Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9481

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-10-2018
Datum publicatie
01-11-2018
Zaaknummer
200.199.870/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussentijd hoger beroep; motiveringplicht op grond van artikel 476a en b Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.199.870/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/143399 / HA ZA 15-247)

arrest van 30 oktober 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant, in eerste aanleg gedaagde ,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. W.H.R. van Boetzelaer, kantoorhoudend te Heerenveen,

tegen

[...] van der Meulen Beheer B.V.,

gevestigd te [B] ,

geïntimeerde, in eerste aanleg eiseres,

hierna: Van der Meulen Beheer,

advocaat: mr. C. Grondsma, kantoorhoudend te Leeuwarden.

Het hof verwijst naar het tussenarrest van 23 januari 2018.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 23 januari 2018 hier over. In dat arrest is een comparitie van partijen bepaald, die heeft plaatsgevonden op 15 juni 2018. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt. Na afloop van de comparitie is de zaak aangehouden voor overleg van partijen over een schikking. Partijen hebben vervolgens weer arrest gevraagd.

1.2

Mr. Van Boetzelaer heeft bij brief van 27 juli 2018 opmerkingen gemaakt over het proces-verbaal van de zitting. Namens mr. Grondsma is bij brief van 31 juli 2018 op die brief gereageerd. Het hof zal daarop ingaan voor zover dat voor de beslissing relevant is.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.

2.2

Van der Meulen Beheer en Rijpma Beheer B.V. waren tot eind 2013 beiden aandeelhouder en bestuurder van De Mȃr Groep B.V. Van der Meulen Beheer B.V. was voor 49,66% aandeelhouder, J. Rijpma Beheer B.V. voor 50,34%. De heer [C] is enig aandeelhouder en bestuurder van Van der Meulen Beheer. [appellant] is enig aandeelhouder en bestuurder van J. Rijpma Beheer B.V. (hierna: Rijpma Beheer).

2.3

Bij akte van geldlening van 25 maart 2011 heeft Rijpma Beheer een bedrag van
€ 720.000,- aan [appellant] geleend, bedoeld voor de aankoop van zijn woonhuis. De betreffende vordering is in de jaarrekening van Rijpma Beheer over het jaar 2013 opgenomen voor een bedrag van € 764.046,-. Per 17 juli 2014 bedroeg deze vordering nog steeds € 764.046,-.

2.4

Van der Meulen Beheer heeft op enig moment in 2013 haar aandelen in De Mȃr Groep B.V aan Rijpma Beheer verkocht. Tussen Van der Meulen Beheer B.V. en Rijpma Beheer is naar aanleiding daarvan een procedure gevoerd bij de rechtbank Noord-Nederland over - kort gezegd - de uitleg van de betreffende koopovereenkomst en de leveringsakte met betrekking tot de aandelen en de hieruit voortvloeiende betalingsverplichtingen van Rijpma Beheer jegens Van der Meulen Beheer. Die procedure heeft geleid tot een vonnis van 15 april 2015, waarbij Rijpma Beheer B.V. onder meer is veroordeeld om aan Van der Meulen te betalen 4% rente over een bedrag van € 500.000,- over 2014, te vermeerderen met rente en tot betaling van een bedrag van € 200.000,-, te vermeerderen met rente.

2.5

Het vonnis van april 2015 is op 24 april 2015 betekend aan Rijpma Beheer en op
7 mei 2015 (over)betekend aan [appellant] .

2.6

Rijpma Beheer B.V. heeft tegen het vonnis van 15 april 2015 hoger beroep ingesteld. Dat heeft geleid tot een arrest van dit hof (ECLI:NL:GHARL:2016:4652 ), waarbij Rijpma Beheer B.V. - onder meer - is veroordeeld tot betaling aan Van der Meulen Beheer van een bedrag van € 500.000,-, vermeerderd met 4% rente per jaar vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van voldoening, waarop in mindering strekken de betalingen op 20 februari 2014 van
€ 25.000,- en de betaling op 20 juni 2014 van € 15.000,- (overeenkomstig de regels van artikel 6:44 BW) en tot betaling van aan Van der Meulen Beheer van een bedrag van
€ 200.000,- te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 19 juli 2014 tot aan de dag der voldoening.

2.7

Hangende de procedure bij de rechtbank heeft Van der Meulen Beheer na daartoe verkregen verlof op 25 juli 2014 ten laste van Rijpma Beheer conservatoir derdenbeslag gelegd onder [appellant] .

2.8

[appellant] heeft naar aanleiding van dat beslag op 19 augustus 2014 een ‘verklaring derdenbeslag’ afgelegd. Deze verklaring houdt in:

Aan de schuldenaar zijn de volgende geldswaardige papieren of stukken verschuldigd:

1. € 14.000,- uit hoofde van leningsovereenkomst, rentevoet 3,5%, aflossing in jaarlijkse termijnen van € 2.800,- (januari 2015-januari 2019).
2. rekening-courant verhouding € 41.320,00.”

2.9

Bij brief van 19 januari 2016 heeft de advocaat van Van der Meulen Beheer aan Rijpma Beheer en [appellant] medegedeeld:

In uw hoedanigheid van directeur van de hierboven genoemde vennootschap en als natuurlijk persoon, zeg ik hierbij op grond van artikel 477 lid 4 Rv de geldlening van € 764.046,64 op voor zover dat noodzakelijk is. Mijn primaire standpunt is dat deze vordering reeds opeisbaar was, en bovendien de regeling waarin de vordering niet opeisbaar is gemaakt, reeds is vernietigd wegens paulianeus handelen bij brief van 22 januari 2015 (bijlage)”.

2.10

Bij brief van 31 mei 2018 heeft de advocaat van Van der Meulen Beheer aan Rijpma Beheer, Frieba Holding B.V. en [appellant] onder meer het volgende medegedeeld:

(…) Uit de jaarrekening van 2013 van J. Rijpma Beheer B.V. volgt een lening van J. Rijpma Beheer aan u van € 764.046,-. Door u is erkend dat u een overeenkomst tot geldlening bent aangegaan met J. Rijpma Beheer B.V. U heeft echter in de conclusie van antwoord in de executieprocedure gesteld dat deze lening met medewerking van alle betrokken partijen middels een daartoe bestemde akte zou zijn overgedragen. U heeft van deze lening geen melding gemaakt in de derdenverklaring die u moest afleggen in het kader van het conservatoire derdenbeslag dat onder u was gelegd. Vervolgens heeft u steeds geweigerd aan te geven aan welke partij u en J. Rijpma Beheer B.V. de lening aan u in privé zouden hebben overgedragen. (…) Essentiële informatie werd mijn cliënte ten onrechte onthouden, doordat u, in al uw hoedanigheden, verzuimd heeft tijdig uw jaarrekeningen te deponeren.(…) Uiteindelijk zijn er (…) jaarrekeningen gepubliceerd, waaronder die van Frieba Holding B.V. over de jaren 2014 en 2015.(…)

Uit de jaarrekening van Frieba Holding B.V. van 2014 blijkt een lening aan haar bestuurder van € 772.430,-. U bent als natuurlijk persoon enig bestuurder van Frieba Holding B.V. Uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat Frieba Holding B.V. tot 11 augustus 2017 Tronic Holding heette. Tronic Holding is opgericht op 1 juli 2014, ongeveer 2 weken voor de overdracht van de lening en het opeisbaar worden van de gedeelte van de vordering van mijn cliënte.

Dit alles betekent dat u, de heer [appellant] als bestuurder van Rijpma Beheer B.V. de vordering die J. Rijpma Beheer B.V. op u heeft, heeft overgedragen aan Tronic Holding B.V., die eveneens door u werd vertegenwoordigd. (…)”.

3. Het geschil en de beslissing in eerste aanleg en de beoordeling in hoger beroep

3.1.

[C] heeft in eerste aanleg kort gezegd gevorderd [appellant] te veroordelen om aan de deurwaarder af te dragen de gelden waarvan hij bij de derdenverklaring van
19 augustus 2014 heeft verklaard dat hij die aan Rijpma Beheer is verschuldigd, althans vervangende schadevergoeding indien hij daarmee in gebreke blijft (de afdrachtprocedure) en [appellant] te gelasten een schriftelijke en ondertekende verklaring af te geven als bedoeld in artikel 476a Rv, onderbouwd en gestaafd door bescheiden, aangaande de goederen die door het beslag van 25 juli 2014 zijn getroffen en [appellant] te veroordelen tot afdracht en de overdracht bedoeld in artikel 477 Rv van ook het meerdere van de geldsommen en goederen, dan tot het beloop van het bedrag dat Van der Meulen Beheer van Rijpma Beheer heeft te vorderen, bij gebreke waarvan hij schadevergoeding verschuldigd zal zijn (de betwistingsprocedure), met kostenveroordeling van [appellant] .

3.2.

[C] heeft in de betwistingsprocedure aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij de verklaring derdenbeslag van [appellant] van 19 augustus 2014 in twijfel trekt, omdat daarop de schuld uit de geldlening van [appellant] aan Rijpma Beheer, die nog voorkwam in de jaarrekening van Rijpma Beheer over 2013, niet is genoemd.

3.3

[appellant] heeft zich samengevat op het standpunt gesteld dat zijn verklaring wel juist is, omdat de vordering van Rijpma Beheer op hem op de voet van artikel 6:159 BW aan een derde is overgedragen door middel van een daartoe strekkende akte.

3.4

De rechtbank heeft in het bestreden tussenvonnis van 18 mei 2016, waartegen op grond van het vonnis van 13 juli 2018 tussentijds hoger beroep kon worden ingesteld, in rechtsoverweging 4.7.3 geoordeeld dat de bewijslast dat Rijpma Beheer – in weerwil van de verklaring van [appellant] – een vordering op [appellant] heeft uit hoofde van de geldlening op [C] rust. De rechtbank heeft verder overwogen dat [appellant] echter wel ingevolge de artikel 476a en 476b Rv zijn verklaring zoveel mogelijk met bescheiden en gegevens moet staven, welke artikelen een verzwaarde motiveringplicht voor [appellant] meebrengen.

3.5

De rechtbank overwoog vervolgens: “Gelet op de omstandigheid dat door [appellant] erkend wordt dat hij met Rijpma Beheer de onderhavige overeenkomst van geldlening is aangegaan maar hij zich ook op het standpunt stelt dat (onder meer) deze overeenkomst van geldlening op de voet van artikel 6:159 BW is overgedragen aan een derde, ligt het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [appellant] om dit te staven door overlegging van de desbetreffende akte. De rechtbank zal [appellant] in de gelegenheid stellen dit stuk bij akte in het geding te brengen. Van der Meulen Beheer zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om hierop bij antwoordakte te reageren. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft de advocaat van [appellant] aangegeven dat hij niet weet of hij stukken in het geding kan brengen. De rechtbank merkt daarover reeds thans op dat de gevolgen van het niet voldoen aan de verzwaarde motiveringsplicht, voor rekening en risico van [appellant] zal komen”.

3.6

De grief van [appellant] is gericht tegen deze overweging van de rechtbank. De grief strekt ertoe dat [appellant] met het in het geding brengen van een geschoonde versie van de akte (zonder de naam van de overnemende partij) en een verklaring van de notaris over deze geschoonde akte aan zijn motiveringsplicht heeft voldaan.

3.7

Het hof overweegt hierover als volgt. Voor zover [appellant] erover klaagt dat de rechtbank de mogelijkheden van [appellant] om aan zijn motiveringsplicht te voldoen te beperkt heeft opgevat, gaat hij eraan voorbij dat de rechtbank ten tijde van het vonnis van

18 mei 2018 nog niet beschikte over de eerst na dat vonnis en ook in hoger beroep overgelegde ‘geschoonde’ akte en de verklaring van de notaris daarover waarop [appellant] zich thans beroept. Voor zover de klacht inhoudt dat [appellant] enkel met het overleggen van de akte van contractsoverneming aan zijn motiveringsplicht kan voldoen, is de klacht terecht.

3.8

De geschoonde akte betreft volgens [appellant] de op 17 juli 2014 aangegane overeenkomst, waarbij de vordering van Rijpma Beheer op [appellant] is overgedragen. In artikel 4 van die de akte is volgens [appellant] opgenomen (tussen haakjes is in de geschoonde akte blanco, hof):

4.1

Rijpma Beheer en () komen hierbij overeen dat Rijpma Beheer aan ()

overdraagt al zijn rechten uit hoofde van een hypothecaire geldlening met de heer
[appellant] en mevrouw [D] ter grootte van € 764.046,- {zegge:

zevenhonderdvierenzestigduizend en zesenveertig euro), welke overeenkomst is vastgelegd

in de akte die aangehecht is aan deze overeenkomst als bijlage 2. () verklaart

hierbij de rechtspositie van Rijpma Beheer onder deze overeenkomst over te nemen

(contractovername als bedoeld in artikel 6:159 BW).

4.2

De heer [appellant] alsmede mevrouw [D] hebben verklaard geen bezwaar

te hebben indien () in de plaats treedt van Rijpma Beheer. De heer [appellant] en

mevrouw [D] zullen beiden deze overeenkomst voor akkoord

ondertekenen ten bewijze dat zij instemmen met overgang van de rechten uit deze

overeenkomst van Rijpma Beheer aan ()

4.3

Partijen komen overeen dat deze rechten zullen worden verrekend met de in artikel i

genoemde koopprijs.

Notaris P. de Boer heeft over deze geschoonde akte verklaard:

"Ondergetekende, mr. Pieter de Boer, notaris in de Gemeente Heerenveen, verklaart:

dat de tekst van dit uittreksel geheel afkomstig is van het origineel en dat de tekst van dit

uittreksel inhoudelijk een volledige en juiste weergave is van de tekst zoals die is vermeld in het origineel;

dat de verwijderde gegevens van de partij die als wederpartij van J. Rijpma Beheer B. V. in de tekst optreedt blijkens zijn verificatie van het handelsregister een bestaande vennootschap is die juist is vertegenwoordigd."

3.9

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] , nu hij de geschoonde akte en de verklaring van notaris De Boer daarover in het geding heeft gebracht aan zijn uit de artikelen 476a en 476b Rv voortvloeiende motiveringsplicht voldaan. Uit de brief van de advocaat van [C] van 31 mei 2018 leidt het hof af dat het voor [C] ondertussen duidelijk is aan wie de vordering is overgedragen. Ook al zou [C] daarover slechts een vermoeden hebben, zoals ter comparitie bij het hof is aangevoerd, dan brengt dat niet mee dat [appellant] niet aan zijn motiveringsplicht heeft voldaan.

3.10

De stelling van Van der Meulen Beheer dat haar beroep op vernietiging van de contractsoverneming vanwege het paulianeuze karakter daarvan de verklaring van [appellant] van 19 augustus 2014 alsnog onjuist maakt, doet aan het voorgaande evenmin af. De vraag of de contractsoverneming op die grond rechtsgeldig is vernietigd, zoals door de advocaat van Van der Meulen Beheer ter comparitie is bevestigd, ligt in dit hoger beroep niet voor, wat er overigens ook zij van die stelling en de gevolgen die dat zou hebben voor de verklaring van [appellant] .

3.11

Het voorgaande brengt mee dat het hof het tussenvonnis van de rechtbank zal vernietigen, voor zover onderworpen aan hoger beroep en de zaak zal terugverwijzen naar de rechtbank, zodat deze met inachtneming van dit arrest verder kan worden afgedaan. Het is niet doelmatig dat het hof de zaak aan zich houdt, gezien de beperkte omvang van dit hoger beroep. Bovendien hebben partijen daarom ook niet verzocht.

3.12

Naast vernietiging van het vonnis heeft [appellant] in hoger beroep een verklaring voor recht gevorderd, in diverse varianten. Dat heeft hij in eerste aanleg niet gedaan. De verklaring voor recht is als een eis in reconventie te beschouwen en die kan niet voor het eerst in hoger beroep worden ingesteld. [appellant] is in zoverre niet-ontvankelijk in die vorderingen en die kunnen om die reden niet worden toegewezen.

3.13

Het hof ziet aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij geacht wordt de eigen kosten te dragen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat niet valt in te zien waarom [appellant] de geschoonde akte en de verklaring van de notaris niet bij akte na het bestreden tussenvonnis in het geding heeft gebracht en in plaats daarvan hoger beroep tegen dat tussenvonnis heeft ingesteld.

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het tussenvonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van

18 mei 2018, voor zover aan dit hoger beroep onderworpen;

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij geacht wordt de eigen kosten te dragen;

verwijst de zaak naar de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, in de stand van het geding waarin dat zich bevindt om met inachtneming van dit arrest te worden afgedaan;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Smit, mr. R.E. Weening en mr. A.W. Jongbloed en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

30 oktober 2018.