Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9617

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-11-2018
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
WAHV 200.211.400
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hoger beroep is nadrukkelijk beperkt tot de beslissing van de kantonrechter ter zake van de proceskostenvergoeding. De gemachtigde van de betrokkene heeft op een later moment de gronden van het beroep aangevuld, maar die gronden zien op de beslissing van de kantonrechter

op het beroep tegen de inleidende beschikking en treden daarmee buiten de omvang van het geding zoals in het hoger beroepschrift aangegeven. Gelet op dat hoger beroepschrift is de beslissing van de kantonrechter op het beroep tegen de inleidende beschikking onherroepelijk geworden en zal het hof de aanvullende gronden buiten bespreking laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.211.400

5 november 2018

CJIB 194271493

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland

van 2 februari 2017

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,

kantoorhoudende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 123,75.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De gemachtigde van de betrokkene heeft bij brief van 31 augustus 2017 aanvullende gronden ingediend.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Het hof stelt vast dat op 7 maart 2017 tijdig hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Dit hoger beroep is beperkt tot de beslissing van de kantonrechter ter zake van de proceskostenvergoeding.

2. Bij brief van 26 augustus 2017 heeft de gemachtigde van de betrokkene aanvullende gronden ingediend. Deze gronden zien op de beslissing van de kantonrechter op het beroep tegen de inleidende beschikking en treden daarmee buiten de omvang van het geding zoals in het hoger beroepschrift van 7 maart 2017 was aangegeven. Gelet op het hoger beroepschrift van 7 maart 2017, waarin expliciet is aangegeven dat het hoger beroep zich slechts richt tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om proceskostenvergoeding, is de beslissing van de kantonrechter op het beroep tegen de inleidende beschikking onherroepelijk geworden. Het hof zal de gronden die in de brief van 26 augustus 2017 zijn aangevoerd daarom buiten bespreking laten.

3. De gemachtigde voert aan dat een onjuist aantal procespunten is toegekend. De kantonrechter heeft slechts één procespunt toegekend voor de verrichte proceshandelingen, terwijl dit er drie hadden moeten zijn. Namelijk voor het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie en het verschijnen ter zitting bij de kantonrechter.

4. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. Nu het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond is verklaard en die beslissing is vernietigd door de kantonrechter, dienden het indienen van het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie en het verschijnen ter zitting bij de kantonrechter te worden aangemerkt als proceshandelingen die voor vergoeding in aanmerking komen. Daaraan behoren twee punten te worden toegekend. Het indienen van het beroepschrift tegen de inleidende beschikking komt niet voor vergoeding in aanmerking. Het beroep tegen de inleidende beschikking is immers ongegrond verklaard. De kantonrechter heeft dus ten onrechte slechts één procespunt toegekend voor de verrichte proceshandelingen.

5. De beslissing van de kantonrechter ten aanzien van de toekenning van proceskosten kan gelet op het voorgaande niet in stand blijven. Het hof zal, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, bepalen dat aan de betrokkene een proceskostenvergoeding wordt toegekend voor de behandeling van het beroep bij de kantonrechter en de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 501,- (= 2 x € 501,- x 0.5).

6. Nu de betrokkene ook in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld, komt het verzoek om toekenning van een vergoeding voor de proceskosten gemaakt in hoger beroep eveneens voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift moet één punt worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 501,-. Gelet op de aard van de zaak (de toekenning van proceskostenvergoeding) past het hof wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten van het hoger beroep tot een bedrag van € 125,25 (= 1 x € 501,- x 0,25).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij een proceskostenvergoeding is toegekend van € 123,75;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van in totaal € 626,25, over te maken op rekeningnummer [00000] ten name van [C] .

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Stoop als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.