Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9644

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-11-2018
Datum publicatie
06-11-2018
Zaaknummer
21-000073-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zware mishandeling. Zwaar lichamelijk letsel (dubbel gebroken, operatief herstelde kaak). Vordering benadeelde partij. Reiskosten bijwonen zitting niet toewijsbaar (art. 238 lid 2 Rv). Kosten rechtsbijstand als proceskosten toewijsbaar op basis liquidatietarief, ook al zijn werkzaamheden door juridisch medewerker van advocatenkantoor verricht. Geen verplichting voor benadeelde partij tot gebruikmaking van (gratis) dienstverlening Slachtofferhulp Nederland. Schade wegens gemist onstoffelijk voordeel toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0956
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000073-18

Uitspraak d.d.: 5 november 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 3 januari 2018 met parketnummer 16-653422-17 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16-240528-16, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1993] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 oktober 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.M.M. Pater, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing, strafoplegging en beslissing ten aanzien van de benadeelde partij komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 26 november 2017 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten één of meerdere breuken in de kaak/kaken), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk één of meermaals (met gebalde vuist) in/tegen het gezicht/hoofd, althans het lichaam, te slaan en/of stompen;

subsidiair:
hij op of omstreeks 26 november 2017 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, althans in het arrondissement Midden-Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] één of meermaals (met gebalde vuist) in/tegen het gezicht/hoofd, althans het lichaam, te slaan en/of stompen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te weten één of meerdere breuken in de kaak/kaken), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling, nu er sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever. De verdachte heeft het opzet gehad op het toebrengen van dit letsel bij de aangever.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken voor zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsvrouw – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ook kan niet worden bewezen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht, nu de aangever volledig is hersteld.

De beoordeling door het hof

Gelet op de tenlastelegging ligt eerst de vraag voor of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer] .

Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 26 november 2017, rond 01:45 uur, heeft in [naam uitgaansgelegenheid] , een uitgaansgelegenheid in Emmeloord, een geweldsincident plaatsgevonden waarbij aangever [slachtoffer] een op twee plaatsen gebroken kaak heeft opgelopen. De aangever zag dat een vriend van hem, [getuige] , met zijn schouder tegen de verdachte aan kwam. Hij zag toen dat [getuige] door de verdachte met gebalde vuist op zijn borst werd geslagen. De aangever riep hierop tegen de verdachte ‘doe eens normaal’ en zag en voelde toen dat hij direct een klap kreeg van de verdachte waarbij de verdachte met zijn vuist vol de onderkaak van de aangever raakte. [slachtoffer] voelde hierdoor pijn in zijn onderkaak. De verklaring van de aangever wordt ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige] . [getuige] heeft verklaard dat hij in [naam uitgaansgelegenheid] per ongeluk tegen de verdachte aanliep. De verdachte begon toen te schelden en sloeg [getuige] met zijn vuist op de borst. Hierop heeft [getuige] afstand genomen van de verdachte waarna hij zag dat de verdachte vol uithaalde en met zijn vuist hard op aangevers kaak sloeg.

Uit de medische verklaring van 30 november 2017 – gevoegd bij het verzoek tot schadevergoeding – en het verhandelde ter zitting volgt dat er bij de aangever sprake is geweest van een kaakfractuur op twee plaatsen (zowel links als rechts), waarvoor een repositie onder narcose is verricht waarbij er plaatjes en schroeven in de kaak zijn geplaatst. Die zitten blijvend in zijn kaak, tenzij hij er zoveel last van gaat krijgen dat ze alsnog – operatief – verwijderd moeten worden. De aangever heeft opnieuw moeten leren eten en mocht tot gedurende zes weken na het incident geen vast voedsel eten. Het hof is van oordeel dat gegeven al deze omstandigheden dit letsel voldoende ernstig is om als zwaar lichamelijk letsel te worden aangemerkt.

Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij ten tijde van het tenlastegelegde veel aan fitness deed. Het hof is van oordeel dat, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging, het niet anders kan zijn dan dat de verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever nu de verdachte, een getraind persoon met een fors postuur, vol met zijn vuist heeft uitgehaald op de kwetsbare delen van het gezicht van de aangever, te weten de onderkaak.

Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:
hij op of omstreeks 26 november 2017 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten één of meerdere breuken in de kaak/kaken), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk éénmaal of meermaals (met gebalde vuist) in/tegen het gezicht/hoofd, althans het lichaam, te slaan en/of stompen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden - de navolgende omstandigheden.

De verdachte heeft zich, naar eigen zeggen: dronken, in een café en te midden van uitgaanspubliek, schuldig gemaakt aan de zware mishandeling van het slachtoffer door hem opzettelijk in het gezicht te stompen, waardoor het slachtoffer zijn kaak op twee plaatsen heeft gebroken. De verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, die blijvend de gevolgen van verdachtes optreden ondervindt. Het proces van – voor zover mogelijk – herstel is pijnlijk, ongemakkelijk en langdurig geweest. Door zijn agressieve, dronken optreden heeft de verdachte niet alleen het gevoel van veiligheid van het slachtoffer aangetast, maar ook dat van het aanwezige uitgaanspubliek. Dergelijke ernstige feiten veroorzaken bovendien meer in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Uit het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie van 24 september 2018 blijkt dat de verdachte eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld.

Bij de strafoplegging heeft het hof de in de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor een feit als het onderhavige tot uitgangspunt genomen, namelijk een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Gelet op de omstandigheden waaronder het feit is begaan ziet het hof, anders dan subsidiair door de raadsvrouw bepleit, geen ruimte voor de oplegging van een taakstraf. Daarbij neemt het hof ook in aanmerking dat de verdachte zich tot dusver niet heeft bekommerd om de – evidente – schade van aangever, hoewel hij ter terechtzitting verklaarde tot vergoeding daarvan bereid te zijn.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, zoals gevorderd door de advocaat-generaal, passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.198,61 en is opgebouwd uit verschillende, hierna te bespreken schadeposten. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep integraal toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de dag waarop het strafbare feit is gepleegd. Ook is een bedrag van € 300,-- aan proceskosten toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat [slachtoffer] als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Aan reiskosten is gevorderd een bedrag van € 211,38. Daarvan ziet € 54,08 op reiskosten voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank. Het hof constateert dat dat proceskosten betreft – en geen schade – én dat deze proceskosten niet toewijsbaar zijn, aangezien de benadeelde partij toen op de zitting is bijgestaan door een gemachtigde (vgl. art. 238 leden 1 en 2, bezien in samenhang met art. 239 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen. Voor het overige (€ 157,30) zal het gevorderde aan reiskosten worden toegewezen als onvoldoende gemotiveerd betwist. Het opgevoerde aantal kilometers wijkt in zo geringe mate af van het aantal kilometers dat het volgens de verdediging zou moeten zijn, dat het hof dit verschil verklaarbaar acht op grond van het precieze vertrekpunt dat wordt gekozen. Dit verweer wordt gepasseerd. De wettelijke rente gaat in op 19 december 2017, een datum gelegen in (ongeveer) het midden van de periode waarin deze schade is geleden.

Aan medische kosten is gevorderd een bedrag van € 841,98, bestaande uit het (vrijwillig verhoogde) eigen risico zorgverzekering ad € 779,79, de eigen bijdrage voor bepaalde medicijnen ad € 6,19 en twee dagen ziekenhuisdaggeldvergoeding ad in totaal € 56,00.

Uit de met betrekking tot het eigen risico en de eigen bijdrage overgelegde stukken blijkt van het causaal verband met de mishandeling van deze bedragen. Anders dan de verdediging betoogt, zijn geen ziektekosten in rekening gebracht die verband hielden met andere aangelegenheden. Het totale bedrag aan medische kosten is toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente per 1 januari 2018, een datum gelegen in (ongeveer) het midden van de periode waarin de benadeelde partij (naar schatting) al deze uitgaven daadwerkelijk heeft moeten doen.

De gevorderde schade in verband met betaalde contributie voor de sportvereniging ad € 45,25 ziet op het gedurende één kwartaal niet hebben kunnen genieten van het lidmaatschap van de voetbalvereniging. Deze schade is volledig toewijsbaar als schade wegens gemist onstoffelijk voordeel. Het daartegen gevoerde verweer van de raadsvrouw, dat de benadeelde partij zijn lidmaatschap had moeten opschorten, wordt verworpen. Gelet op de medische toestand van de benadeelde partij en de impact die het incident op haar heeft gehad, kan haar niet worden tegengeworpen dat zij in die toestand er niet aan heeft gedacht direct het lidmaatschap op te schorten om zo de schade te beperken. De ingangsdatum van de wettelijke rente betreft 26 november 2017.

Aan immateriële schadevergoeding heeft [slachtoffer] een bedrag van € 1.100,- gevorderd. Uit het voegingsformulier en het verhandelde ter zitting blijkt, anders dan de verdediging meent, genoegzaam van de grote impact en vergaande gevolgen van de stomp tegen de kaak van [slachtoffer] . Gelet hierop en rekening houdend met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen aan smartengeld plegen toe te kennen, acht het hof het gevorderde bedrag billijk. Het zal dan ook worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 26 november 2017.

Het gevorderde bedrag wegens ‘buitengerechtelijke kosten’, te begroten volgens het liquidatietarief, ziet blijkens de toelichting daarop, ook ter zitting, op proceskosten bestaande uit het indienen en toelichten van de vordering in eerste aanleg. Het verweer van de verdachte dat de benadeelde partij zich gratis door Slachtofferhulp Nederland had kunnen laten bijstaan, wordt verworpen, aangezien dat ter vrije bepaling van de benadeelde partij is. Het verweer dat van het ingeschakelde advocatenkantoor een juridisch medewerker de vordering heeft opgesteld en ingediend, staat niet aan toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand volgens het liquidatietarief in de weg, nu het benadeelde partijen in strafzaken vrijstaat zich van een gemachtigde te bedienen die geen advocaat is en een vergoeding van de kosten voor het salaris van de gemachtigde voor de hand ligt (art. 238 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering jo art. 51c van het Wetboek van Strafvordering). Het hof acht een bedrag van € 300,00 (2 punten, toepasselijke tarief € 150,00 per punt volgens het roltarief in kantonzaken) toewijsbaar als proceskosten.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Utrecht van 27 februari 2017 opgelegde voorwaardelijke 10 weken gevangenisstraf met parketnummer 16-240528-16. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 14h, 14i, 14j, 36f, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.144,53 (tweeduizend honderdvierenveertig euro en drieënvijftig cent) bestaande uit € 1.044,53 (duizend vierenveertig euro en drieënvijftig cent) materiële schade en € 1.100,00 (duizend honderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de in de overwegingen van dit arrest genoemde aanvangsdata, steeds tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 300,00.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.144,53 (tweeduizend honderdvierenveertig euro en drieënvijftig cent) bestaande uit € 1.044,53 (duizend vierenveertig euro en drieënvijftig cent) materiële schade en € 1.100,00 (duizend honderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 (eenendertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de in de overwegingen van dit arrest genoemde aanvangsdata, steeds tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 27 februari 2017 met parketnummer 16-240528-16, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.

Aldus gewezen door

mr. C.M.E. Lagarde, voorzitter,

mr. P.R. Wery en mr. M. Nooijen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.G. Bresser, griffier,

en op 5 november 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M. Nooijen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 5 november 2018.

Tegenwoordig:

mr. J.W. Rijkers, voorzitter,

mr. J.W.M. Grimbergen, advocaat-generaal,

mr. J.P. Fuchs-van Dis, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.