Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9725

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
WAHV 200.212.021
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rood licht. Omschakelmoment verkeersregelinstallatie van buiten dienst (geel knipperend) naar werkend (eerste roodmoment). Gelet op de informatie in het dossier is het mogelijk dat de gedraging is verricht gedurende de eerste roodlichtsituatie na het opstarten van de verkeersregelinstallatie. Het hof ziet geen aanleiding om in deze fase van de procedure nog nadere informatie

op te vragen en vernietigt de sanctiebeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.212.021

6 november 2018

CJIB 199829406

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag

van 10 februari 2017

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”, welke gedraging zou zijn verricht op 15 juli 2016 om 07.00 uur op de Burg. v. Reenensingel - Plaswijckweg - Groen van Prinsterersingel te Gouda met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

2. De betrokkene is van mening dat de sanctie niet opgelegd had mogen worden. De betrokkene voert daartoe aan dat de verkeerslichten die ochtend precies in werking traden op het moment dat zij ze naderde. Zij kon op dat moment niet meer stoppen voor het rood uitstralende verkeerslicht. De officier van justitie heeft op de zitting gesteld dat bij het omschakelmoment niet geflitst wordt en dat dus geen sprake is geweest van rood licht direct na het omschakelmoment maar van de daaropvolgende roodlichtsituatie. De betrokkene heeft navraag gedaan bij de firma die de betreffende verkeersregelinstallatie (hierna: VRI) heeft vernieuwd en bij de fabrikant van de regelautomaat. Uit informatie van deze firma's blijkt dat de geelknippertijd bij inschakelen staat ingesteld op 15 seconden. De vaste geeltijd bij inschakelen staat op 3 seconden. Uit de technische informatie blijkt dat het vanaf het begin van de opstartprocedure 50 respectievelijk 53 seconden duurt voordat de richting volgend op de groenfase opnieuw rood is geworden. Gelet hierop is het moment van de tweede roodlichtsituatie op zijn vroegst 07.00.53 uur. Op de betreffende kruising worden naast roodlichtsituaties ook snelheidsovertredingen vastgelegd. Er is dus ook geflitst bij de eerste roodlichtsituatie na het omschakelmoment (na 15 seconden geelknippertijd en 3 seconden geeltijd).

3. De betreffende gedraging is een overtreding van artikel 62 in verbinding met artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).

4. Artikel 68, eerste lid, van het RVV 1990 houdt in:

"Bij driekleurige verkeerslichten betekent:

a. groen licht: doorgaan;

b. geel licht: stop: voor bestuurders die het teken zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;

c. rood licht: stop."

5. In zaken betreffende de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

6. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“De overtreding is met roodlichtapparatuur geautomatiseerd op twee digitale foto's vastgelegd.

Foto 1: het betreffende voertuig activeert de radardetectie of de lus achter de stropstreep van het rode verkeerslicht. Op het moment van constatering brandde het licht reeds 1,4 seconden.

Foto 2: circa een seconde later. Op foto 2 is duidelijk te zien dat het voertuig verder is gereden. De tijdsduur van de geellichtfase is op de foto vermeld. (…)
De overtreding werd geautomatiseerd vastgelegd door middel van goedgekeurde radarapparatuur welke is gemonteerd in een flitspaal.”

7. In het dossier bevinden zich afdrukken van de foto's waarmee de gedraging is vastgelegd. Op de eerste foto passeert het voertuig van de betrokkene juist de stopstreep, terwijl het bovenste licht van het verkeerslicht (rood) licht straalt. Op de tweede foto is het voertuig het verkeerslicht inmiddels gepasseerd. De eerste foto is genomen om 07.00.25 uur. Uit de databalk van de foto's volgt dat het verkeerslicht 1,4 seconden rood licht straalde op het moment dat het voertuig van de betrokkene de lusdetectoren in het wegdek - gelegen kort na de stopstreep - activeerde. De geeltijd bedroeg 3,0 seconden.

8. Gelet op de verklaring van de verbalisant en de foto's van de gedraging, staat vast dat het voertuig van de betrokkene de stopstreep is gepasseerd, terwijl het verkeerslicht reeds 1,4 seconde rood licht had uitgestraald. Naar het oordeel van het hof is derhalve komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

9. Gelet op hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd, dient het hof te beoordelen of sprake is van omstandigheden die het opleggen van een sanctie niet billijken dan wel matiging van de sanctie rechtvaardigen (vgl. artikel 9, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften).

10. De betrokkene heeft gedurende de gehele procedure aangevoerd dat toen zij aan kwam rijden de verkeerslichten buiten dienst waren en geel knipperden, waarna deze op het moment dat de betrokkene vlakbij de kruising was, onverwacht vast op geel kwamen te staan en vervolgens op rood sprongen, zodat zij dit eerste roodmoment niet meer kon vermijden.
De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter aangegeven dat de betrokkene niet beboet zou zijn als zij niet zou zijn gestopt voor het eerste rode licht na het omschakelmoment.
Het hof stelt vast dat de gedraging is verricht om 07.00.25 uur, derhalve kort na het omschakelmoment waarbij de betreffende VRI werd ingeschakeld.
Er bevindt zich in het dossier geen aanvullend proces-verbaal aangaande de exacte duur van de opstartfase van de betreffende VRI. De betrokkene heeft in hoger beroep informatie overgelegd die erop kan duiden dat de opstartfase van deze VRI 50 tot 53 seconden kan duren, zodat het mogelijk is dat de gedraging is verricht gedurende de eerste roodlichtsituatie na het opstarten. De advocaat-generaal heeft in deze informatie geen aanleiding gezien een verweerschrift uit te brengen en/of nadere informatie over te leggen. Het hof ziet geen aanleiding om in deze fase van de procedure via de advocaat-generaal nog om nadere informatie te verzoeken.

11. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht in dit specifieke geval het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken.

12. Gelet op het voorgaande wordt beslist als hierna vermeld.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 199829406 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan haar wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.