Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9582

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
18/00288
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:3754, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

LB/PVV. Boete wegens aangifteverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 16-11-2018
FutD 2018-3043
V-N Vandaag 2018/2548
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 18/00288

uitspraakdatum: 6 november 2018

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 juli 2017, voor zover deze ziet op nummer AWB 16/7752, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is over het tijdvak van 1 januari tot en met 31 januari 2016 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Gelijktijdig zijn daarbij bij beschikkingen een betalingsverzuimboete en een aangifteverzuimboete opgelegd. De Inspecteur heeft daarna de naheffingsaanslag en de betalingsverzuimboete ambtshalve verminderd tot nihil.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak het bezwaar tegen de opgelegde aangifteverzuimboete afgewezen en de beschikking gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 20 juli 2017 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2018 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. [A] en drs. [B] namens de Inspecteur. Belanghebbende is, met voorafgaand bericht van haar gemachtigde aan het Hof, niet verschenen.

1.7

De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan aan het Hof overgelegd. Een kopie daarvan is gehecht aan het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende was inhoudingsplichtige voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: LB/PVV) en als zodanig opgenomen in het geautomatiseerde aangiftesysteem van de Belastingdienst. Zij heeft in 2015 aan haar maandelijkse verplichting tot het doen van aangifte voor de LB/PVV voldaan.

2.2

Belanghebbende heeft niet kenbaar gemaakt bij de Belastingdienst dat zij met ingang van 2016 geen personeel in dienst had of dat zij geen betalingen (meer) zou doen waarvoor zij als inhoudingsplichtige voor de LB/PVV zou moeten worden aangemerkt.

2.3

De uiterste datum voor het doen van aangifte voor de LB/PVV voor het aangiftetijdvak van 1 januari tot en met 31 januari 2016 (hierna: het aangiftetijdvak) was 29 februari 2016.

2.4

Belanghebbende heeft niet tijdig voor het aangiftetijdvak aangifte gedaan voor de LB/PVV en geen LB/PVV afgedragen. Als gevolg daarvan zijn door het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst aan haar een naheffingsaanslag LB/PVV van € 3.000, een betalingsverzuimboete (artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; hierna: AWR) van € 90 en een aangifteverzuimboete (artikel 67b, tweede lid, van de AWR juncto paragraaf 22a van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst; hierna: het BBBB) van € 65 opgelegd. De naheffingsaanslag en de beschikkingen zijn gedagtekend 23 maart 2016.

2.5

Belanghebbende heeft op 21 maart 2016 alsnog (op elektronische wijze) aangifte voor de LB/PVV voor het aangiftetijdvak gedaan. Uit die aangifte volgt dat belanghebbende over dat tijdvak geen LB/PVV hoeft af te dragen. Naar aanleiding van deze aangifte zijn in het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst de naheffingsaanslag en de betalingsverzuimboete ambtshalve verminderd tot nihil. De verminderingsbeschikkingen zijn gedagtekend 7 april 2016.

2.6

Belanghebbende heeft op 25 april 2016 bezwaar gemaakt – gelet op het in het bezwaarschrift genoemde bedrag – tegen de opgelegde naheffingsaanslag en de beide boetebeschikkingen. De Inspecteur heeft het bezwaar na de ambtshalve verminderingen kennelijk opgevat als nog slechts gericht tegen de aangifteverzuimboete en met betrekking tot die boete op 8 november 2016 uitspraak op bezwaar gedaan.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

Gelet op de inhoud van de stukken van het geding en de daarin opgenomen standpunten van partijen is tussen hen slechts in geschil of de aangifteverzuimboete terecht aan belanghebbende is opgelegd.

3.2

Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de Rechtbank ten onrechte – op basis van een geloofwaardige verklaring van de Inspecteur ter zitting – heeft geoordeeld dat zij is uitgenodigd voor het doen van aangiften LB/PVV in 2016. De Inspecteur die het beroep behandelt is, aldus belanghebbende, niet bij de verzending van stukken betrokken geweest. Voorts betekent het verzenden van een brief niet dat die brief door de geadresseerde ook is ontvangen omdat met regelmaat blijkt dat de postbezorging niet loopt zoals het moet.

3.3

De Inspecteur stelt – samengevat en zakelijk weergegeven – dat belanghebbende is uitgenodigd voor het doen van aangiften LB/PVV voor de aangiftetijdvakken in 2016. Hij wijst op een reeks vastleggingen in de geautomatiseerde systemen van de Belastingdienst waaruit dit blijkt. Zonder uitnodiging tot het doen van aangiften worden door het geautomatiseerde systeem geen naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen opgelegd indien de aangifte achterwege blijft. De uitnodigingsbrief is met dagtekening 4 november 2015 verzonden. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof een voorbeeld van een dergelijke brief overgelegd.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan heeft de Inspecteur ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert – naar het Hof begrijpt – tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Inspecteur, en tot vernietiging van de beschikking waarbij de aangifteverzuimboete is opgelegd.

3.6

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Belanghebbende was voor het jaar 2015 in het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst opgenomen als inhoudingsplichtige voor de LB/PVV. De Inspecteur heeft in de bestreden uitspraak op bezwaar uitgebreid beschreven hoe belanghebbende had moeten handelen indien zij niet meer als inhoudingsplichtige aangemerkt had willen worden. Daaruit heeft het Hof als vaststaand afgeleid dat belanghebbende dit niet heeft gedaan. Dit blijkt ook uit de stelling van belanghebbende dat zij meende automatisch als inhoudingsplichtige afgevoerd te zullen worden na het doen van nihilaangiften over de aangiftetijdvakken in 2015.

4.2

Ingevolge artikel 8 van de AWR is ieder die daartoe is uitgenodigd gehouden aangifte te doen. De uitnodiging tot het doen van aangifte geschiedt door het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief (artikel 4a van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen). Naar het oordeel van het Hof maakt de Inspecteur, gelet op de stukken van het geding omtrent de werkwijze bij het verzenden van stukken en de vastlegging daarvan, en de daarop door de Inspecteur ter zitting van het Hof gegeven toelichting aannemelijk dat de hiervoor bedoelde Aangiftebrief Loonheffingen Jaar 2016 (hierna: de aangiftebrief) bij brief met dagtekening 4 november 2015 per post aan belanghebbende is verzonden.

4.3

De Rechtbank heeft geoordeeld dat het adres van belanghebbende niet is gewijzigd en dat het fiscale nummer van belanghebbende is gekoppeld aan het juiste toezendadres. Dit oordeel is door belanghebbende in hoger beroep niet bestreden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de aangiftebrief op het adres van belanghebbende. Nu het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur is geslaagd in het bewijs van verzending naar het juiste adres ligt het vervolgens op de weg van belanghebbende het voormelde vermoeden te ontzenuwen (vgl. Hoge Raad 15 december 2006, nr. 41.882, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416). Belanghebbende heeft echter niets aangevoerd dat naar het oordeel van het Hof het voormelde vermoeden ontzenuwt. De enkele stelling dat “[m]et regelmaat blijkt dat de postbezorging niet verloopt als het moet” volstaat daarvoor niet.

4.4

Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

5 Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. A.I. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. A.W.M. van der Waerden als griffier.

De beslissing is op 6 november 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(A.W.M. van der Waerden)

(J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 6 november 2018.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.