Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9669

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
08-11-2018
Zaaknummer
200.217.882/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurgeschil over exploitatie Turkse horecagelegenheid. Hof stelt resterend bedrag vast dat de (onder)huurder nog schuldig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.217.882/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel 5339742 CV EXPL 16-6517)

arrest van 6 november 2018

in de zaak van

1 [appellant1] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellant1],

2. [appellant2] ,

wonende te [B] ,

hierna: [appellant2],

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. R.P. Winkel, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. B. Anik, kantoorhoudend te Arnhem.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

18 oktober 2016 en 10 januari 2017 die de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep d.d. 6 april 2017;

  • -

    het herstelexploot d.d. 16 juni 2017;

  • -

    de memorie van grieven d.d. 27 juni 2017 (met producties);

  • -

    de memorie van antwoord in principaal hoger beroep tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep d.d. 3 oktober 2017 (met producties);

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep d.d. 12 december 2017;

  • -

    het comparitiearrest van 31 juli 2018;

  • -

    de op 24 oktober 2018 gehouden comparitie, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

2.2

Vervolgens hebben partijen arrest verzocht op het ten behoeve van de comparitie aan het hof overgelegde dossier.

2.3

[appellanten] c.s. vorderen in het (principaal) hoger beroep - kort samengevat - dat het hof het eindvonnis van de kantonrechter van 10 januari 2017 vernietigt en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad.

2.4

[geïntimeerde] vordert in het incidenteel hoger beroep - kort samengevat - dat het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigt en in aanvulling daarop [appellanten] c.s. veroordeelt tot

  • -

    betaling van € 28.391,10 in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 31 juli 2016;

  • -

    betaling van een boetebedrag van € 13.700,- berekend tot en met 31 juli 2016, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 31 juli 2016;

  • -

    betaling van een boete van € 50,- per dag over de pachtprijs voor de maanden februari, juni en juli 2016 tot de dag der volledige betaling, te verhogen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2016;

  • -

    betaling van de reparatiekosten van het camerabeveiligingssysteem van € 405,- met wettelijke rente vanaf 31 juli 2016;

  • -

    betaling van de volledige advocaatkosten.

3 De vaststaande feiten

Tussen partijen staan de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken.

3.1

[geïntimeerde] exploiteerde in de vorm van een eenmanszaak een horecaonderneming onder de naam [C] in het pand [a-straat 1] te [B] . Dit pand was eigendom van mevrouw [D] , die het pand had verhuurd aan de heer [E] . [geïntimeerde] huurde het pand van [E] .

3.2

[geïntimeerde] heeft met ingang van 1 oktober 2015 zijn horecaonderneming verhuurd aan [appellanten] c.s. Tussen partijen is een overeenkomst, aangeduid als pachtovereenkomst, aangegaan voor de duur van 1 jaar. In deze overeenkomst is vastgelegd dat de pacht op de eerste van de maand moet worden voldaan. De pacht bestond uit de huur voor het pand ten bedrage van € 3.509,- per maand, een bruikleenvergoeding voor inventaris van € 1000,- per maand en voorschotten servicekosten voor nutsvoorzieningen, verzekeringen, telefoonabonnementen en bijkomende kosten als gemeentelijke belastingen. De contracten met de nutsbedrijven moesten omgezet worden op naam van [appellanten] c.s. De pachtovereenkomst kent in artikel 9 een boetebeding, waarin onder meer staat dat bij te late betaling van de pacht een boete volgt van € 50,- per dag.

3.3

De omzetten van [appellanten] c.s. met de horecaonderneming vielen erg tegen, vooral nadat het warenhuis V&D in [B] werd gesloten. [appellanten] c.s. hebben zich daarover bij [geïntimeerde] beklaagd. [geïntimeerde] heeft in dit kader de bruikleenvergoeding over januari 2016 niet in rekening gebracht. [appellanten] c.s. hebben de huurcomponent over februari 2016 niet voldaan. Over de betalingsproblemen van [appellanten] c.s. is veelvuldig contact geweest met [geïntimeerde] , die de problemen ook met [D] en [E] heeft besproken. [D] was bereid om één maand huur te laten zitten en een huurkorting van € 500,- per maand te geven aan [E] , in de verwachting dat dit door zou werken in de onderhuurovereenkomsten.

3.4

Op donderdag 10 maart 2016 hebben [geïntimeerde] en [appellanten] c.s. de problemen rond de voortzetting van de horecazaak besproken. In het daarvan door [geïntimeerde] gemaakte, per e-mail verzonden verslag staat onder meer:

De volgende punten kwamen duidelijk aan bod tijdens ons gesprek;

- Jullie hebben aangegeven dat jullie de zaak genaamd [C] , dat is gevestigd aan de [a-straat 1] te [B] , voort willen zetten tot het einde van de huurcontract en ook wel mogelijk daarna. Want tijdens het gesprek zag ik dat jullie heel positief waren en daar was ik erg blij om, want dat bied weer mogelijkheden. Goed om jullie zo te zien!,

- Jullie hebben toegezegd dat jullie de huur van de maand maart 2016, uiterlijk op 30 maart 2016 over zullen maken aan mij, zodat ik de huur over kan maken aan dhr. [E] ,

- De huur van de maand februari 2016, wat mondeling was toegezegd dat er een korting was gegeven/ niet, nemen wij tot ons rekening en gaan dit nogmaals bespreken met mevr. [D] en dhr. [E] ,

- De huur van de komende maanden, tot en met 31 juli 2016, zullen jullie ook blijven betalen, aangezien jullie duidelijk hebben aangegeven de zaak [C] voort te willen zetten,

- Jullie hebben ingestemd dat jullie de zaak [C] voort willen zetten tot en met 31 juli 2016. Dit omdat mevr. [D] , de eigenaresse van het pand, toestemming heeft gegeven tot het einde van de huurcontract die zij met ons heeft gemaakt. De toestemming is middels officieel brief bekend bij de gemeente Zwolle, KVK en bij ons allemaal (…).

3.5

Op 20 maart 2016 hebben partijen een aanvullende (beëindigings)overeenkomst gesloten, die zowel in de Turkse als in de Nederlandse taal is opgesteld. Het Nederlandstalige gedeelte luidt, voor zover van belang, als volgt:

Per 31 juli 2016 hebben wij, [geïntimeerde] , [appellant2] en [appellant1] samen besloten om het pachtcontract te beëindigen. Dit contract hadden wij op 14 juni 2015 samen ondertekend. Ik, [geïntimeerde] geef ik hierbij aan dat ik de volgende facturen niet door laat gaan dat [appellant2] èn [appellant1] het moeten betalen. Dat zijn de facturen van de maanden februari- maart-april 2016. Het betreft de bruikleenkosten van de inboedel van 1000,- euro per maand. De factuurnummers;

20160302 (factuur goederen), 20160303 (factuur van het voorraad) en de bruikleenkosten van 1000,- euro per maand tot en met 31 juli 2016 niet te factureren (1000,- euro per maand). Jullie gaven aan om alle kosten die hierna en die erbij komen netjes op tijd te betalen.

Daarnaast geeft [appellant2] en [appellant1] duidelijk aan dat zij de huur van elke maand, (inclusief 500,- euro huurkorting die mevr. Rozendaal aan jullie heeft gegeven) tot en met 31 juli 2016, elektriciteitskosten, water en gaskosten, servicekosten van de eerste verdieping op tijd moeten betalen. Tot 31 juli 2016 geven jullie aan dat jullie alle bijbehorende kosten zullen betalen. Dit bovenstaande geldt ook voor de afspraken en contracten met [E] en mevr. [D] .

3.6

[appellanten] c.s. hebben op 25 juli 2016 het pand opgeleverd aan [geïntimeerde] . Zij hebben de huur over de maanden juni en juli 2016 niet voldaan. Aan de (onderhuur) van [geïntimeerde] met [E] is op of kort na 1 augustus 2016 een eind gekomen.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg kort samengevat gevorderd dat [appellanten] c.s. worden veroordeeld tot betaling van achterstallige pacht en overige door [geïntimeerde] verzonden facturen, tot (na eisvermindering ter comparitie) een bedrag van € 24.861,17. Daarnaast heeft [geïntimeerde] aanspraak gemaakt op betaling van de contractuele boetes wegens te late betaling zoals die ook in appel worden gevorderd, en de vergoeding van de reparatienota van het camerabeveiligingssysteem.

4.2

De kantonrechter heeft bij vonnis van 10 januari 2017 de vordering van [geïntimeerde] tot een bedrag van € 16.752,17 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2016, en met veroordeling van [appellanten] c.s. in de kosten van de procedure.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

[appellanten] c.s. hebben vijf Romeins genummerde grieven opgeworpen, waarmee zij betogen dat de kantonrechter de vordering tot een te groot bedrag heeft toegewezen en dat de totale aanspraak van [geïntimeerde] niet meer dan € 5.864,04 bedroeg. [geïntimeerde] heeft in incidenteel appel zes Arabisch genummerde grieven opgesteld die het merendeel van de door de kantonrechter afgewezen onderdelen van de vordering van [appellanten] c.s. betreffen.

De beëindigingsovereenkomst van 20 maart 2016

5.2

Het belangrijkste geschilpunt tussen partijen betreft de nadere overeenkomst van

20 maart 2016, hiervoor geciteerd onder rov. 3.5. [geïntimeerde] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat deze overeenkomst een voorwaardelijk karakter kent en dat de daarin opgenomen kortingen en vervallenverklaring van facturen ten gunste van [appellanten] c.s. alleen gelden indien [appellanten] c.s. aan hun overige betalingsverplichtingen voldoen. Ter comparitiezitting bij het hof heeft [geïntimeerde] verklaard dat de overeenkomst zo opgevat moet worden dat per 31 juli 2016 [appellanten] c.s. alle pachtbetalingen moesten hebben voldaan, en dat anders de kortingen zouden komen te vervallen en de ingetrokken facturen weer zouden herleven. Aangezien [appellanten] c.s. de pacht op die datum niet volledig hebben betaald, kan [geïntimeerde] weer aanspraak maken op volledige betaling. [appellanten] c.s. hebben deze uitleg gemotiveerd betwist.

5.3

Het hof overweegt dat de uit de tekst van die overeenkomst niet blijkt dat de verleende kortingen (bruikleenkosten, huurkorting van € 500,- per maand) en het laven vervallen van de facturen voor de overname van voorraad en overige goederen een voorwaardelijk karakter dragen als door [geïntimeerde] is gesteld. De bewijslast dat de beëindigingsovereenkomst in de door hem voorgestane zin moet worden uitgelegd, berust overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv op [geïntimeerde] , aangezien hij zijn vorderingen daarop baseert. Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] daarvoor geen voldoende toegesneden en concreet bewijsaanbod heeft gedaan. Grief 2 faalt.

De beoordeling van de facturen van [geïntimeerde]

5.4

Het hof zal in navolging van partijen en de kantonrechter de door [geïntimeerde] aan [appellanten] c.s. verzonden facturen tot een totaalbedrag van € 47.752,27 als uitgangspunt nemen voor de beoordeling van de hoogte van de vordering tot betaling van de achterstallige factuurbedragen. De kantonrechter heeft op dit factuurbedrag de huur van februari 2016 à € 3.509,- in mindering gebracht en betalingen van [appellanten] c.s. tot een bedrag van € 28.391,10. [appellanten] c.s. hebben in appel een aantal nieuwe bezwaren tegen deze facturen opgeworpen. [geïntimeerde] heeft betoogd dat dit te laat is, dat [appellanten] c.s. in strijd met hun klachtplicht handelen en dat het hof hen op dit punt niet-ontvankelijk moet verklaren.

Het hof verwerpt dit standpunt van [geïntimeerde] . De klachtplicht (artikel 6:89 BW) heeft betrekking op gebrekkige prestaties, niet op facturen. Anders dan [geïntimeerde] betoogt kent het recht niet een bepaling dat, indien de ontvanger van een factuur daartegen niet terstond protesteert bij de afzender, deze factuur voor juist gehouden moet worden. In appel mag bij het eerste processtuk van de appellerende partij een nieuw verweer worden gevoerd. Of dat verweer ook in eerste aanleg gevoerd had kunnen worden, is daarbij, gelet op de herstelfunctie van het appel, niet van belang. Hoogstens kan dit een rol spelen bij de beoordeling van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Voor zover de facturen evenwel al zijn betaald en het bezwaar van [appellanten] c.s. er in feite op neerkomt dat zij deels onverschuldigd hebben betaald, geldt wel dat zij van die stellingen de bewijslast dragen.

Het hof zal de facturen waarover een geschil bestaat achtereenvolgens bespreken.

De factuur van 21 oktober 2015 betreffende de pacht over de maand november 2015

5.5

[appellanten] c.s. hebben bezwaar tegen het op deze factuur voorkomende voorschot elektra en gas à € 612,-. Zij stellen dat zij vanaf 2 november 2015 op eigen naam een leveringscontract met Essent te hebben gesloten. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat dat [appellanten] c.s. per oktober al een aansluiting op eigen naam hadden dienen te regelen, dat zij dit te laat hebben gedaan en dat [geïntimeerde] de voorschotnota over november 2015 heeft betaald. Van dat laatste heeft hij een betalingsbewijs overgelegd.

Het hof oordeelt dat [appellanten] c.s. de eindafrekening van Essent hebben overgelegd voor de energieleverantie voor het pand [a-straat 1] te [B] , betreffende de levering van gas over de periode 2 november 2015 tot en met 30 juni 2016 ad in totaal € 1.161,83 waarbij [appellanten] c.s. de meterstand per 2 november 2015 heeft doorgegeven. Voor elektriciteit is een eindafrekening van 25 februari 2016 tot en met 24 juli 2016 overgelegd tot een totaalbedrag van € 3.020,64. Het hof acht niet aangetoond dat [appellanten] c.s. voor elektriciteit per november 2015 al een nieuw leveringscontract hadden gesloten op eigen naam. Nu de elektriciteitsrekening voor het pand [a-straat 1] veel hoger is dan de gasrekening acht het hof door [appellanten] c.s. niet aannemelijk gemaakt dat de in het pachtcontract overeengekomen betaling van het aan [geïntimeerde] in rekening gebrachte voorschot onjuist was en dat zij dit bedrag onverschuldigd hebben betaald. Grief II faalt in zoverre.

De factuur van 23 december 2015 betreffende de maand januari 2016

5.6

[appellanten] c.s. maken bezwaar tegen het doorberekenen van de factuur van KPN zakelijk ad € 42,35 en stellen dat zij per 16 oktober 2015 de aansluiting van [geïntimeerde] hebben overgenomen. Daarvan is een bevestigingsbrief van KPN overgelegd. [geïntimeerde] heeft betalingsbewijzen overgelegd dat hij de factuur van 1 november 2015 en de factuur van

1 december 2015 van KPN van elk € 42,35 heeft voldaan. [appellanten] c.s. hebben geen betalingsbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat KPN hun vanaf 16 oktober 2015 daadwerkelijk heeft gefactureerd en dat zij die kosten ook hebben voldaan. Mede gelet op de passage in de brief van KPN dat [geïntimeerde] en [appellanten] c.s. onderling de verrekening dienden te regelen en dat KPN geen gesplitste nota’s zal verstrekken, acht het hof niet aangetoond dat [appellanten] c.s. daadwerkelijk vanaf 16 oktober 2015 voor het contract van KPN hebben betaald en dat KPN ten onrechte ook [geïntimeerde] op 1 november en 1 december 2015 heeft gefactureerd. Ook dit onderdeel van grief II slaagt niet.

De factuur van 24 januari 2016 betreffende de maand februari 2016.

5.7

Voor de bezwaren tegen de kosten van het de factuur van KPN (het betreft hier de doorberekening van de factuur van 1 december 2015) geldt hetzelfde als voor de factuur voor januari 2016. Ook hier acht het hof niet aangetoond dat [appellanten] c.s. dit bedrag onverschuldigd hebben betaald.

De in rekening gebrachte bruikleenkosten voor de maand februari 2016 zijn blijkens de beëindigingsovereenkomst van 20 maart 2018 komen te vervallen. Dit leidt tot een correctiepost op het totaal van de facturen van € 1.000,-. Grief I treft in zoverre doel.

De huur over de maand februari 2016

5.8

Deze huur is niet opgenomen in de factuur van 24 januari 2016, maar is alsnog in rekening gebracht bij factuur van 13 maart 2016. De kantonrechter heeft dit bedrag in mindering gebracht op grond van de afspraken die tussen partijen zijn gemaakt op

10 maart 2016. [geïntimeerde] betoogt dat de kantonrechter de afspraken verkeerd heeft geïnterpreteerd. Het hof deelt de uitleg die de kantonrechter heeft gegeven aan de door [geïntimeerde] zelf op schrift gezette afspraken die partijen hebben gemaakt op 10 maart 2016 (zie hiervoor rov. 3.4). Uit de door [geïntimeerde] overgelegde mail van 8 maart 2016 [D] aan [E] blijkt ook dat [D] begin 2016 één maand huurvrijstelling heeft gegeven,wat aannemelijk maakt dat [geïntimeerde] in die periode een maand huurvrijstelling heeft gehad en hij dat "voordeel" dus kon doorgeven aan [appellanten] c.s. De bewijslast dat de huur over februari toch verschuldigd is, berust bij [geïntimeerde] . Ook op dit punt ligt geen bewijsaanbod voor. Grief 1 faalt en op het totaal van de facturen leidt dit tot een correctie van € 3.509,-.

De factuur van 21 februari 2016 betreffende de maand maart 2016

5.9

Op deze factuur staan de bruikleenkosten vermeld die ingevolge de beëindigingsovereenkomst zijn komen te vervallen. Ook op dit punt slaagt grief I en dit leidt tot een correctie van € 1.000,-.

De facturen van 14 maart 2016 betreffende de voorraad en de goederen

5.10

Voor deze facturen geldt dat [geïntimeerde] blijkens de beëindigingsovereenkomst van

20 maart 2016 deze heeft ingetrokken. Ook op deze punten slaagt grief I.

Dit leidt tot een correctiepost van respectievelijk € 1.494,25 en € 4.513,18.

De factuur van 17 maart 2016 betreffende de maand april 2016

5.11

Op deze factuur staat een post ‘wettelijke rente volgens pachtovereenkomst artikel 7 ter grootte van € 750,-. Deze post wordt door [appellanten] c.s. bestreden. Ter comparitie bij het hof heeft [geïntimeerde] verklaard dat deze post moet worden gelezen als de contractuele boete als bedoeld in artikel 9 van de pachtovereenkomst over de niet betaalde huur voor de maand februari 2016. Wat daarvan ook zij, nu het hof heeft geoordeeld dat de huur over de maand

februari niet verschuldigd is, is over het niet betalen van die huur evenmin boete dan wel

wettelijke rente verschuldigd. Ook op dit punt slaagt grief II, wat leidt tot een correctiepost van € 750,-.

De factuur van 17 mei 2016 betreffende de maand juni 2016.

5.12

[appellanten] c.s. bestrijden de post servicekosten eerste verdieping afgelopen drie maanden ad € 330,-. [geïntimeerde] erkent dat deze post ten onrechte is gefactureerd, zodat dit leidt tot een correctie van € 330,-.

Voorts bestrijden [appellanten] c.s. de post verzekering ad € 246,- omdat dit een kwartaalpremie betreft en de premie voor het tweede kwartaal 2016 al in de maand april 2016 in rekening is gebracht. Ook deze post wordt door [appellanten] c.s. erkend, zodat dit leidt tot een correctie van € 246,-. In zoverre slaagt grief II eveneens.

De factuur van 18 juni 2016 betreffende de maand juli 2016.

5.13

Hier is wederom de verzekeringspremie in rekening gebracht. [geïntimeerde] erkent dat voor de maand juli, zijnde de eerste maand van het derde kwartaal, volstaan had moeten worden met € 82,-, tegen welke correctie [appellanten] c.s. geen verweer hebben gevoerd. Dit leidt derhalve tot een correctie van € 164,-.

Tussenconclusie

5.14

Het hof komt derhalve tot een totale correctie op het totaal van de facturen van € 13.006,43, zodat na aftrek van dit bedrag resteert van 34.745,84 (47.752,27 - 13.006,43). Voorts strekt op dit bedrag in mindering het niet betwiste bedrag dat voor de procedure op deze facturen door [appellanten] c.s. was voldaan van € 28.391,10, zodat per sado [appellanten] c.s. voor de niet betaalde facturen aan [geïntimeerde] nog een bedrag van € 6.354,74 schuldig waren.

De overige pachtvorderingen van [geïntimeerde]

5.15

heeft naast het totaalbedrag van de facturen aanspraak gemaakt op het alsnog betalen van de huurkorting van € 500,- per maand en de bruikleenkosten ad € 1.000,- per maand over de maanden mei tot en met juli 2016 gelet op de uitleg die [geïntimeerde] heeft gegeven aan de beëindigingsovereenkomst van 20 maart 2016. Aangezien het hof die uitleg niet volgt, betekent dit dat deze vorderingen niet toewijsbaar zijn en dat grief 3 faalt.

De door [geïntimeerde] gevorderde boete

5.16

De kantonrechter heeft de door [geïntimeerde] gevorderde boete gematigd tot een totaalbedrag van € 900,-. [geïntimeerde] acht dit bedrag te laag en maakt aanspraak op de volledige boete van € 50,- per niet betaalde maandhuur per dag, totdat de volledige maandhuur is voldaan.

Het hof stelt eerst vast dat [geïntimeerde] aanspraak maakt op de boete over de niet voldane huur over de maand februari 2016 die begint te lopen op 1 februari 2016, zodat de vordering op dit punt een overlap bevat met de hiervoor reeds besproken factuur van 17 maart 2016. Nu de huur over februari 2016 niet verschuldigd is, geldt dat de daarop gebaseerde boetevordering evenmin toewijsbaar is.

5.17

Voor de boetevordering betreffende de niet tijdige betaling van de huur over de maanden juni en juli 2016 geldt dat, voor zover [geïntimeerde] aanspraak maakt op boetes na

31 juli 2016, deze vordering niet gecombineerd kan worden met de door hem tevens gevorderde en door de kantonrechter toegewezen wettelijke rente over de achterstallige huurbedragen vanaf 1 augustus 2016. Immers op grond van artikel 6:92 BW kan de schuldeiser niet én nakoming van het boetebeding én schadevergoeding op grond van de wet vorderen. Dat partijen van deze bepaling van regelend recht hebben willen afwijken, blijkt uit niets.

Dan resteren de boetes over beide niet betaalde huurtermijnen tot en met 31 juli 2016. Deze bedragen in totaal 60 maal € 50 voor de maand juni en 30 maal € 50 voor de maand juli, derhalve in totaal € 4.500,-. Ten opzichte van de totaal verschuldigde huurtermijnen voor deze maanden van 2 maal 2.904,- betreft dit een zeer hoog bedrag. De wettelijke vertragingsschade over deze huurbedragen bedraagt slechts een fractie van de gevorderde boetes. Het hof deelt het oordeel van de kantonrechter dat onverkorte toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, gelet op enerzijds de wanverhouding tussen de hoogte van de boete en het te laat betaalde bedrag en anderzijds de omstandigheden waarin [appellanten] c.s. na hun mislukte horeca-avontuur verkeerden. De kantonrechter heeft de boete gematigd tot € 900,-. Het hof ziet geen aanleiding om een groter deel van de boete toe te wijzen. Grief 5 faalt.

Het camerasysteem

5.18

[geïntimeerde] stelt dat bij beëindiging van de huurovereenkomst het camerabewakingssysteem defect was en dat [appellanten] c.s. de kosten van vervanging ad € 405,- dienen te betalen. [appellanten] c.s. hebben betwist dat het camerabewakingssysteem defect was.

Het hof overweegt dat [geïntimeerde] ook tijdens de zitting van het hof heeft verklaard dat bij het aangaan van de huurovereenkomst geen beschrijving van het gehuurde is opgemaakt als bedoel in artikel 7:224 BW. Derhalve rust de bewijslast dat het camerabewakingssysteem bij het einde van de huurperiode defect was ten gevolge van gedragingen van [appellanten] c.s. op [geïntimeerde] . De overgelegde prijsopgave van Karahan Electronic is daarvoor onvoldoende bewijs. Een nader bewijsaanbod van [geïntimeerde] op dit punt ligt niet voor, zodat het hof ook deze vordering zal afwijzen. Grief 6 mist doel

De slotsom en de proceskosten

5.19

Gelet op het voorgaande komt bovenop het in rov 5.14 genoemde bedrag van € 6.356,74 (slechts) het door de kantonrechter toegekende bedrag aan boetes van € 900,- voor toewijzing in aanmerking, zodat de totale aanspraak van [geïntimeerde] op [appellanten] c.s. € 7.254,74 bedraagt. Grief III slaagt ten dele. Over dit bedrag zijn [appellanten] c.s. de wettelijke rente vanaf

1 augustus 2016 verschuldigd. De daartegen gerichte grief IV treft geen doel: het niet sturen van correcte facturen leidt niet tot schuldeisersverzuim. [appellanten] c.s. hebben ten onrechte de facturen voor de pacht voor de maanden juni en juli 2016 in het geheel niet voldaan. Het hof zal daarom de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in stand laten, ook al omdat [appellanten] c.s. eerst in appel de facturen nauwgezet hebben betwist.

5.20

Het principaal appel slaagt grotendeels. Het hof zal [geïntimeerde] in de daarop vallende kosten veroordelen, aan de zijde van [appellanten] c.s. voor wat het geliquideerde salaris betreft te begroten op 2 punten naar tarief I à € 759,- per punt. Het incidenteel appel faalt, zodat [geïntimeerde] eveneens in de daarop vallende kosten zal worden veroordeeld, aan de zijde van [appellanten] c.s. voor wat het geliquideerde salaris betreft te begroten op 0,5 punt naar tarief II à
€ 1.074,- per punt. In totaal komt het voor rekening van [geïntimeerde] komende salaris voor de advocaat van [appellanten] c.s. derhalve neer op € 2.055,-.

6 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Zwolle van 10 januari 2017, behoudens de daarin opgenomen proceskostenveroordeling en bekrachtigt dit vonnis in zoverre en doet voor het overige opnieuw recht:

veroordeelt [appellanten] c.s. hoofdelijk, dat wil zeggen dat als de ene gedaagde betaalt, de ander in zoverre is bevrijd, tegen bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van
€ 7.254,74 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2016 tot de dag der algehele betaling;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, zowel in principaal appel als in incidenteel appel, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] c.s. vastgesteld op € 820,45 voor verschotten en op € 2.055,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. W.P.M. ter Berg en mr. M.M.A. Wind en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

6 november 2018.