Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9375

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-09-2018
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
21-001265-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling. Het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit zou hebben gepleegd, is enkel gebaseerd op de positieve herkenning door het slachtoffer. In casu acht het hof de wijze van totstandkoming van deze herkenning onvoldoende betrouwbaar. Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001265-17

Uitspraak d.d.: 21 september 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 7 maart 2017 met parketnummer 16-247266-16 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en het vrijspreken van verdachte voor het ten laste gelegde feit. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. H. de Kroon, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte ter zake van mishandeling veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarvan 50 uren subsidiair

25 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast heeft de politierechter de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij volledig toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 24 september 2016 te [plaats], gemeente [gemeente], [benadeelde] heeft mishandeld door hem in het gezicht te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten twee afgebroken tanden, ten gevolge heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof het volgende.

Op 24 september 2016 bevond [benadeelde] zich samen met een aantal vrienden in "[bedrijf]" te [plaats] toen hij plotseling een vuistslag in zijn gezicht kreeg van een manspersoon. Destijds heeft aangever tegenover de politie verklaard dat hij de man die hem heeft geslagen niet kende. Tijdens het politieonderzoek werd de naam van verdachte genoemd. Zowel [getuige 1] als [getuige 2] zouden hebben aangegeven - zo blijkt uit de processen-verbaal van bevindingen van 6 december 2016 - dat verdachte degene is geweest die zich aan de mishandeling zou hebben schuldig gemaakt. Aan de hand van de naam van verdachte heeft [benadeelde] verdachte via Facebook opgezocht. Toen hij de profielfoto zag, herkende hij verdachte als de man die hem heeft mishandeld. Verdachte ontkent bij de mishandeling betrokken te zijn geweest.

[getuige 1] en [getuige 2] zijn door de raadsheer-commissaris als getuige gehoord. Zowel [getuige 1] als [getuige 2] stellen verdachte niet te kennen en hebben de naam van verdachte enkel gehoord van bezoekers van "[bedrijf]". Dit brengt mee dat het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, nog enkel is gebaseerd op de positieve herkenning door het slachtoffer. Het hof overweegt dat behoedzaam dient te worden omgegaan met deze herkenning. Bij het hof bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de oprechtheid van het slachtoffer, echter bij de beoordeling van het bewijs is van doorslaggevend belang of deze herkenning voldoende betrouwbaar is. Hierbij is de aard van de fotoconfrontatie, alsmede de kwaliteit van de afbeelding en de mate van zichtbaarheid van persoonskenmerken op die afbeelding van belang. Daarnaast is ook van belang onder welke omstandigheden en met welke frequentie de waarnemer de door hem herkende persoon eerder heeft gezien.

Het hof overweegt dat de herkenning door het slachtoffer van verdachte aan de hand van een enkelvoudige fotoconfrontatie heeft plaatsgevonden, hij herkende verdachte immers op zijn profielfoto op Facebook. Dit betreft naar zijn aard een herkenning die heeft plaatsgevonden onder omstandigheden waarbij de drang om de persoon die hem heeft mishandeld te herkennen groter is, dan bij een meervoudige fotoconfrontatie.

Daarnaast draagt de persoon op de profielfoto een petje, alsook de persoon op de camerabeelden die aangever mishandelde. Dit belemmert het waarnemen en vergelijken van specifieke onderscheidende persoonskenmerken, wat des te zwaarder weegt nu aangever verdachte, voor het incident van die avond, niet eerder had gezien.

De wijze van totstandkoming van de herkenning door aangever acht het hof, gezien vorenstaande, onvoldoende betrouwbaar.

Dit geldt temeer nu de eigen waarneming van het hof aangaande de gelijkenissen tussen het uiterlijk van verdachte op de op Facebook aangetroffen profielfoto en het uiterlijk van de persoon die aangever mishandeld heeft zoals te zien op de beelden welke zich in het dossier bevinden, niet onomstotelijk tot de conclusie leidt dat dit dezelfde persoon is.

Derhalve is met onvoldoende zekerheid vast te stellen dat verdachte de persoon was die aangever die avond heeft mishandeld.

Nu andere bewijsmiddelen ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte ontbreken, dient de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs te worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 9.394,11. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft de vordering in de procedure in hoger beroep gehandhaafd.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. H.L. Stuiver, voorzitter,

mr. T.H. Bosma en mr. W.L.J.M. Duijst-Heesters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.J. Samplonius, griffier,

en op 21 september 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. W.L.J.M. Duijst-Heesters is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.