Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9625

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-11-2018
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
WAHV 200.198.716
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging feitcode. Artikel 5 Wahv. Reële mogelijkheid tot staandehouding. Betrouwbaarheid verklaring verbalisant en mogelijkheid de kentekenplaat waar te nemen. Bevoegdheid BOA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.198.716

5 november 2018

CJIB 191239531

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland

van 29 juni 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld.

2. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat het beroep niet te laat is ingesteld dan wel dat de te late indiening verschoonbaar is. De officier van justitie heeft zijn beslissing namelijk ten onrechte niet aan de gemachtigde toegestuurd.

3. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 9, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd. Een beslissing is op de juiste wijze bekendgemaakt, wanneer deze naar het juiste adres is toegestuurd. Als namens de betrokkene door een gemachtigde beroep is ingesteld, moet de beslissing in ieder geval aan de gemachtigde worden toegestuurd (artikel 6:17 van de Awb).

4. Uit het dossier blijkt dat de betrokkene bij brief van 13 september 2015 zelf administratief beroep heeft ingesteld, maar dat de gemachtigde bij brief van 20 september 2015 de gronden van het beroep heeft aangevuld. De beslissing had dan ook aan de gemachtigde moeten worden toegestuurd. Uit het dossier blijkt niet dat de beslissing aan de gemachtigde is toegestuurd. Deze beslissing is dus niet op de juiste wijze bekendgemaakt. Daarom heeft de beroepstermijn geen aanvang genomen.

5. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Dit brengt mee dat de overige bezwaren tegen de beslissing van de kantonrechter geen bespreking meer behoeven.

6. De gemachtigde voert tegen de beslissing van de officier van justitie onder meer aan dat deze niet in stand kan blijven omdat er niet is gehoord, terwijl daar wel om is verzocht.

7. Het hof stelt vast dat het verzoek om te worden gehoord in administratief beroep (bij brief van 20 september 2015) op juiste wijze is gedaan en dat zich geen andere uitzonderingsgevallen voordoen op grond waarvan van het horen kan worden afgezien. Het hof zal daarom - in het licht van bestendige, bekende en daarom niet nader te bespreken vaste rechtspraak van het hof op dit punt - het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

8. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 95,- opgelegd ter zake van “als (snor)fietser bij ontbreken (verplicht) (brom)fietspad niet de rijbaan gebruiken (R309)”, welke gedraging zou zijn verricht op 16 juli 2015 om 12:32 uur op de Noordstedeweg te Nieuwegein met het voertuig met het kenteken [Y-000-YY] .

9. De gemachtigde voert aan dat de gedraging niet individualiseerbaar is. De betrokkene kan zich niet herinneren de gedraging te hebben begaan. Daarbij is ook van belang van de betrokkene nooit is staandegehouden en naar zijn wetenschap altijd op de rijbaan rijdt indien hij daartoe gehouden is. Verder blijkt niet dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding voordeed zodat de sanctie reeds hierom ten onrechte aan te kentekenhouder is opgelegd. Ook dient uit het dossier te blijken dat er op de pleeglocatie borden zijn geplaatst waarmee het verbod/gebod is aangegeven. Uit de stukken blijkt ook niet of de verbalisant het kenteken wel juist heeft kunnen waarnemen. De situatie die de verbalisant schetst in zijn proces-verbaal betreft al snel een grotere afstand tussen hem en de waargenomen bromfiets dan 20 meter, waarbij de bromfiets hem van voren naderde. Een kentekenplaat is bedoeld om slechts goed zichtbaar te zijn voor een waarnemer die zich op een afstand van 20 meter midden achter het voertuig bevindt. Uit de verklaring van de verbalisant blijkt ook niet dat deze direct zicht had op de bromfiets en de kentekenplaat. Ook zou de verbalisant het verschil moeten weten tussen een bromfiets en een snorfiets. Verder stelt de gemachtigde dat de verbalisant niet bevoegd was om te handhaven nu de openbare orde niet in het geding was. De gemachtigde verwijst hierbij naar de arresten van het hof van 10 juli 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:5888) en 8 maart 2018 (WAHV 200.188.495). Daarbij ontbreekt in het dossier ook enig stuk waaruit blijkt dat [D] namens de Staatssecretaris bevoegd was de verbalisant te beëdigen. Het mandaatbesluit heeft de betrokkene ook nergens aan kunnen treffen. Blijkens de uitspraak van het hof van 25 mei 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:4776), kan en moet aan het ontbreken van een mandaatbesluit het gevolg worden verbonden dat er aan de bevoegdheid van de verbalisant moet worden getwijfeld, tenzij die bevoegdheid nader door het openbaar ministerie alsnog wordt geadstrueerd. Nu deze stukken in het dossier ontbreken, kan niet worden vastgesteld dat de verbalisant bevoegd was om in dit concrete geval op te treden.

10. Ten aanzien van de bevoegdheid van de verbalisant overweegt het hof dat in het onderhavige geval, anders dan in de arresten van het hof waar de gemachtigde naar verwijst, een sanctie is opgelegd voor overtreding van artikel 5 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Uit de akte van beëdiging volgt dat de betreffende verbalisant buitengewoon opsporingsambtenaar is en bevoegd is om te handhaven op feiten in het domein Openbare ruimte. Uit artikel 6.4, aanhef en onder 16 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar zoals deze golden ten tijde van de oplegging van de sanctie volgt dat de buitengewoon opsporingsambtenaar Openbare ruimte onder meer bevoegd is om te handhaven op artikel 5 van het RVV 1990. De voorwaarde dat handhaving verband dient te houden met de openbare orde geldt slechts ten aanzien van de negatie van C-borden. Het verweer dat de verbalisant niet bevoegd is omdat de openbare orde niet in het geding was, treft geen doel.

11. Het dossier bevat de akte van beëdiging van de verbalisant die de sanctie heeft opgelegd. Hieruit blijkt dat, anders dan de gemachtigde kennelijk meent, de verbalisant niet is beëdigd door [D] , maar door [E] . Het verweer van de gemachtigde treft geen doel.

12. In zaken als deze biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

12. Het dossier bevat een aanvullend proces-verbaal van 20 oktober 2015. De verbalisant verklaart - voor zover van belang - hierin het volgende:

“Op donderdag 16 juli 2015 omstreeks 12.30 uur bevond ik mij in uniform gekleed en met handhaving belast op de openbare weg de Noordstedeweg te Nieuwegein.

Ik zag dat op de Noordstedeweg vanuit de richting van de Batauweg een bromfiets kwam aangereden over het fietspad dat wordt aangegeven met bord G11. Ter hoogte van de rotonde naar de Sluyterslaan wilde ik de betrokkene staandehouden voordat hij wilde oversteken. Ik heb de betrokkene aangeroepen en een stopteken gegeven. De betrokkene keek mijn richting uit en vervolgde toen zijn weg over de rotonde richting de Sluyterslaan. Ondertussen had ik het kenteken van de betrokkene al genoteerd en op deze gegevens heb ik de bekeuring uitgeschreven. Echter hierbij heb ik de verkeerde feitcode vermeld. Dit moest zijn R311 in plaats van R309.”

14. Artikel 5 van de Wahv bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd.

15. Uit de verklaring van de verbalisant blijkt dat er geen staandehouding heeft kunnen plaatsvinden omdat de betrokkene niet is gestopt terwijl de verbalisant de betrokkene heeft aangeroepen en een stopteken heeft gegeven. Naar het oordeel van het hof houdt deze verklaring van de verbalisant genoegzaam in dat zich geen reële mogelijkheid heeft voorgedaan tot staandehouding van de bestuurder. In dit geval mocht de verbalisant dan ook volstaan met het bekeuren op kenteken. Dit verweer dat de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder is opgelegd, treft geen doel.

16. Het hof stelt vast dat het voertuig waarmee de gedraging zou zijn verricht blijkens de aanvullende verklaring van de verbalisant en hetgeen de betrokkene in zijn administratief beroepschrift heeft verklaard, geen snorfiets, maar een bromfiets is. De gedraging “als (snor)fietser bij ontbreken (verplicht) (brom)fietspad niet de rijbaan gebruiken”, feitcode R309, is niet verricht. Het hof zal beoordelen of de gedraging “als bromfietser bij ontbreken fiets/bromfietspad niet de rijbaan gebruiken”, feitcode R311, is verricht.

17. Uitgangspunt in Wahv-zaken is dat de inleidende beschikking ten aanzien van het kenteken van het voertuig, de aard, plaats en tijd van de gedraging voldoende gegevens bevat om de gedraging waarop de beschikking betrekking heeft te individualiseren (vgl. onder meer het arrest van het hof Leeuwarden van 26 januari 2005, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHLEE:2005:AS8373). In de inleidende beschikking staat vermeld dat de gedraging is verricht op de Noordstedeweg te Nieuwegein. Niet aannemelijk is gemaakt dat de inleidende beschikking onvoldoende informatie bevat om de gedraging waarop de sanctie betrekking heeft te individualiseren. Het hof verwerpt het verweer dat de gedraging niet voldoende individualiseerbaar is.

18. De verbalisant heeft verklaard te hebben waargenomen dat de bromfiets kwam aangereden over het fietspad dat is aangegeven met bord G11. Het verweer dat uit het dossier niet blijkt dat er op de pleeglocatie borden zijn geplaats waaruit het verbod/gebod dient te blijken, treft geen doel.

19. In artikel 7, achtste lid, van de Regeling kentekens en kentekenplaten, is weliswaar bepaald dat de kentekenplaat zichtbaar moet zijn voor een waarnemer, die zich op een afstand van 20 meter midden achter het voertuig bevindt, maar dit rechtvaardigt niet de conclusie dat indien een verbalisant zich op een grotere afstand bevindt, hij het kenteken niet goed kan waarnemen. Uit de verklaring van de verbalisant volgt weliswaar dat de betrokkene de verbalisant is genaderd, maar ook dat de betrokkene de verbalisant bij de rotonde richting de Sluyterslaan voorbij is gereden. Verder heeft de verbalisant, anders dan de gemachtigde meent, ook niet verklaard een snorfiets te hebben waargenomen, maar een bromfiets. Het voorgaande in aanmerking genomen, ziet het hof geen reden te twijfelen aan de waarneming van de verbalisant dat de gedraging is verricht met het voertuig van de betrokkene. Voor het overige ontkent de gemachtigde slechts dat de betrokkene de gedraging heeft verricht met het verweer dat de betrokkene zich niet kan herinneren de gedraging te hebben begaan en de betrokkene naar zijn wetenschap altijd op de rijbaan rijdt als hij daartoe gehouden is. Dit geeft het hof dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant.

19. De gemachtigde heeft tot slot aangevoerd dat er sprake is van schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

21. Het hof heeft in navolging van bestendige rechtspraak van de hoogste bestuursrechters bij arrest van 3 maart 2017 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder ECLI:GHARL:2017:1777) geoordeeld dat sprake is van schending van de redelijke termijn van berechting wanneer de procedure in eerste aanleg – inclusief het administratief beroep – langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat een boete zal worden opgelegd. Ook voor het hoger beroep bedraagt de redelijke termijn van berechting ten hoogste twee jaar. Die termijn gaat in op het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld. Bestraffende sancties hoger dan

€ 1.000,- worden bij schending van de redelijke termijn in beginsel gematigd. Bij sancties onder de € 1.000,-, zoals de onderhavige, wordt volstaan met de vaststelling dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden. Tot gegrondverklaring van het beroep kan dit niet leiden.

22. Het hof stelt vast dat in deze zaak de redelijke termijn van berechting in hoger beroep is overschreden. Onder verwijzing naar het hiervoor overwogene wordt met die vaststelling volstaan.

23. Gelet op het voorgaande kan op basis van de verklaring van de verbalisant worden vastgesteld dat de gedraging “als bromfietser bij ontbreken fiets/bromfietspad niet de rijbaan gebruiken”, feitcode R311, is verricht. Het hof is van oordeel dat in dit geval de feitcode kan worden gewijzigd. Voor de betrokkene was duidelijk waartegen hij zich diende te verweren, het gaat om hetzelfde feitencomplex en het sanctiebedrag is in beide gevallen € 95,-.

Gelet hierop zal het hof de inleidende beschikking voor wat betreft de daarin opgenomen feitcode en omschrijving van de gedraging wijzigen.

24. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter en het indienen van een hoger beroepschrift dienen in totaal drie procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 501,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 751,50.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

wijzigt de inleidende beschikking in die zin dat als feitcode en omschrijving van de gedraging wordt vermeld: “R311” en “als bromfietser bij ontbreken fiets/bromfietspad niet de rijbaan gebruiken”;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 751,50.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.