat ingevolge het bepaalde in artikel 358 Rv daartegen hoger beroep open. Niet ter discussie staat dan ook dat [verzoekster] kan worden ontvangen in haar hoger beroep tegen de beschikking van 9 januari 2018.

5.3

Wat betreft de (beperkte) motivering van de beschikking van 9 januari 2018, merkt het hof (ambtshalve) op dat de gebrekkige en ontoereikende motivering niet kan worden hersteld door middel van een brief namens de kantonrechter van 7 februari 2018 waarin een aanvullende nadere motivering is opgenomen. De gang van zaken leidt echter niet tot het oordeel dat de beschikking van 9 januari 2018 vernietigd moet worden, aangezien hoger beroep mede gegeven is voor herstel van fouten van de rechtbank.

5.4

Met betrekking tot de termijn die is verstreken tussen het indienen van het inleidend verzoek op 17 mei 2017 en de mondelinge behandeling van dit verzoek ter zitting van de kantonrechter op 20 november 2017, overweegt het hof dat aan [verzoekster] kan worden toegegeven dat deze, gelet ook op de aard van een dergelijke verzoek, langer is geweest dan wenselijk wordt geacht, zij het dat een in september 2018 geplande mondelinge behandeling op verzoek van [verzoekster] is aangehouden. Dit brengt echter niet mee dat een provisioneel bewind niet (langer) mogelijk is. Een provisioneel bewind kan worden uitgesproken op ieder moment in de procedure waarop duidelijk is dat de belangen van de betrokkene onmiddellijke bescherming behoeven als bedoeld in 1:380 BW.

5.5

Resteert de vraag of er voldoende reden was voor de kantonrechter om ambtshalve een provisioneel bewind in te stellen en een provisionele bewindvoerder te benoemen. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Gelet op de stukken waarover de kantonrechter beschikte, waaronder de informatie van GGz Centraal en de GGD Flevoland behorende bij het inleidend verzoek, en in het bijzonder de eigen waarneming van de kantonrechter ter zitting van 20 november 2017 zoals verwoord in de brief van 7 februari 2018, komt het hof tot het oordeel dat er voldoende grond heeft bestaan om een voorlopige beschermingsmaatregel in de vorm van een provisioneel bewind te rechtvaardigen. Het hof wijst er in dit verband uitdrukkelijk op dat volgens vaste rechtspraak de eigen waarneming van een rechter ter zitting kan en mag bijdragen aan de beslissing.

5.6

Ten overvloede merkt het hof nog op dat het feit dat de kantonrechter uiteindelijk bij beschikking van 20 februari 2018 niet is overgegaan tot het onder curatele stellen van [verzoekster] en het verzoek van het Openbaar Ministerie heeft afgewezen, niet meebrengt dat de beslissing van 9 januari 2018 zonder grond gegeven is. Op dat moment was de beschermingsmaatregel gerechtvaardigd. Dat het provisionele bewind (naar het hof begrijpt, door de houding van [verzoekster] ) niet werkbaar is gebleken, doet hier niets aan af.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

6.2

Het hof ziet geen aanleiding om het Openbaar Ministerie te veroordelen in enige kosten van het geding.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 9 januari 2018.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. M.P. den Hollander en mr. I.M. Dölle, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 30 oktober 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.