Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9649

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
200.235.241
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind. Machtiging tot schenking. Geen schenkingstraditie; aan ‘stempelbeschikkingen’ niet vertrouwen ontlenen dat machtiging wordt verleend. 1:441 lid 2 onder a BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0044
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.235.241/01

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen 6515699)

beschikking van 6 november 2018

inzake

[verzoekster] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder van

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder mede te noemen: de bewindvoerder,

advocaat: mr. K.E. van den Ing te Uden,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de rechthebbende.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen) van 18 december 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit het beroepschrift met producties van de bewindvoerder, ingekomen op 13 maart 2018.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 23 augustus 2018 plaatsgevonden. De bewindvoerder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. De rechthebbende is behoorlijk opgeroepen, maar is niet ter zitting verschenen.

3 De feiten

3.1

De kantonrechter in de toenmalige rechtbank Arnhem, locatie Wageningen, heeft bij beschikking van 19 januari 2009 een bewind in de zin van artikel 1:431 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) ingesteld over alle goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende en daarbij [verzoekster] tot bewindvoerder benoemd.

3.2

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 6 december 2017, heeft de bewindvoerder de kantonrechter verzocht om machtiging te verlenen voor het doen van een schenking ten laste van het vermogen van rechthebbende van € 5.320,- aan elk van de beide dochters van rechthebbende, te weten de bewindvoerder en haar zus [naam zus bewindvoerder] (hierna: de zus).

3.3

De bewindvoerder heeft de kantonrechter in het verleden meermalen verzocht om een machtiging voor het doen van een schenking ten laste van het vermogen van rechthebbende aan haar en aan haar zus tot het jaarlijks fiscaal vrijgestelde bedrag. Met betrekking tot de jaren 2010 en 2011 heeft de kantonrechter de verzochte machtigingen geweigerd, wegens te late indiening respectievelijk in verband met de geringe omvang van het liquide vermogen. Over de jaren 2012 en 2013 heeft de bewindvoerder geen machtigingsverzoek gedaan. In 2014, 2015 en 2016 heeft de bewindvoerder opnieuw machtiging gevraagd voor een schenking aan haarzelf en aan haar zus tot het bedrag van de maximale fiscale vrijstelling. Voor de schenkingen in 2014 en 2015 heeft de kantonrechter de verzochte machtigingen verleend door het plaatsen van een stempel 'toegestaan als verzocht' met zijn (naam en) handtekening op het formulier machtigingsverzoek, een zogeheten stempelbeschikking. Over 2016 heeft de kantonrechter de verzochte machtiging verleend bij (inhoudelijke) beschikking van 30 december 2016.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kantonrechter geweigerd om een machtiging te verlenen voor een schenking in 2017 ten laste van het vermogen van de rechthebbende aan elk van zijn beide dochters.

4.2

De bewindvoerder is in hoger beroep gekomen van deze beschikking. Haar grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:441 lid 2 onder a BW behoeft de bewindvoerder toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter voor het beschikken over een onder bewind staand goed, tenzij de handeling als gewone beheersdaad kan worden beschouwd of krachtens rechterlijk bevel geschiedt.

5.2

Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de bewindvoerder verzocht haar machtiging te verlenen tot het doen van een schenking over 2017 ten laste van het vermogen van rechthebbende ten bedrage van € 5.320,- aan elk van de twee kinderen van rechthebbende, te weten de bewindvoerder zelf en haar zus.

5.3

Krachtens de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK) vastgestelde Aanbevelingen meerderjarigenbewind wordt een verzoek (door de bewindvoerder) tot het doen van een schenking namens een rechthebbende die zijn wil niet kan bepalen, als hoofdregel afgewezen, tenzij een schenkingstraditie wordt aangetoond en mits het liquide vermogen van de rechthebbende door de schenking niet minder dan € 30.000,- komt te bedragen.

5.4

Anders dan de bewindvoerder stelt, is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een schenkingstraditie als hiervoor bedoeld. Voor het hof is onvoldoende gebleken van jaarlijkse schenkingen door de rechthebbende aan beide dochters voorafgaand aan het instellen van het bewind. De bewindvoerder heeft enige bankafschriften overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat door dan wel namens de rechthebbende in 2008 meerdere malen bedragen van zijn bankrekening zijn overgeschreven op de bankrekening van ieder van de dochters waarbij de overgeschreven bedragen (voor de dochters) niet gelijk zijn en waarbij enkel bij de overschrijvingen op de bankrekening van de bewindvoerder de omschrijving 'gift' is vermeld. Over de jaren vóór 2008 heeft de bewindvoerder geen bescheiden van enige betaling overgelegd en is volstaan met de enkele mededeling dat de rechthebbende in die eerdere jaren grotendeels in contanten bedragen aan beide dochters heeft geschonken. Hiermee zijn de gestelde schenkingen echter onvoldoende onderbouwd. Ook wanneer wordt aangenomen dat de rechthebbende in die betreffende jaren deze contante bedragen heeft verstrekt om de zus in staat te stellen zekere schulden of lasten te betalen, zoals de bewindvoerder ter zitting heeft geschetst, is daarmee niet genoegzaam aangetoond dat ook sprake is geweest van een wens van de rechthebbende om zijn beide dochters jaarlijks een schenking te doen tot het fiscaal vrijgestelde bedrag. Daarbij merkt het hof op dat op de formulieren waarmee het machtigingsverzoek in 2014 en 2015 is gedaan bij de vraag of er voorafgaand aan de instelling van het bewind schenkingen hebben plaatsgevonden enkel melding wordt gemaakt van een schenking in het jaar 2008 en niet in eerdere jaren. Het hof is dan ook niet gebleken dat een schenkingstraditie heeft bestaan als bedoeld in de aanbevelingen meerderjarigenbewind.

5.5

De bewindvoerder heeft er terecht op gewezen dat de kantonrechter voor de jaren 2014, 2015 en 2016 aan haar machtiging tot schenking heeft verleend. Dat betekent echter niet dat daardoor alsnog een schenkingstraditie is ontstaan althans moet worden aangenomen. De bewindvoerder en haar zus mogen aan de stempelbeschikkingen in de jaren 2104 en 2015 niet gerechtvaardigd het vertrouwen ontlenen dat de machtiging tot schenking ook toekomstige jaren telkens zal worden verleend. Daarbij heeft het hof in ogenschouw genomen dat de kantonrechter voor het jaar 2016 de machtiging heeft gegeven in zijn beschikking van 30 december 2016 en daarin expliciet het toetsingskader kenbaar heeft gemaakt, kennelijk omdat de kantonrechter heeft ingezien dat de verzochte machtigingen in de jaren 2014 en 2015 niet ten volle zijn getoetst aan het juiste criterium. In de beschikking van 30 december 2016 is verder uitdrukkelijk overwogen dat de verzochte machtiging over 2016 nog wordt toegewezen gezien de toegewezen eerdere verzoeken, doch dat toekomstige verzoeken beoordeeld zullen worden aan de hand van het opgenomen toetsingskader.

5.6

De omstandigheid dat de zus financieel (en voor haar psychisch welbevinden) mede afhankelijk is van het ontvangen van een schenking van rechthebbende van de omvang als waarvoor machtiging is verzocht, zoals de bewindvoerder ter zitting heeft toegelicht, leidt het hof niet tot een ander oordeel. Ook de omstandigheid dat het vermogen van de rechthebbende toereikend is voor de schenkingen en zijn inkomsten de uitgaven overstijgen en bijzondere uitgaven, gezien zijn fysieke en geestelijke gesteldheid, redelijkerwijs niet te verwachten zijn, brengt niet mee dat het verzoek alsnog moet worden toegewezen. De financiële belangen van de zus en de vermogensrechtelijke belangen van de rechthebbende zijn onvoldoende reden om de verzochte machtiging te verstrekken. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat de bewindvoerder en de zus, volgens de bewindvoerder, de enige erfgenamen (zullen) zijn bij het overlijden van de rechthebbende. Deze door de bewindvoerder genoemde feiten en omstandigheden, zowel afzonderlijk als in onderling verband en samenhang beschouwd, zijn niet van zodanig bijzondere aard dat afwijking van de hoofdregel opgenomen in de aanbevelingen meerderjarigenbewind in het belang van de rechthebbende gerechtvaardigd is.

5.7

Het hof komt daarom tot het oordeel dat ook in hoger beroep het verzoek van de bewindvoerder moet worden afgewezen.

5.8

Het hof merkt tot slot op dat ter zitting onduidelijkheid is ontstaan over de vraag of de rechthebbende wilsonbekwaam is, zoals in het beroepschrift - en bij de eerdere verzoeken tot machtiging - kennelijk tot uitgangspunt is genomen, en niet in staat is zijn wil te bepalen omtrent de schenkingen. Indachtig de wettelijke grondslag van het huidige verzoek van de bewindvoerder en het handhaven van haar verzoek in hoger beroep, is het hof er bij de (inhoudelijke) beoordeling van het verzoek veronderstellenderwijs van uitgegaan dat de rechthebbende niet in staat is (geweest) zijn toestemming tot schenking te geven.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen) van 18 december 2017.

Deze beschikking is gegeven door mr. R. Feunekes, mr. I.G.M.T. Weijers-van der Marck en mr. J.G. Idsardi bijgestaan door mr. J. Robben als griffier, en is op 6 november 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.