Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9287

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-10-2018
Datum publicatie
01-11-2018
Zaaknummer
200.226.690
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Waiver zaak. Verklaring voor recht toegewezen. Ontvankelijkheid appelgrens. Geen buitengerechtelijke kosten verschuldigd aan geïntimeerde. Niet aan dubbele redelijkheidstoets voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.226.690

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 3275213)

arrest van 23 oktober 2018

in de zaak van


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,
in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
29 april 2015 en 17 februari 2016, die de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 8 maart 2016,

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord, met producties.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Tussen Dexia (rechtsopvolgster van (onder meer) Bank Labouchere N.V. en Legio-Lease B.V.) en [geïntimeerde] zijn de onderstaande vier effectenleaseovereenkomsten tot stand gekomen.

Nr.

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Totale leasesom

I

[contractnummer 1]

25-09-1997

Click-Leasen

84 mnd

€ 3.787,27

II

[contractnummer 2]

07-03-1998

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

€ 3.904,16

III

[contractnummer 3]

02-06-2000

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

€ 4.734,96

IV

[contractnummer 4]

20-11-2000

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

€ 4.785,36

3.2

Dexia heeft met betrekking tot de effectenleaseovereenkomsten eindafrekeningen opgesteld met de onderstaande resultaten.

Nr.

Contractnr.

Datum eindafrekening

Resultaat

I

[contractnummer 1]

27-09-2004

€ 1.651,99

II

[contractnummer 2]

06-03-2001

€ 470,68

III

[contractnummer 3]

16-02-2005

- € 1.456,89

IV

[contractnummer 4]

16-02-2005

- € 2.624,69

3.3

[geïntimeerde] heeft op grond van de overeenkomsten in totaal een bedrag van € 5.033,74 aan maandtermijnen en een bedrag van € 4.081,58 aan restschuld aan Dexia betaald. [geïntimeerde] heeft in totaal een bedrag van € 290,76 aan dividenden ontvangen.

3.4

Op 25 januari 2007 heeft het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2007:
AZ7033) de zogeheten “Duisenberg-regeling” voor aandelenleaseproducten algemeen verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade. [geïntimeerde] heeft door middel van een “opt-out” verklaring aangegeven niet aan deze regeling gebonden te willen zijn.

3.5

Bij brief van 16 november 2007 heeft Leaseproces B.V. (hierna: Leaseproces) aan [geïntimeerde] een offerte versterkt ter zake het verlenen van rechtsbijstand. Tussen Leaseproces en [geïntimeerde] is vervolgens een overeenkomst tot stand gekomen. Uit de offerte blijkt dat [geïntimeerde] een bedrag van € 150,- en een percentage over het eventuele behaalde resultaat aan Leaseproces dient te voldoen ook in geval met Dexia een schikking wordt getroffen. [geïntimeerde] heeft voorts een bedrag van € 1.024,96 aan kosten aan Leaseproces voldaan.

3.6

Bij brief van 3 december 2007 heeft Leaseproces namens [geïntimeerde] aan Dexia bericht dat zij de overeenkomsten vernietigt, althans ontbindt en is Dexia gesommeerd om binnen twee weken alle door [geïntimeerde] betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente, terug te betalen, alsmede BKR te Tiel op de hoogte te stellen van de vernietiging van de overeenkomsten.

3.7

In zijn arresten van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837) en 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH2815) heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over de rechtsregels en beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken als de onderhavige. Op 1 december 2009 heeft het Gerechtshof Amsterdam in een viertal arresten (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983) de uitspraak van de Hoge Raad uitgewerkt in het zogenaamde “hofmodel”. In zijn arrest van 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven.

3.8

Bij brief van 9 oktober 2009 heeft Leaseproces namens [geïntimeerde] Dexia bericht dat [geïntimeerde] zijn vordering op Dexia onverkort handhaaft.
3.9 Bij brief van 21 december 2011 heeft Dexia aan [geïntimeerde] meegedeeld te zullen overgaan tot betaling aan hem van een schadevergoeding berekend aan de hand van het hiervoor bedoelde hofmodel. Bij de berekening van de omvang van de schade is Dexia ervan uitgegaan dat het aangaan van de effectenleaseovereenkomst voor [geïntimeerde] destijds geen onaanvaardbaar zware financiële last vormde als bedoeld in de jurisprudentie, zodat geen (gedeeltelijke) vergoeding aan [geïntimeerde] van de door hem destijds betaalde inleg heeft plaatsgevonden. Uitsluitend een gedeelte van de restschuld, zijnde een bedrag van
€ 3.683,70, inclusief wettelijke rente tot en met 31 december 2011, is op of omstreeks
18 januari 2012 aan [geïntimeerde] vergoed.

3.10

Bij brief van 23 januari 2012 heeft Leaseproces namens [geïntimeerde] aan Dexia bericht dat [geïntimeerde] zich zijn rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voorbehoudt.

3.11

De gemachtigde van Dexia heeft bij brief van 28 maart 2014 [geïntimeerde] de mogelijkheid geboden aan te tonen dat hij nog recht zou hebben op schadevergoeding. Indien [geïntimeerde] zou menen geen recht meer te hebben op enige schadevergoeding, kon hij de bijgevoegde “waiver” ondertekenen en retourneren. [geïntimeerde] heeft de waiver niet ondertekend en geretourneerd.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Dexia heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd een verklaring voor recht dat Dexia ten aanzien van de gesloten overeenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

4.2

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 29 april 2015 geoordeeld dat, behoudens een vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten en de eventuele wettelijke rente, geen bedrag aan schadevergoeding door Dexia aan [geïntimeerde] behoeft te worden betaald. De kantonrechter stelt de vergoeding aan buitengerechtelijke kosten vast op 70% van het door [geïntimeerde] aan Leaseproces verschuldigde bedrag. De kantonrechter heeft [geïntimeerde] vervolgens de gelegenheid geboden zich bij akte uit te laten over de door hem aan Leaseproces verschuldigde kosten, met daaropvolgend een antwoordakte aan de zijde van Dexia.

4.3

Bij akte uitlating na tussenvonnis heeft [geïntimeerde] gesteld dat hij aan Leaseproces een bedrag van € 1.024,96 heeft betaald voor de door Leaseproces verrichtte buitengerechtelijke werkzaamheden. Dexia heeft bij antwoordakte de vordering van [geïntimeerde] bestreden.

4.4

Bij vonnis van 17 februari 2016 heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [geïntimeerde] gesloten effectenleaseovereenkomsten nog
€ 724,72 aan [geïntimeerde] dient te voldoen en daarmee aan al haar verplichtingen jegens hem voldaan heeft, zodat zij hem na betaling van dit bedrag ten aanzien van de overeenkomsten niets meer verschuldigd is. Het bedrag van € 724,72 bestaat uit 70% van de door [geïntimeerde] gemaakte kosten, zijnde een bedrag van € 717,47 en een bedrag van € 7,25 aan wettelijke rente. De kantonrechter heeft de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

ontvankelijkheid van het hoger beroep

5.1

Het hof zal zich eerst uitlaten over de door [geïntimeerde] opgeworpen vraag of Dexia ontvankelijk is in haar appel, nu haar vordering volgens [geïntimeerde] ruim onder de appelgrens blijft. Artikel 332 lid 1 Rv bepaalt dat partijen van een in eerste aanleg gewezen vonnis in hoger beroep kunnen komen, tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,- of, in geval van een vordering van onbepaalde waarde, er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1.750,-. Daaruit volgt dat voor de vatbaarheid van een uitspraak voor een hogere voorziening niet beslissend is het bedrag waartoe de strijd in de appelinstantie wordt beperkt, maar de vordering waarover in de vorige aanleg uitspraak is gedaan. Dexia heeft in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat zij niets verschuldigd is aan [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd, inhoudend dat Dexia hem juist alle uit hoofde van de overeenkomsten betaalde bedragen met rente moet vergoeden, wat neer komt op een bedrag van meer dan € 1.750,-. Het gaat derhalve om een vordering van onbepaalde waarde waarbij er geen aanwijzingen zijn dat de vordering van Dexia een lagere waarde vertegenwoordigde dan € 1.750,-. Daarmee is het vonnis van de kantonrechter voor hoger beroep vatbaar en is Dexia ontvankelijk.
inhoud grieven

5.2

Dexia heeft een grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij een bedrag van € 724,72 aan buitengerechtelijke kosten aan [geïntimeerde] verschuldigd is. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg aanspraak gemaakt op buitengerechtelijke kosten en betoogd dat Dexia hem wel buitengerechtelijk een deel van zijn schade vergoedde, maar niet alle, en dat hij kosten maakte om Dexia zover te krijgen dat zij wel zijn schade vergoedde. Dexia heeft ook in hoger beroep betoogd dat [geïntimeerde] geen buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt en dat er geen buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht.

buitengerechtelijke kosten

5.3

De grondslag voor de vergoeding van buitengerechtelijke kosten ligt besloten in artikel 6:96 lid 2 BW (geldend van 1 januari 2002 tot 1 juli 2012). Uit dit artikel volgt dat redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (sub b) en ter verkrijging van voldoening buiten rechte (sub c) als vergoedbare schade worden aangemerkt. Voor vergoeding van deze kosten is vereist dat op de partij van wie deze vergoeding wordt gevraagd een wettelijke verplichting tot schadevergoeding rust. Daarnaast dienen de kosten de dubbele redelijkheidstoets te doorstaan: het maken van de kosten moet redelijkerwijze verantwoord zijn en de omvang van de kosten moet redelijk zijn. De vraag in hoeverre de kosten die zijn gemaakt voor vergoeding in aanmerking komen, dient te worden beantwoord aan de hand van de maatstaf van artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b en c, BW met in achtneming van alle omstandigheden.

5.4

Tussen partijen is niet in geschil dat op Dexia een wettelijke verplichting tot schadevergoeding rust. Uit het vonnis van de kantonrechter is gebleken dat [geïntimeerde] geen aanspraak heeft op een hogere vergoeding dan de door Dexia betaalde vergoeding. Dit oordeel staat in hoger beroep niet ter discussie. Thans dient de vraag te worden beantwoord of [geïntimeerde] aanspraak heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Kosten ter verkrijging van voldoening van een vordering buiten rechte zijn aan te merken als vermogensschade en komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Voor de toewijzing van een vordering tot vergoeding van die schade is wel vereist dat aan de dubbele redelijkheidstoets is voldaan. De werkzaamheden waarvan [geïntimeerde] vergoeding heeft gevraagd zijn omschreven onder de conclusie van antwoord onder 73 e.v. en de conclusie van dupliek onder 10 e.v. Het gaat om kosten die zijn gemaakt voor het opvragen van de biljetten van proces, het opstellen en versturen van de opt-out verklaring, de sommatiebrief van
3 december 2007 en de stuitingsbrieven van 2009 en 2012. Ten aanzien van de door [geïntimeerde] gemaakte kosten overweegt het hof dat de algemene strekking van de verstuurde brieven van Leaseproces aan Dexia, waarop de werkzaamheden betrekking hebben gehad, niet de dubbele redelijkheidstoets doorstaan. De betreffende brieven zijn bij een groot aantal afnemers gebruikt, gestandaardiseerd, en eenvoudig tot zeer eenvoudig van aard. De brieven zijn geenszins geïndividualiseerd en toegesneden op de situatie van [geïntimeerde] . Onduidelijk is daardoor of de kosten van het opstellen en verzenden van deze (in het onderhavige geval: vijf) brieven per afnemer in redelijke verhouding staan tot de hoogte van de door de afnemer aan Leaseproces betaalde som voor buitengerechtelijke kosten. Daarbij ontbreekt ook iedere vorm van een op [geïntimeerde] specifiek gericht schikkingsvoorstel of een schikkingspoging. Bij gebreke van aanwezigheid van werkzaamheden die specifiek voor [geïntimeerde] zijn verricht, is dan ook niet aan de dubbele redelijkheidstoets voldaan.

5.5

Het voorstaande brengt mee dat de grief van Dexia op dit punt slaagt. De overige stellingen van Dexia behoeven gelet op het slagen van de grief geen nadere bespreking.

5.6

Het hof zal de vordering van Dexia toewijzen. Vast staat echter dat de kantonrechter Dexia heeft veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 7,25 aan wettelijke rente over de door Dexia reeds betaalde vergoeding. Daartegen is niet gegriefd, zodat dit oordeel in stand blijft.

6 De slotsom

6.1

Het voorgaande voert tot de slotsom dat thans is komen vast te staan dat Dexia in onderhavig geval geen buitengerechtelijke kosten aan [geïntimeerde] verschuldigd is. De grief slaagt. Het hof zal de vordering van Dexia toewijzen zoals hiervoor onder 5.6 overwogen.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Dexia zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 79,15

- griffierecht € 115,-

totaal verschotten € 194,15

- salaris advocaat € 375,- (2,5 punt)

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Dexia zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 96,01

- griffierecht € 716,-

totaal verschotten € 812,01

- salaris advocaat € 1.074,- (1 punt x tarief II)

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt de vonnissen van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, kantonrechter, zittingsplaats Arnhem, van 29 april 2015 en 17 februari 2016 en doet opnieuw recht;

verklaart voor recht dat Dexia na betaling van een bedrag van € 7,25 ten aanzien van de tussen haar en [geïntimeerde] gesloten overeenkomsten van effectenlease met contractnummers 69006670, 74034874, 74415308 en 29404213 aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is;

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan Dexia van al hetgeen door Dexia op grond van het vonnis 17 februari 2016 aan [geïntimeerde] heeft voldaan, één en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door Dexia tot aan de dag van terugbetaling;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Dexia wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 194,15 voor verschotten en
€ 375,- salaris gemachtigde en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 812,01 voor verschotten en op € 1.074,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.M. Croes, I. Brand en W.C. Haasnoot, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2018.