Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9544

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-10-2018
Datum publicatie
31-10-2018
Zaaknummer
200.232.061/02 en 200.232.061/03
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

wrakingskamer

zaaknummers gerechtshof: 200.232.061/02 en 200.232.061/03

beslissing van 26 oktober 2018

op het schriftelijke verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in het wrakingsincident,

hierna: [verzoeker],

advocaat: mr. J. Oosterhof, kantoorhoudend te Heerenveen,

dat strekt tot wraking ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van:

mr. A.W. Beversluis, mr. M.A.F. Holtvluwer-Veenstra en mr. J.L. Roubos,

raadsheren in dit hof, locatie Leeuwarden,

verweerders in het wrakingsincident.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij de afdeling civiel recht van het hof is onder zaaknummer 200.232.061/01 een procedure aanhangig tussen [verzoeker] en [B] .

1.2

Op 31 mei 2018 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden voor de civiele kamer van dit hof. Het van deze mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.3

Bij verzoekschrift van 5 juni 2018, ingekomen ter griffie van het hof op 6 juni 2018, is namens [verzoeker] een schriftelijk verzoek gedaan dat strekt tot wraking van bovengenoemde raadsheren (geregistreerd onder zaaknummer 200.232.061/02). Het hof heeft [verzoeker] bij brief van 7 juni 2018 bericht dat het wrakingsverzoek dient te zijn ondertekend door een advocaat. [verzoeker] is in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen.

1.4

Bij verzoekschrift van 9 juli 2018, ingekomen ter griffie van het hof op 10 juli 2018, heeft mr. Oosterhof namens [verzoeker] het verzoek tot wraking ingediend.

1.5

Mrs. Beversluis, Holtvluwer-Veenstra en Roubos hebben niet in de wraking berust.

1.6

Mr. Holtvluwer-Veenstra heeft bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 13 september 2018, op het wrakingsverzoek gereageerd.

1.7

Het wrakingsverzoek is ter zitting van 26 september 2018 behandeld door de wrakingskamer. [verzoeker] is bij deze behandeling verschenen, bijgestaan door mr. Oosterhof. Mrs. Beversluis, Holtvluwer-Veenstra en Roubos zijn bij deze behandeling niet verschenen. Tevens was als belanghebbende aanwezig de wederpartij van [verzoeker] , [B] , bijgestaan door mr. E. Lucas. [verzoeker] en mr. Oosterhof hebben het verzoek mondeling toegelicht.

1.8

Bij brief van 5 oktober 2018, binnengekomen ter griffie van het hof op 8 oktober 2018, heeft [verzoeker] een verzoek tot wraking van de wrakingskamer gedaan (geregistreerd onder zaaknummer 200.232.061/03). Dit verzoek is niet ondertekend door zijn advocaat. Het hof heeft mr. Oosterhof daarop verzocht zich uit te laten over het ingediende wrakingsverzoek. Bij brief van 9 oktober 2018 heeft mr. Oosterhof te kennen gegeven dat zij in het nieuwe wrakingsverzoek niet aan [verzoeker] is toegevoegd en hem hierin niet zal bijstaan.

2 De beoordeling van het verzoek tot wraking van de wrakingskamer
De ontvankelijkheid van het verzoek

2.1

In zaken waarin verplichte procesvertegenwoordiging geldt, dient een schriftelijk ingediend verzoek om wraking te worden ondertekend door een advocaat (HR 18 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AD2977). Nu in de onderhavige procedure verplichte procesvertegenwoordiging geldt, dient het verzoek tot wraking van de wrakingskamer te worden ondertekend door een advocaat.

2.2

Het hof constateert dat het verzoek van [verzoeker] tot wraking van de wrakingskamer niet door zijn advocaat is ondertekend. Bij brief van 9 oktober 2018 heeft zijn advocaat expliciet te kennen gegeven het verzoek niet te ondersteunen. Het hof ziet geen aanleiding [verzoeker] de gelegenheid te bieden om te trachten dit verzuim te herstellen door zijn verzoek door een andere advocaat te laten ondertekenen. Het hof overweegt daartoe dat het verzoek van [verzoeker] tot wraking van mrs. Beversluis, Holtvluwer-Veenstra en Roubos van 5 juni 2018 eveneens niet was ondertekend door een advocaat en dat [verzoeker] toen de gelegenheid is geboden tot herstel van dit verzuim. [verzoeker] was derhalve bekend met de aan een wrakingsverzoek gestelde vormvereisten.
Daarenboven geldt dat het verzoek tot wraking van de wrakingskamer gegrond is op het standpunt dat raadsheren uit het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet behoren te oordelen over wrakingsverzoeken gericht tegen andere raadsheren uit datzelfde hof. Dit verzoek behelst derhalve bezwaren die voor elke wrakingskamer, in welke samenstelling ook, gelden, nu wrakingsverzoeken (behoudens zeer bijzondere gevallen) immer worden behandeld door raadsheren uit hetzelfde gerecht.
Het verzoek tot wraking van de wrakingskamer is, ook indien het zou voldoen aan de vormvereisten, daarmee kennelijk ongegrond.
Het hof ziet in een en ander aanleiding om met toepassing van artikel 9.1 van het wrakingsprotocol van dit gerecht het verzoek tot wraking van de wrakingskamer buiten behandeling te laten.

3. De beoordeling van het verzoek tot wraking van mrs. Beversluis, Holtvluwer-Veenstra en Roubos
De ontvankelijkheid van het verzoek

3.1

De wrakingskamer acht het verzoek tijdig ingediend en acht [verzoeker] ook overigens ontvankelijk in zijn verzoek.
De gronden van het wrakingsverzoek

3.2

[verzoeker] heeft aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat zijn voormalig advocaat, mr. G.J.A.M. Gloudi, namens hem op zowel 4 mei 2018 als 25 mei 2018 heeft verzocht om aanhouding van de op 31 mei 2018 geplande mondelinge behandeling. Bij het eerste aanhoudingsverzoek was gevoegd een verklaring van de huisarts van [verzoeker] , waarin deze verklaart dat [verzoeker] niet de rust in het hoofd heeft om verantwoord beslissingen te nemen, en het tweede verzoek ging vergezeld van een verklaring van zijn behandelend GGZ-arts, waarin zij verklaart dat [verzoeker] vanwege psychische klachten niet in staat is de zitting bij te wonen. Het eerste verzoek is afgewezen door mr. Beversluis en het tweede verzoek is, bij afwezigheid van mr. Beversluis, afgewezen door mr. Holtvluwer-Veenstra. Van de afwijzingen is de (toenmalige) advocaat van [verzoeker] telefonisch in kennis gesteld door een medewerker van de griffie. [verzoeker] stelt dat hij het recht heeft om de mondelinge behandeling van zijn zaak bij te wonen, en dat een redelijke uitleg van dit recht meebrengt dat dit niet enkel ziet op het fysiek bijwonen van de zitting maar dat die op zodanige wijze plaatsvindt dat de verzoeker ook weet en besef heeft van hetgeen ter zitting aan de orde komt en hierop ook passend kan reageren. Gelet hierop valt naar de mening van [verzoeker] in redelijkheid niet te begrijpen dat verweerders negatief hebben gereageerd op zijn verzoeken tot aanhouding en hebben zij hiermee blijk gegeven van vooringenomenheid met betrekking tot de afwikkeling van de procedure. Voorts stelt [verzoeker] dat hij, nadat zijn toenmalige advocaat zich een dag voor de mondelinge behandeling onttrokken had, ter zitting tweemaal heeft aangegeven dat hij bezwaar maakte tegen de gang van zaken en dat hij alleen ter zitting was verschenen omdat het hof hem geen andere mogelijkheid had gelaten. Tijdens de zitting is [verzoeker] voorts continu gewezen op de (hem resterende) spreektijd - die volgens hem te kort was - en ook overigens is de zitting volgens [verzoeker] rommelig verlopen. [verzoeker] is van mening dat hij gelet op deze omstandigheden niet de gelegenheid heeft gekregen zijn belangen op correcte wijze te (laten) behartigen. Hierdoor is gerechtvaardigde twijfel ontstaan aan de onpartijdigheid van de rechters.
Het standpunt van verweerders

3.3

Mr. Holtvluwer-Veenstra heeft geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek.


De inhoudelijke beoordeling van het verzoek

3.4

Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 36 Rv hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.

3.5

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.

3.6

De wrakingskamer stelt voorop dat het middel van wraking niet een verkapt rechtsmiddel kan zijn tegen de verzoeker onwelgevallige (processuele) beslissingen. Het is niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of deze beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende motiveringen inhoudelijk juist zijn, maar te onderzoeken of deze beslissingen en motiveringen feiten en omstandigheden opleveren waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Slechts indien de door de kamer genomen beslissing zo onbegrijpelijk is dat redelijkerwijs daarvoor geen andere verklaring dan vooringenomenheid is te geven, bestaat aanleiding om op inhoudelijke gronden bij het hof vooringenomenheid te vermoeden.

3.7

De omstandigheid dat de aanhoudingsverzoeken van [verzoeker] van 4 mei 2018 en 25 mei 2018 niet door de verweerders zijn gehonoreerd, levert niet een zwaarwegende aanwijzing als hiervoor bedoeld op. De wrakingskamer overweegt daartoe dat op grond van artikel 1.4.8 van het Landelijk Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven een verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling dat (zoals in het onderhavige geval) later dan twee weken na de oproeping is gedaan, slechts wordt ingewilligd indien er naar het oordeel van het hof sprake is van een klemmende reden die voldoende aannemelijk is gemaakt. Het latere uitstelverzoek dient daarbij de klemmende reden te vermelden, alsmede of alle belanghebbenden instemmen met het uitstel. Dat verweerders in de aanhoudingsverzoeken van [verzoeker] geen klemmende reden hebben gezien en de verzoeken om uitstel niet gehonoreerd hebben, zijn geen beslissingen die zodanig onbegrijpelijk zijn dat uit die onbegrijpelijkheid volgt dat aan het nemen van de beslissingen geen ander motief ten grondslag kan liggen dan vooringenomenheid, althans dat die schijn is gewekt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat door de wederpartij ook uitdrukkelijk en gemotiveerd bezwaar was gemaakt tegen inwilliging van de aanhoudingsverzoeken. Ook de beslissing van verweerders de mondelinge behandeling voort te zetten ondanks het feit dat [verzoeker] niet langer werd bijgestaan door een advocaat, terwijl verweerders bekend waren met zijn psychische problemen en hij ter zitting te kennen heeft gegeven het gevoel te hebben dat hem geen andere mogelijkheid werd gelaten dan zonder advocaat ter zitting te verschijnen, getuigt niet van (de schijn van) vooringenomenheid. De wrakingskamer neemt daarbij mede in aanmerking dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling vermeldt dat [verzoeker] op enig moment expliciet gevraagd is of hetgeen hij naar voren had gebracht beschouwd moest worden als een nieuw aanhoudingsverzoek, waarop [verzoeker] heeft geantwoord dat hij de zitting door wilde laten gaan. Voor de stelling van [verzoeker] dat hij zich onder druk gezet voelde om de zitting door te laten gaan kunnen in het proces-verbaal geen aanknopingspunten worden gevonden. Voor zover [verzoeker] voorts heeft aangevoerd dat de mondelinge behandeling 'rommelig' is verlopen, levert dit - wat daar verder ook van zij - geen zwaarwegende aanwijzingen op voor het oordeel dat verweerders jegens hem een vooringenomenheid koesterden, althans dat de daartoe bestaande vrees van [verzoeker] objectief gerechtvaardigd is. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat [verzoeker] tijdens de zitting zoveel mogelijk gehouden is aan en gewezen is op de (in artikel 1.4.3 van het procesreglement bepaalde) spreektijd van tien minuten.

3.8

Gelet op het vorenoverwogene dient het verzoek tot wraking te worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof (wrakingskamer):

laat het verzoek van [verzoeker] tot wraking van de wrakingskamer buiten behandeling;

wijst het verzoek tot wraking van mrs. A.W. Beversluis, M.A.F. Holtvluwer-Veenstra en J.L. Roubos af.

Deze beslissing is gegeven door mr. A. van Holten, mr. P.W.J. Sekeris en mr. O.E. Mulder, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op vrijdag 26 oktober 2018.