Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9712

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
09-11-2018
Zaaknummer
200.220.188
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Conservatoir beslag op onroerende zaak opgeheven, vernietiging van opheffingsvonnis in hoger beroep. Overdracht van de onroerende zaak na opheffing conservatoir beslag maar voor vernietiging van het vonnis: eerbiediging van gewijzigde rechtstoestand met betrekking tot de onroerende zaak waardoor beslag niet herleeft. Appellant heeft belang bij hoger beroep vanwege proceskostenveroordeling in eerste aanleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.220.188

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 440233)

arrest in kort geding van 6 november 2018

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie/eiseres in reconventie,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. G.J. Boven,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser in conventie/verweerder in reconventie,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. K.J.T. Boersma.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

In het tussenarrest van 19 september 2017 heeft het hof een comparitie van partijen gelast (vóór verdere stukkenwisseling in hoger beroep), die op verzoek van partijen geen doorgang heeft gevonden.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord tevens houdende akte wijziging van eis,

- de memorie van antwoord in incidenteel appel.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.3 van het (bestreden) vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 juli 2017. Daarnaast gaat het hof uit van de navolgende feiten:

2.2

Op 20 juli 2017 heeft [geïntimeerde] de onroerende zaak aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: ‘de onroerende zaak’) geleverd aan een derde.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

In deze kort geding zaak is tussen partijen in geschil of het conservatoir beslag dat op donderdag 4 mei 2017 door [appellante] op de onroerende zaak van [geïntimeerde] is gelegd, op formeel wettelijk houdbare gronden is gelegd. Het beslag is op vrijdag 5 mei 2017 ingeschreven in het kadaster. Een afschrift van het beslagexploot is op dinsdag 9 mei 2017 aan [geïntimeerde] betekend. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in kort geding opheffing van het beslag gevorderd. Hij heeft daartoe onder meer gesteld dat aan het beslag formele gebreken kleven, omdat (onder meer) de betekening van het beslagexploot op 9 mei 2017 te laat is geweest. [appellante] heeft in eerste aanleg in kort geding in reconventie gevorderd dat [geïntimeerde] bedragen zou betalen en in depot bij een notaris zou storten ter zake van haar vordering op [geïntimeerde] . Bij vonnis van 17 juli 2017 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het beslagexploot te laat aan [geïntimeerde] is betekend en is het beslag opgeheven wegens nietigheid ex artikel 505 lid 1 Rv. In reconventie is [appellante] niet-ontvankelijk verklaard, omdat een vordering in reconventie alleen kan worden gedaan door een partij die bij advocaat is verschenen hetgeen niet het geval was.

3.2

[appellante] is met twee grieven opgekomen tegen het vonnis in kort geding en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. [geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep gevorderd dat het [appellante] wordt verboden om opnieuw conservatoir beslag te doen leggen voor de door haar jegens [geïntimeerde] in de bodemprocedure bij de rechtbank Gelderland ingestelde of, na wijziging van eis, nog in te stellen vorderingen op straffe van verbeurte van een dwangsom.

In principaal hoger beroep

3.3

Kort weergegeven vordert [appellante] een verklaring voor recht dat het beslag ten onrechte is opgeheven, dan wel veroordeling van [geïntimeerde] tot het alsnog afgeven van een bankgarantie of tot storting van bedragen in depot tot in de bodemprocedure is beslist op de vorderingen van [appellante] . Daargelaten het antwoord op de vraag of [appellante] nog een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, oordeelt het hof als volgt.

3.4

De betekening van het beslagexploot is tijdig geschied, gelet op het bepaalde in artikel 2 van de Algemene Termijnenwet en artikel 505 lid 1 Rv. De inschrijving van het beslagexploot in het kadaster vond plaats op vrijdag 5 mei 2017 (een algemeen erkende feestdag) en werd gevolgd door een zaterdag en een zondag. De betekening van het beslagexploot aan [geïntimeerde] op dinsdag 9 mei 2017 is dus met inachtneming van de twee vrije dagen (artikel 505 lid 1 Rv) geschied. Grief 1 slaagt, maar dit leidt niet tot vernietiging van het vonnis gelet op hetgeen het hof hierna overweegt.

3.5

Het vonnis waarin de voorzieningenrechter het conservatoir beslag van [appellante] heeft opgeheven, is uitvoerbaar bij voorraad verklaard waardoor [geïntimeerde] (per datum uitspraak van de voorzieningenrechter) bevoegd was om de onroerende zaak zonder beslagen te vervreemden. [geïntimeerde] heeft van die bevoegdheid gebruik gemaakt door de onroerende zaak op 20 juli 2017 te leveren aan een derde. Door die levering is een wijziging opgetreden in de rechtstoestand met betrekking tot de onroerende zaak. Dergelijke wijzigingen die zich hebben voorgedaan in de periode tussen de opheffing van het beslag en de (eventuele) vernietiging van het vonnis, dienen op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad te worden geëerbiedigd (zie onder meer HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9351 (Hubers/Forward). Dit betekent dat, hoewel het beslag door de voorzieningenrechter ten onrechte is opgeheven vanwege formele gebreken, het beslag door de vernietiging van het vonnis van 17 juli 2017 niet zal en kan herleven, omdat de onroerende zaak inmiddels uit het vermogen van [geïntimeerde] is geraakt door de levering aan een derde.

3.6

[appellante] heeft nog gesteld dat zij op 20 juli 2017 opnieuw toestemming heeft gekregen van de voorzieningenrechter om beslag te leggen op de onroerende zaak. Een mogelijk voor de tweede maal gelegd beslag kan evenwel niet tot vernietiging van het vonnis van 17 juli 2017 leiden omdat dat vonnis een andere beslaglegging betrof. Daarenboven geldt dat [appellante] geen stukken heeft overgelegd waaruit een en ander blijkt.

3.7

Anders dan [geïntimeerde] stelt, heeft [appellante] ondanks het voorgaande belang bij het door haar ingestelde hoger beroep met betrekking tot de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Naar vaste rechtspraak levert voor een partij die in eerste aanleg in de proceskosten is veroordeeld, deze veroordeling een voldoende belang op bij het instellen van hoger beroep tegen die uitspraak (HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9705). Dat geldt tevens indien de appelrechter in kort geding oordeelt dat spoedeisend belang ontbreekt bij de in hoger beroep te beoordelen vordering of dat een ordemaatregel anderszins niet meer aan de orde is. De appelrechter dient ook in een dergelijk geval te beslissen over de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling. Daartoe moet hij onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag, terecht is toe- of afgewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep. (Zie HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1782).

3.8

Volgens [appellante] heeft zij met [geïntimeerde] afspraken gemaakt over het verbouwen van de woning die zij van de moeder van [geïntimeerde] huurde en was [geïntimeerde] aangesteld tot wettelijk vertegenwoordiger. [appellante] stelt dat zij de woning heeft verbouwd voor een bedrag van in totaal ruim € 138.000,00. [appellante] heeft de woning moeten ontruimen. [appellante] stelt dat zij op grond van onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] schade heeft geleden omdat achteraf bleek dat hij geen toestemming had mogen verlenen voor de verbouwing. Het hof oordeelt hierover als volgt. In artikel 14 van de huurovereenkomst is tussen [mevrouw A] (de moeder van [geïntimeerde] ) en [appellante] en haar echtgenoot bepaald dat verbouwingen alleen mogen plaatsvinden na schriftelijke goedkeuring van de verhuurder. Een dergelijke schriftelijke toestemming is gesteld noch gebleken. De mondelinge overeenkomst met [geïntimeerde] , dan wel toestemming waarop [appellante] zich beroept, wordt door [geïntimeerde] betwist. Hiertegenover heeft [appellante] haar stelling niet nader uitgewerkt of toegelicht. Van de gestelde mondelinge toestemming blijkt niet uit de door haar in eerste aanleg overgelegde stukken. [appellante] heeft in haar verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag van 2 mei 2017 gesteld dat [geïntimeerde] ‘min of meer’ toestemming heeft verleend tot het verbouwen van de woning; hieruit volgt naar het oordeel van het hof evenmin dat sprake is geweest van een duidelijke afspraak of toestemming, zoals [appellante] stelt. Het hof heeft daarnaast ambtshalve navraag gedaan bij de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, naar de bodemprocedure die tussen partijen aanhangig is met betrekking tot de vordering van [appellante] . Gebleken is dat de bodemprocedure nog niet is afgerond, waaruit kan worden afgeleid dat de vordering in kort geding van [appellante] ook in die zin niet zonder meer voor toewijzing gereed ligt; bovendien is daardoor niet gebleken van een uitspraak waarnaar het hof zich moet en kan richten (de zogenoemde afstemmingsregel). Het hof is, wat er ook zij van de overige door [geïntimeerde] in eerste aanleg genoemde formele gebreken, van oordeel dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van [appellante] . Het beslag is daarom in eerste aanleg terecht opgeheven waardoor ook de proceskostenveroordeling in het bestreden vonnis in stand blijft.

3.9

De tweede grief van [appellante] , waarin zij klaagt dat door de voorzieningenrechter niet is bepaald dat zekerheid diende te worden gesteld door [geïntimeerde] tegenover de opheffing van het beslag, slaagt niet. [appellante] heeft geen grief aangevoerd tegen de niet-ontvankelijk verklaring in reconventie door de voorzieningenrechter (waarbij het hof zich overigens aansluit) en in hoger beroep kan zij ingevolge art. 353 lid 1 Rv niet voor het eerst een eis in reconventie instellen, waardoor het hof niet toekomt aan beoordeling van deze vordering.

In incidenteel hoger beroep

3.10

De door [geïntimeerde] ingestelde vordering in incidenteel hoger beroep kan niet worden toegewezen. Daargelaten of [geïntimeerde] een spoedeisend belang heeft (daartoe heeft [geïntimeerde] niets gesteld), geldt dat, om deze vordering toe te wijzen, in verregaande mate zou moeten worden vooruitgelopen op de uitkomst in de nog aanhangige bodemprocedure. Dat vraagt om nadere informatie en bewijslevering door partijen waarvoor deze kort gedingprocedure geen ruimte biedt. Bovendien heeft een partij op grond van de wet in beginsel de bevoegdheid om verhaalsmogelijkheden voor (al dan niet vermeende) vorderingen veilig te stellen door middel van conservatoir beslag. Dat [geïntimeerde] gevrijwaard wil blijven van mogelijk hernieuwde beslagleggingen (met als gevolg mogelijk schade die niet verhaalbaar zal zijn op [appellante] ) levert onvoldoende grondslag op om [appellante] deze bevoegdheid thans te ontzeggen.

4 De slotsom

In principaal hoger beroep

4.1

De grieven van [appellante] leiden niet tot vernietiging van het vonnis, zodat dit vonnis zal worden bekrachtigd.

4.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het principaal hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in principaal hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 313,00 aan verschotten (griffierecht geïntimeerde) en op € 1.074,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief
(1 procespunt x appeltarief II a € 1.074 per punt).

In incidenteel hoger beroep

4.3

De vordering in incidenteel hoger beroep zal worden afgewezen.

4.4

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellante] worden begroot op € 537,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (1/2 procespunt x appeltarief II a € 1.074,00).

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

In principaal hoger beroep

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 juli 2017;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 313,00 aan verschotten en op € 1.074,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

In incidenteel hoger beroep

wijst de vordering af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] vastgesteld op € 537,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

In principaal en incidenteel hoger beroep

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordelingen betreft) uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, C.J.H.G. Bronzwaer en B.J. Engberts en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 november 2018.