Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9672

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
08-11-2018
Zaaknummer
200.229.098/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procescomplicatie na veroordeling VOF en vennoten, terwijl alleen vennoten in hoger beroep komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/1201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.229.098/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 5351507)

arrest van 6 november 2018

in de zaak van

1 [appellant1] ,

wonende te [A] ,

2. [appellant2] ,

wonende te [B] ,

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. A.S. Bodha, advocaat te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [C] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J. Tuitjer, advocaat te Amsterdam, die zich heeft onttrokken.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

7 december 2016 en 2 augustus 2017 van de kantonrechter te Almere in de rechtbank Midden-Nederland. Deze zijn gewezen tussen [geïntimeerde] enerzijds en vennootschap onder firma Taxi Centrale IJburg alsmede haar vennoten [appellanten] c.s. anderzijds.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 1 november 2017;

- de memorie van grieven, met producties, van 20 februari 2018;

- het H2-formulier waarmee mr. Tuitjer zich ter rolle van 1 mei 2018 heeft onttrokken.

2.2

Vervolgens heeft zich geen nieuwe advocaat voor [geïntimeerde] gesteld, hebben [appellanten] c.s. arrest gevraagd en hebben zij hun procesdossier gefourneerd. Daarin bevindt zich, als productie 2 bij memorie van grieven, een onvolledig vennootschapscontract: tussen artikel 14 en artikel 17 ontbreekt een deel.

Het hof heeft arrest bepaald.

2.3

[appellanten] c.s. hebben, kort weergegeven, gevorderd de vonnissen van de kantonrechter van 7 december 2016 en 2 augustus 2017 te vernietigen, de vordering van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen en de tegenvordering tot betaling van € 9.807,- met rente en kosten alsnog toe te wijzen, onder veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

3 De feiten

3.1

[appellanten] c.s. hebben in november 2009 de vennootschap onder firma Taxi Centrale IJburg (hierna: de VOF) opgericht. Volgens het als productie I bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde uittreksel uit het handelsregister van 14 februari 2013 is (thans geheten) [appellant2] onbeperkt bevoegd de VOF te vertegenwoordigen en [appellant1] bevoegd tot € 2.500,-.

De VOF houdt zich bezig met taxivervoer waarbij de vennoten met eigen auto's rijden en tegen betaling van € 250,- contributie per maand gebruikmaken van de taxivergunning van [appellant2] .

3.2

Na de oprichting zijn nieuwe (beperkt bevoegde) vennoten toegetreden, onder wie per

29 januari 2013 [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft zich per 1 juli 2014 laten uitschrijven. Voordat hij vennoot werd, was [geïntimeerde] krachtens arbeidsovereenkomst werkzaam voor de VOF.

3.3

Indien taxiklanten met een creditcard betaalden, werd betaald op een bankrekening van de VOF ten name van de VOF en [appellant2] . Van het saldo op die rekening werd door [appellant2] de contributie van de vennoten voldaan, evenals kosten van verzekering, centrales en verkeersboetes.

3.4

[geïntimeerde] heeft in augustus 2012 voor zijn werk een auto met kenteken [00-YYY-0] aangeschaft voor € 17.000,- waarvan de factuur op naam van de VOF is gesteld, zodat de VOF de btw en bpm kon terugvorderen van de belastingdienst. [geïntimeerde] heeft de bewuste auto op 10 juli 2014 doorverkocht aan Taxi4U VOF. De Belastingdienst heeft van de door de VOF ontvangen bpm (€ 3.456,-) een bedrag van € 1.344,- teruggevorderd. Taxi4U VOF heeft de VOF ter compensatie daarvoor € 700,- betaald.

4 De vordering in eerste aanleg en de beoordeling door de kantonrechter

4.1

[geïntimeerde] heeft gevorderd dat de kantonrechter de VOF en [appellanten] c.s. uitvoerbaar bij voorraad veroordeelt tot betaling van € 16.103,48 met wettelijke rente en de kosten van het geding.

4.2

Onderdeel van deze vordering is een bedrag van € 6.812,41 dat aan btw en bpm is ontvangen (volgens [geïntimeerde] € 3.688,55 btw en € 2.123,- bpm) voor de onder 3.4 bedoelde auto en waarvan [geïntimeerde] doorbetaling verlangt. Voorts vordert hij in totaal € 1.000,- voor borg Schiphol, restitutie borg transponder en keuringskosten.

Daarnaast maakt hij aanspraak op in totaal € 9.191,07 voor door hem gemaakte ritten waarbij passagiers met een creditcard hebben betaald.

Bij brief van 7 januari 2016 heeft [geïntimeerde] de VOF en [appellanten] c.s. gesommeerd tot betaling en wettelijke rente aangezegd.

4.3

De VOF en [appellanten] c.s. hebben, voor zover in hoger beroep nog van belang, gesteld dat de creditcardbetalingen reeds aan [geïntimeerde] zijn uitbetaald. De btw en bpm komen de VOF toe als ondernemer voor de btw. De overige kosten zijn door [geïntimeerde] ingebracht in de VOF. Er is nog geen afrekening opgesteld in verband met zijn uittreden als vennoot. Bovendien heeft de VOF een tegenvordering van € 25.313,64 waarmee zij wenst te verrekenen en welk bedrag zij in reconventie vordert, met veroordeling van [geïntimeerde] in proceskosten en buitengerechtelijke kosten.

4.4

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis een comparitie gelast en bij eindvonnis de vordering in conventie toegewezen, met wettelijke rente vanaf 30 augustus 2016, en de vordering in reconventie afgewezen, onder veroordeling van de VOF en [appellanten] c.s. in de kosten van zowel conventie als reconventie.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1

[appellanten] c.s. hebben, zonder uitdrukkelijk grieven tegen de bestreden vonnissen te benoemen, beschreven waarom zij vinden dat de vordering van [geïntimeerde] ten onrechte is toegewezen en hij juist geld verschuldigd is. Zij hebben gevorderd [geïntimeerde] alsnog te veroordelen tot betaling van € 9.807,- te vermeerderen met rente en kosten.

Tegen het tussenvonnis van 7 december 2016 is geen bezwaar gemaakt, zodat [appellanten] c.s. in zoverre niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep.

5.2

Het hof stelt vast dat de VOF niet in hoger beroep is gekomen van het bestreden vonnis in conventie, zodat de tegen de VOF toegewezen vordering ten uitvoer kan worden gelegd op het vermogen van deze vennootschap. Evenmin heeft de VOF hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar reconventionele vordering. Die vordering was in eerste aanleg niet door [appellanten] c.s. ingesteld (maar uitsluitend door de VOF), en zij kunnen dat in hoger beroep niet voor het eerst doen. Dat betekent dat zij niet-ontvankelijk zijn in hun vordering zoals neergelegd in het petitum onder II (veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 9.807,-.

5.3

In hoger beroep hebben [appellanten] c.s. onder nummer 21 van hun memorie van grieven (hierna: mvg) aangevoerd dat het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 16.103,48 op twee punten gecorrigeerd moet worden, waardoor € 14.897,- resteert.

[geïntimeerde] heeft dat niet weersproken, zodat het hof voor de aansprakelijkheid van [appellanten] c.s. van dat lagere bedrag zal uitgaan.

5.4

[appellanten] c.s. beroepen zich op verrekening van dit bedrag met vorderingen die de VOF op [geïntimeerde] heeft. Een dergelijk verweer komt deze vennoten wel toe.

Tot de vorderingen van de VOF op [geïntimeerde] behoren volgens [appellanten] c.s. onder meer:

- € 3.300,- voor het niet kwijtgescholden deel van de in 2012 opgebouwde schuld (mvg nummer 22);

- € 1.000,- lening in verband met overlijden broer (mvg nummer 23);

- € 15.723,03 kosten voor o.a. autoverzekering, wijziging vergunning, contributie, BBF en boekhouder (mvg nummers 24-29). Dat [geïntimeerde] een deel van die kosten contant zou hebben betaald, wordt door [appellanten] c.s. betwist.

Genoemde verrekenposten zijn in hoger beroep voldoende onderbouwd en niet door [geïntimeerde] weersproken. Samen belopen zij meer dan de vordering van [geïntimeerde] op [appellanten] c.s., zodat [geïntimeerde] per saldo niets van [appellanten] c.s. te vorderen heeft.

5.5

De slotsom moet zijn dat [appellanten] c.s. niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep tegen het tussenvonnis van 7 december 2016 en in hun tegenvordering. De vordering van [geïntimeerde] tegen [appellanten] c.s. moet alsnog worden afgewezen. In zoverre wordt het eindvonnis van 2 augustus 2017 in conventie vernietigd, met inbegrip van de proceskostenveroordeling ten laste van [appellanten] c.s. De proceskostenveroordeling in eerste aanleg ten laste van de VOF blijft in stand.

De kosten van hoger beroep worden gecompenseerd, nu een deel van de vordering van

[appellanten] c.s. in hoger beroep niet toewijsbaar is.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellanten] c.s. niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen het tussenvonnis van

7 december 2016 en in hun tegenvordering;

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Almere van 2 augustus 2017 voor zover in conventie gewezen tussen [geïntimeerde] en [appellanten] c.s. en wijst de vordering van [geïntimeerde] tegen [appellanten] c.s. alsnog af;

compenseert de proceskosten in hoger beroep en wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, mr. W.P.M. ter Berg en mr. M.W. Zandbergen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 november 2018.