Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9341

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-10-2018
Datum publicatie
07-11-2018
Zaaknummer
WAHV 200.241.509
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is het beroepschrift tijdig ingediend? Artikel 6:9 Awb. Hoewel het beroepschrift binnen een week na afloop van de beroepstermijn is ontvangen, dient het beroepschrift tijdig ter post te zijn bezorgd. Daarbij is bepalend de datering van het beroepschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2019/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.241.509

25 oktober 2018

CJIB 204231894

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant

van 1 mei 2018

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie juist heeft beslist.

2. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd.

3. De inleidende beschikking is op 17 januari 2017 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 28 februari 2017. Uit de stukken blijkt dat de CVOM in verband met het administratief beroep - voor zover hier van belang - een tweetal brieven van de betrokkene heeft ontvangen. Dit betreft een brief van 1 maart 2017 waarin wordt geïnformeerd naar het uitblijven van een reactie op een brief van 17 februari 2017, met als bijlage de desbetreffende brief van 17 februari 2017 in kopie. In de laatste brief wordt aangegeven dat de betrokkene beroep aantekent tegen de initiële beschikking. Uit een stempel blijkt dat beide brieven op 2 maart 2017 door de CVOM zijn ontvangen.

4. De betrokkene voert in haar beroepschrift aan dat zij wel tijdig beroep heeft ingesteld. De brief van 17 februari 2017 betreft het beroepschrift en de datum van deze brief valt (ruim) binnen de beroepstermijn, aldus de betrokkene.

5. Uit het dossier blijkt niet dat het beroepschrift van 17 februari 2017, anders dan als bijlage bij de brief van 1 maart 2017, is ontvangen. Als een beroepschrift per gewone post wordt verstuurd, is er geen verzendbewijs. Dat risico ligt bij de verzender. Als er geen beroepschrift is ontvangen, zal de verzender op een andere manier moeten aantonen dat het beroepschrift op tijd is verzonden. De betrokkene heeft dat niet gedaan. Alleen een

kopie meesturen van de brief die zou zijn verstuurd, is daarvoor onvoldoende. De brief

van 1 maart 2017 heeft daarom als beroepschrift te gelden in deze zaak en deze is op

2 maart 2017 ontvangen.

6. De advocaat-generaal stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de beslissing van de kantonrechter en de officier van justitie dienen te worden vernietigd aangezien het beroep tegen de inleidende beschikking tijdig is ingesteld. Daartoe voert

de advocaat-generaal aan dat op grond van het in artikel 6:9, (het hof leest: tweede lid),

van de Awb bepaalde het beroepschrift tijdig is ingediend omdat dit binnen de beroepstermijn is gedateerd, in dit geval 17 februari 2017, en binnen een week na afloop

van de beroepstermijn is ontvangen.

7. Het hof volgt het standpunt van de advocaat-generaal niet. Hiervoor is reeds overwogen dat eerst bij brief van 1 maart 2017, ingekomen op 2 maart 2017, beroep is ingesteld. Het beroepschrift is derhalve van een datum die is gelegen na het verstrijken van de beroepstermijn, zodat het beroep tegen de inleidende beschikking niet tijdig is ingesteld. Voor zover de advocaat-generaal heeft bedoeld te stellen dat het beroepschrift tijdig is ingediend omdat het binnen de beroepstermijn is gedateerd en binnen een week na afloop van de beroepstermijn is ontvangen, berust dit op een verkeerde uitleg van het in artikel 6:9, tweede lid, Abw bepaalde. Deze bepaling veronderstelt immers dat het beroepschrift tijdig ter post is bezorgd en dat betekent dat er zich situaties kunnen voordoen waarin een betrokkene bij gebreke van voldoende informatie het voordeel van de twijfel wordt gegund. Een dergelijke situatie doet zich hier echter niet voor.

8. Er is in het onderhavige geval niet gebleken van feiten of omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. De officier van justitie en de kantonrechter hebben dan ook juist beslist. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Het hof kan de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie daarom niet behandelen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.