Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9221

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-10-2018
Datum publicatie
25-10-2018
Zaaknummer
200.188.857/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van aanneming. Bouw van een vaartuig voor de recreatievisserij. Oplever-/garantiegebreken. CE-verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.188.857/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/136453/ HA ZA 14-340)

arrest van 23 oktober 2018

in de zaak van

[appellant] h.o.d.n. Sport Fishing Company,

wonende te [A] ,

appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.C. Klompé, kantoorhoudend te Loosdrecht,

tegen:

[geïntimeerde] h.o.d.n. Coastal Motor Boats,

wonende te [B] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.H. van der Meulen, kantoorhoudend te Joure.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 26 juli 2016, gewezen in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv., hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de memorie van grieven in principaal hoger beroep met producties;

- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens akte uitlating producties;

- het tussenarrest van 16 januari 2018, houdende de bepaling van een comparitie van partijen;
- het H-12 formulier met producties ingediend door mr. Van der Meulen, ingekomen op de griffie op 17 mei 2018;

- het H-16 formulier ingediend door mr. Van der Meulen, ingekomen op de griffie op

23 mei 2018;

- het H-16 formulier ingediend door mr. Van der Meulen, ingekomen op de griffie op

25 mei 2018;

- het proces-verbaal van de op 25 mei 2018 gehouden comparitie van partijen;
- het verzoek van partijen op de rol om in deze zaak arrest te wijzen.

1.3

Vervolgens hebben partijen aanvullend de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald, waarbij het proces-verbaal van de comparitie nog aan de stukken is toegevoegd.

1.4

De vordering van [appellant] in principaal hoger beroep strekt, na vermeerdering van eis, tot gedeeltelijke vernietiging van het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van

23 december 2015 en toewijzing van de vorderingen van [appellant] , met inbegrip van de vermeerderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten.

1.5

De vordering van [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep strekt tot vernietiging van voormeld vonnis en veroordeling van [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van
€ 7.930,56 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 15 april 2014, met veroordeling van [appellant] tot terugbetaling van al hetgeen (teveel) is voldaan ter uitvoering van dat vonnis en tot betaling van de proceskosten in beide instanties.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.13. van het bestreden vonnis. Aangevuld met feiten waar in hoger beroep eveneens kan worden uitgegaan zijn de feiten, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt.

2.1

[appellant] drijft een sportvisbedrijf. [geïntimeerde] houdt zich onder meer bezig met het bouwen van sport- en recreatievaartuigen.

2.2

Tussen [appellant] en [geïntimeerde] is in maart 2012 een overeenkomst tot aanneming van werk gesloten (hierna te noemen: de bouwovereenkomst), waarbij [appellant] aan [geïntimeerde] de opdracht heeft gegeven om voor rekening van [appellant] een vaartuig te bouwen van het merk/type Northern bay 38 Sportfish (hierna te noemen: het vaartuig) conform de aan de bouwovereenkomst gehechte specificatie en tekening. De prijs voor het te bouwen vaartuig bedroeg € 315.350,00 inclusief 19% btw. Ten aanzien van de betaling zijn partijen een betaalschema overeengekomen. In de bouwovereenkomst is onder meer bepaald:

“ZEKERHEIDSTELLING

6. (…) Leverancier zorgt ervoor dat het project d.m.v. administratie

en CE nummer behoort aan de afnemer. (…)

“LEVERTIJD/LEVERING

7. De levertijd van het vaartuig, exclusief bijkomende werkzaamheden, bedraagt 8 maanden ingaande op 2 april 2012. Bij vertraging is hierop een boete van toepassing van € 350 per week, eventueel te

verrekenen met bijkomende werkzaamheden of andere bijkomende zaken.
Vertragingen door leveranciers niet inbegrepen.

GARANTIE
8. Onverminderd de rechten die de afnemer op grond van artikel 5 van de HISWA Algemene Aannemings-, Verkoop en Leveringsvoorwaarden heeft, geldt voor
- het casco en het binnenwerk een garantieperiode van 2 jaren,
- de motor een garantieperiode van 2 jaren,
- osmose romp een garantieperiode van 5 jaren.”

2.3

Op de bouwovereenkomst zijn de HISWA Algemene Aannemings-, Verkoop- en Leveringsvoorwaarden zoals gedeponeerd bij de Rechtbank Amsterdam op 22 oktober 1998 van toepassing verklaard. Artikel 5 van de die HISWA voorwaarden bepaalt onder meer:

“Artikel 5 - DE GARANTIE
1. De leverancier staat ervoor in dat hij een pleziervaartuig of casco, inclusief de overeengekomen uitrustingsstukken en inventaris, levert dat beantwoordt aan de overeenkomst. De leverancier staat er bovendien voor in dat het geleverde de eigenschappen bezit die, alle omstandigheden in aanmerking genomen, voor een normaal gebruik nodig zijn, alsmede voor een bijzonder gebruik voor zover dat is overeengekomen.

2. De leverancier staat er voor in dat de door of namens hem verrichte werkzaamheden beantwoorden aan de overeenkomst en worden uitgevoerd met goed vakmanschap en met gebruikmaking van deugdelijk materiaal.

(…)
4. Onverminderd de overige rechten die hem op grond van de wet toekomen heeft de afnemer recht op kosteloos herstel van gebreken en op vervanging van gebrekkige onderdelen op de werf van de leverancier binnen redelijke tijd. De afnemer kan op kosten van de leverancier een noodzakelijk herstel door een derde laten uitvoeren, voor zover de kosten daarvan redelijk zijn. Voor de vaststelling van die redelijkheid wordt het prijsniveau van de leverancier in aanmerking genomen. De derde die een noodzakelijk herstel kan uitvoeren wordt in overleg met de afnemer door de leverancier aangewezen.
Herstel bij een derde is alleen mogelijk:
— indien de leverancier niet of niet tijdig in staat is het gebrek op zijn eigen werf te herstellen of
— indien sprake is van een wanverhouding tussen de noodzakelijke kosten van transport van het voertuig naar de werf van de leverancier en de kosten van herstel op die werf of
— indien in verband met de omstandigheden van de afnemer niet kan worden verlangd dat hij het herstel op de werf van zijn leverancier laat uitvoeren.”

2.4

De bouw van het vaartuig heeft vertraging opgelopen, waardoor de oorspronkelijk geplande opleveringsdatum van 8 december 2012 (8 maanden na 2 april 2012) niet is gehaald. (Voorlopige) oplevering heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 11 januari 2014 (zie verder ook 2.10).

2.5

Partijen zijn intussen in overleg gegaan over optioneel aan het vaartuig aan te brengen onderdelen en optioneel nog uit te voeren werkzaamheden. Bij e-mailbericht van 30 augustus 2013 heeft [geïntimeerde] twee lijsten gedateerd 28 augustus 2013 aan [appellant] verzonden, waarin de 'optionele onderdelen' en de daarvoor berekende prijzen alsmede de 'optionele werkzaamheden/kosten' zijn beschreven. De meerprijs voor de “optionele onderdelen” is € 14.527,49 excl. btw (incl. 21% btw € 17.578,27) en voor de “optionele werkzaamheden/kosten” € 11.446,46 excl. btw (incl. 21% btw € 13.850,22). In dit e-mailbericht schrijft [geïntimeerde] , voor zover hier van belang:

“Hallo [appellant] ,
(…)
-in de werkzaamheden e.d. lijst heb ik voor al onze werkzaamheden één prijs gemaakt en heb ik er alles, inclusief powercoaten en kussens e.d. in opgenomen. Volgens mij hebben we dan alle extra dingen wat er op en aan moet komen en moet gebeuren in de lijst staan.
Ik weet van een aantal dingen nog niet precies wat het kost, maar die gok neem ik dan maar.
(…)”

2.6

Op 2 september 2013 heeft [appellant] in reactie hierop per e-mail aan [geïntimeerde] bericht:
“ [geïntimeerde] ,
Ik stel voor de stelposten goed in de gaten houden en na afloop nog even doorlopen.
Verder akkoord met de aangepaste opstelling en ik zou willen voorstellen om hier de correctie late oplevering alsmede de betaalde verzekeringskosten betreffende de aanbouw af te trekken.
Verder kun je een nieuw betaalschema opstellen, dit conform ons overleg.”

2.7

Op 12 december 2013 hebben partijen een overeenkomst gesloten ten titel van geldlening. In die overeenkomst (hierna: de geldleenovereenkomst) is vastgelegd dat [appellant] per 20 december 2013 een bedrag van € 20.000,- als lening heeft verstrekt aan [geïntimeerde] . In de geldleenovereenkomst is, voor zover hier van belang, bepaald:

(…)
In aanmerking nemende :
- dat schuldeiser aan schuldenaar op 20 december 2013 een geldlening heeft verstrekt welke een rente draagt van 6% per jaar;
- dat de voorwaarden waaronder de geldlening is verstrekt schriftelijk worden vastgelegd in een overeenkomst van geldlening;

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt :

Artikel 1 Hoofdsom
1.1. Schuldeiser heeft per 20 december 2013 te leen verstrekt aan schuldenaar, die van schuldeiser te leen heeft ontvangen en aan deze schuldig heeft erkend, een geldsom groot € 20.000,- (zegge: twintigduizend euro), hierna genoemd: "de hoofdsom".
Artikel 2. Rente
2.1. Schuldenaar zal aan schuldeiser over de hoofdsom dan wel het pro resto bedrag een rente verschuldigd zijn welk vanaf 20 december 2013 zes procent (6%) per jaar bedraagt.
(…)
Artikel 3. Aflossing
3.1. Op de geldlening dient maandelijks, uiterlijk op de laatste dag van iedere maand, € 1.666,67 (…) te worden afgelost, voor het eerst op of voor 31 januari 2014.

Artikel 4. Directe opeisbaarheid
(…)
4.2. De partij die handelt in strijd met enige bepaling van deze overeenkomst, verbeurt een zonder sommatie of ingebrekestelling direct opeisbare boete van groot € 1.000,- (zegge: duizend euro) per gebeurtenis, (…)
4.3. De voormelde boete wordt vermeerderd met een bedrag van groot € 100,- (zegge: honderd euro) per dag dat de overtreding of tekortkoming voortduurt (…)”

2.8

[appellant] heeft in de periode 2012-2013 diverse betalingen aan [geïntimeerde] gedaan, waaronder laatstelijk een bedrag van € 20.000,- op 13 december 2013 met als omschrijving “deel slotbetaling”. In totaal heeft [appellant] € 351.443,21 aan [geïntimeerde] betaald.

2.9

[geïntimeerde] heeft op 31 januari 2014 een bedrag van € 1.667,67 aan [appellant] betaald.

2.10

Op 11 januari 2014 is het vaartuig (dat als naam heeft gekregen: de ' [C] ') opgenomen ter gelegenheid van een proefvaart die dag. In een e-mail van 11 januari 2014 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] vervolgens een akte toegezonden van “voorlopige oplevering”. Daarin is opgenomen dat het vaartuig als voorlopig opgeleverd dient te worden beschouwd en dat de “definitieve/officiële oplevering [plaats vindt] na afhandeling van de resterende werkzaamheden en de eindafrekening”. Op 12 januari 2014 heeft [appellant] het vaartuig overgevaren naar zijn vaste ligplaats in [D] . Daar is het in opdracht van [appellant] op 27 en 29 januari 2014 geïnspecteerd door de heer [E] (hierna: [E] ), werkzaam bij Eelsing Expertises en Taxaties te IJmuiden, die van zijn bevindingen verslag heeft gedaan en die heeft geconstateerd dat het vaartuig verschillende gebreken vertoonde. In het rapport is, voor zover hier van belang, onder meer vermeld:

“Achterdek
(…)
- Antislip laag op achterdek laat al los, hechting onvoldoende.
- Dekluiken naar onderdekse sluiten niet af waardoor buis/regenwater in onderdekse compartimenten lekt.

Meerwerk / extra kosten
(…)
Tevens is door de afnemer, op advies van Coastal Motor Boats, een Dickinson oven aangeschaft welke na plaatsing niet geschikt bleek te zijn. Deze oven zorgt voor een gevaarlijke situatie aan boord waardoor afnemer genoodzaakt was een nieuwe heteluchtkachel te plaatsen waardoor deze dubbele kosten zijn gemaakt.”

2.11

[geïntimeerde] heeft vervolgens herstelwerkzaamheden uitgevoerd.

2.12

Bij brief van 1 april 2014 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] de “definitieve versie Eindafrekening Northern Bay 38 [C] ” doen toekomen. Deze eindafrekening luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

“Eindafrekening:
Overzicht van de tot nu toe betaalde termijnen:
(….)
Totaal: 351.443,21

Overzicht van de totaal te betalen kosten:
Basisprijs inclusief 19% BTW 315.350,00
Correctie BTW** 5.591,36

Optionele onderdelen lijst 1 17.578,26
Optionele onderd./werkzh. lijst 31.018,14
Totale kosten 369.537,76
(…)
Eindoverzicht:
Het totaal wat dus voldaan moet worden is dus: 369.537,76
Het totaal wat tot nu toe betaald is bedraagt: 351.443,21
Wat nog verschuldigd is bedraagt: 18.094,55
Betaling [geïntimeerde] aan [appellant] 31-1-’14 1.666,67
Te betalen: 19.761,22
Vergoeding verzekering en boetebeding: -11.564,30
(verzekering € 2.289,30 en vertragingsboete € 9.275,00)
Nog te voldoen: 8.196,92

De correctie BTW heeft volgens een daarop gegeven toelichting betrekking op 2% extra btw over de in 2012 betaalde facturen (van 19% naar 21 %), omdat de boot in 2013 wordt opgeleverd.

2.13

Bij de eindafrekening heeft [geïntimeerde] nieuwe meerwerklijsten ‘definitieve versie”

d.d. 29 maart 2014 gevoegd. In vergelijking met de lijsten gedateerd 28 augustus 2013 zijn de kosten in verband met “optionele onderdelen” gelijk gebleven, maar zijn de kosten voor “optionele werkzaamheden” gestegen met ruim € 14.000,- excl. btw. Betaling van het volgens de eindafrekening te betalen bedrag van € 8.196,92 door [appellant] is - ook na sommatie zijdens [geïntimeerde] - achterwege gebleven.

2.14

Op 28 april 2014 heeft [E] op verzoek van [appellant] een nadere inspectie aan boord van het vaartuig uitgevoerd. Naar aanleiding hiervan heeft [E] - voor zover hier van belang - het navolgende gerapporteerd:

“Op 28 april 2014 hebben wij een inspectie aan boord van de [C] uitgevoerd waaruit inderdaad bleek dat de aangegeven punten vrijwel niet waren hersteld dan wel aangepast.
Op uw eigen verzoek is Couperus Hydrauliek B.V. aan boord geweest om het hydraulische systeem
te controleren daar deze een gierend geluid maakte tijdens het varen.
Couperus Hydrauliek BV stelde vast dat momenteel een veels te zware pomp is gemonteerd waardoor het systeem thermisch wordt overbelast en een gierend geluid produceert.
(…)
Wij hebben vernomen dat een nieuwe hydraulische pomp is geplaatst met voornoemde capaciteit en dat de problemen nu verholpen zijn.
(…)
Vervolgens heeft [E] nog een inspectie verricht op 10/11 juni 2014. Naar aanleiding daarvan heeft [E] onder meer het volgende gerapporteerd:

Op dinsdag 10 juni 2014 werden wij geïnformeerd dat buitenboordwater middels de roerkoning in het achterste compartiment lekte.
(…)
Wij stelden vast dat de roerkoning was beschadigd. (…) Wij hebben samen met een polyesterexpert de hak bekeken en zijn tot de conclusie gekomen dat de hakconstructie onvoldoende is gebleken daar de hak niet star/stijf genoeg is en tijdens het varen de roerkoning radiaal wordt overbelast waardoor uiteindelijk de bevestigingsbouten van de roerflens zijn afgebroken.
(…)
Op 11 juni 2014 werd de [C] in de reparatieloods geplaatst en hebben wij aansluitend aanvullende inspectie verricht. (…) Nadat de antifouling was afgeschraapt werd duidelijk dat de laminatie van de romp rondom de schroefaskoker onvoldoende sterkte heeft en zeer onprofessioneel was uitgevoerd. (…) De kosten voor het aanpassen van de hak constructie alsmede de reparatie aan de roerkoning worden geraamd op ca € 6.000,00 excl. BTW hetwelk naar onze mening redelijk en billijk is.
Wij hebben verder het onderwaterschip grondig geïnspecteerd en stelden vast dat de zogenaamde “sprayrails” niet juist en symmetrisch van elkaar zijn gemonteerd.
(…)
Tevens vernamen wij dat de rubberen waterzak tbv drinkwater (..) lek was geraakt.”

2.15

Tussen partijen is gecorrespondeerd over het vaartuig, de wijze waarop het is afgeleverd en de in rekening gebrachte kosten.

Bij brief van 14 mei 2014 heeft (de advocaat van) [appellant] [geïntimeerde] gesommeerd tot herstel binnen 10 dagen van alle door [E] geconstateerde gebreken.
Bij brief van 13 juni 2014 heeft (de advocaat van) [appellant] [geïntimeerde] aangeschreven om tot herstel van de volgens hem nog aanwezige gebreken over te gaan, met de aanzegging dat, indien [geïntimeerde] dit niet zelf doet, [appellant] de gebreken door een derde zal laten herstellen op kosten van [geïntimeerde] . Voorts wordt melding gemaakt van nieuw ontdekte gebreken, “onder meer aan de waterzak, aan de bevestiging van de zeereling aan dek, aan de afdichting van de roerkoning en, daarmee samenhangend, aan de constructie van de bevestiging van de hak aan het schip”. Het aangevulde rapport van [E] is meegezonden.
[geïntimeerde] wordt geadviseerd om een contra-expert opdracht te geven om de gestelde gebreken te onderzoeken. Hem wordt daartoe een termijn van een week gegeven, onder mededeling dat indien binnen een week niets is vernomen wordt aangenomen dat [geïntimeerde] van die mogelijkheid geen gebruik wenst te maken. Verder wordt in de brief aan de orde gesteld dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van de bouwovereenkomst voor wat betreft de overeengekomen oplevertermijn, zodat de boete verschuldigd is en dat [appellant] zich niet kan verenigen met het door [geïntimeerde] in rekening gebrachte meerwerk. Tot slot maakt [appellant] in deze brief aanspraak op betaling door [geïntimeerde] een bedrag van ruim € 32.000,00 aan aflossing, rente en boete op grond van de geldleenovereenkomst wegens het niet nakomen door [geïntimeerde] van zijn verplichtingen uit die overeenkomst.

2.16

Per e-mail van (donderdag) 19 juni 2014 heeft [geïntimeerde] aan de advocaat van [appellant] bericht dat hij de aanstaande maandag rond 12.00 uur de boot in [D] wil komen bekijken. De advocaat van [appellant] bericht per e-mail van 20 juni 2014 dat de boot dan ter inspectie gereed ligt, maar deelt tevens mee dat omdat op 20 juni en in het weekeinde vaartochten gepland stonden de reparatie van de hak al heeft plaatsgevonden en ondeugdelijk laminaat is verwijderd. Van de aanpassingen zijn foto’s beschikbaar, zo deelt hij mee.
Op 23 juni 2014 heeft geen inspectie door [geïntimeerde] plaatsgevonden.

2.17

[appellant] heeft na hiertoe op 1 juli 2014 verkregen verlof van de rechtbank
Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, ter verzekering van zijn vordering conservatoir (derden)beslag doen leggen op diverse beslagobjecten.

2.18

[geïntimeerde] heeft op 18 augustus 2014 een contra- expertise met betrekking tot de vermeende gebreken aan het vaartuig en de afwerking van de details laten uitvoeren door [F] , van [F] Expertise te Muiden (hierna: [F] ). [F] heeft op

22 september 2014 verslag gedaan van zijn bevindingen. In zijn rapport is - voor zover hier van belang - vermeld:

“- De hak van het roer is verstevigd met een U-balk. De bout koppen en moeren zijn niet verzonken en steken hierdoor uit.
- Het laminaat zou conform de verklaring van de heer [appellant] en [E] zijn verstevigd rond de schroefaskoker en de hak. Omdat ik het laminaat voor de reparatie niet heb kunnen inspecteren kan ik hier niet over oordelen.
(…)
- Of de kachel/oven was geïnstalleerd op verzoek van de opdrachtgever of van Coastal Boats is ons niet duidelijk.
(…)
- het onthechten van de anti-slip verf van de kuipvloer zichtbaar. Dit kan ik bevestigen.
(…)
- De dekluiken zijn herzien.
(…)
De reparatie van de roerhak. Over de noodzaak van deze reparatie vanwege zwakte of opgelopen kan ik niet oordelen. De reden is dat ondergetekende en de heer [geïntimeerde] de oorspronkelijke situatie niet hebben kunnen beoordelen. Conform opgave van de heer [geïntimeerde] is de hak geconstrueerd conform de specificaties van de bouwer/ontwerper J. Hiychins. Er varen er zo'n 200 van dit type motorjachten zonder de versterking zoals thans is aangebracht.”

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg (in conventie) – samengevat – gevorderd veroordeling van [geïntimeerde] tot:
i) betaling van € 55.422,22, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 1 juli 2014;

ii) het verstrekken van een deugdelijke CE verklaring van overeenstemming conform de EG richtlijn pleziervaartuigen en het aan boord van de ' [C] ' aanbrengen van het bijbehorende CE bouwersplaatje;

iii) het verstrekken van een deugdelijke eigenaarshandleiding, waarin begrepen basistekeningen van de elektrische en hydraulische installaties en leidingen, en instructies voor de bediening van pompen en afsluiters;

iv) het verstrekken van een schriftelijke verklaring waarin [geïntimeerde] onvoorwaardelijk garantie biedt op de hoofdmotor van de ' [C] ' tot en met 31 december 2016;

v) betaling van een dwangsom van € 500,00 per week indien hij binnen zes weken na betekening van het vonnis niet heeft voldaan aan één of meer van de onder ii) tot en met iv) genoemde veroordelingen;

vi) afgifte binnen zes weken na betekening van het vonnis van deugdelijke BTW facturen van alle aan [appellant] in rekening gebrachte en door hem betaalde bedragen, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per week indien hij niet tijdig aan deze veroordeling heeft voldaan.

Een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure, met in begrip van de beslagkosten.

3.2

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg (in reconventie) – samengevat – gevorderd veroordeling van [appellant] tot:

i) betaling van € 7.293,57 vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf

15 april 2014;

ii) betaling van de kosten van de contra expertise ad € 832,48;

iii) betaling van buitengerechtelijke kosten ad € 771,53:

iv) opheffing van alle beslagen;

met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.

3.3

De rechtbank heeft bij vonnis van 23 december 2015, uitvoerbaar bij voorraad, in conventie de vorderingen van [appellant] toegewezen met uitzondering van de vordering sub iv), die is afgewezen, en met dien verstande dat:
- van de vordering onder i) alleen is toegewezen een bedrag van € 8.792,21, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente met ingang van 12 juni 2014;

- de dwangsom verbonden aan de vorderingen sub ii), iii) en vi) is bepaald op € 100,- per dag met een maximum van € 2.000,-.

De vorderingen van [geïntimeerde] in reconventie zijn afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in reconventie.

4 De vermeerdering van eis in principaal hoger beroep

4.1

[appellant] heeft in hoger beroep zijn vorderingen vermeerderd, aldus dat hij in hoger beroep tevens veroordeling vordert van [geïntimeerde] tot:
a.) betaling van een bedrag van € 1.425,- aan kosten voor het aanpassen van de kleppendeksels van het motorluik;
b.) het oplossen van de problemen met de stuurautomaat (“autopilot”) binnen twee maanden na het arrest, op verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag.

4.2

[geïntimeerde] heeft tegen deze vermeerdering van eis als zodanig geen bezwaar gemaakt. Nu de vermeerdering tijdig is gedaan en het hof die vermeerdering overigens ook niet in strijd acht met een goede procesorde, zal recht worden gedaan op de vermeerderde vordering.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

in het principaal en incidenteel hoger beroep

inleiding

5.1

Deze zaak gaat over de afwikkeling van een door [appellant] aan [geïntimeerde] gegeven opdracht om een vaartuig te bouwen. [appellant] wilde daarmee op commerciële basis sportvistochten wilde gaan uitvoeren. [geïntimeerde] heeft het vaartuig gebouwd en [appellant] is het gaan gebruiken voor het beoogde doel. Tussen partijen zijn geschillen gerezen over dat waartoe zij uit hoofde van die (uitgevoerde) opdracht nog jegens elkaar gehouden zijn. Het meest omvattende geschilpunt in hoger beroep betreft de vraag of per saldo [geïntimeerde] nog een bedrag aan [appellant] is verschuldigd, dan wel [appellant] nog een bedrag aan [geïntimeerde] dient te betalen. Dat geschilpunt omvat de eindafrekening van de bouw, de vraag of het in december 2013 door [appellant] aan [geïntimeerde] betaalde bedrag een geldlening betrof dan wel een (laatste) termijnbetaling, en de kosten die [appellant] stelt te hebben gemaakt voor herstel van (beweerdelijke) gebreken die tijdens en na de oplevering zijn ontdekt.

Verder bestaat (onder meer) verschil van mening over de vraag of [geïntimeerde] gehouden is herstelwerkzaamheden te verrichten aan de “autopilot”, of [geïntimeerde] heeft voldaan aan de veroordelingen terzake de conventionele vorderingen sub ii) en iii) en of in verband daarmee de dwangsommen gesteld op de betreffende veroordelingen verhoogd dienen te worden.

de grieven en hun beoordeling

5.2

[appellant] heeft in principaal hoger beroep zes grieven met toelichtingen opgeworpen tegen het bestreden vonnis en heeft, zoals hiervoor aangegeven, zijn vordering tevens vermeerderd. De grieven en de eisvermeerdering hebben betrekking op al de hiervoor vermelde geschilpunten.

5.3

[geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep twee grieven aangevoerd. De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat uit wat in conventie is overwogen volgt dat de reconventionele vorderingen afgewezen moeten worden en de tweede grief is gericht tegen de proceskostenveroordeling in reconventie. Volgens [geïntimeerde] had de rechtbank in reconventie expliciet behoren in te gaan op de (grondslagen van) de vordering in reconventie en volgt uit wat in conventie is overwogen dat die vordering grotendeels slaagt.

5.4

De grief van [geïntimeerde] in het incidentele hoger beroep dat de rechtbank in reconventie afzonderlijk had moeten ingaan op de (grondslagen van de) reconventionele vordering is ongegrond. De rechtbank had de vrijheid om de (grondslagen van de) reconventionele vordering te integreren in zijn behandeling van de vorderingen van [appellant] in conventie en kon in reconventie volstaan met verwijzing daarnaar.
De grief is verder niet of nauwelijks van een concrete toelichting voorzien, waaruit kan blijken dat en waarom [geïntimeerde] zich met bepaalde beslissingen van de rechtbank in zijn nadeel niet kan verenigen. [geïntimeerde] verwijst in dat verband slechts naar wat door hem in het principale hoger beroep reeds naar voren is gebracht.
Op de grief zal daarom slechts ingegaan kunnen worden voor zover uit wat door [geïntimeerde] in principaal hoger beroep naar voren is gebracht, voldoende duidelijk wordt met welke beslissingen van de rechtbank in zijn nadeel hij het niet eens is.
De grieven in principaal en incidenteel hoger beroep lenen zich daarom voor gezamenlijke behandeling, en zullen per geschilpunt worden behandeld.

(het saldo van) de eindafrekening

5.5

De oorspronkelijke bouwsom bedroeg € 315.350,- incl. 19% btw (zie 2.1). Tussen partijen is niet in geschil dat vanwege een verhoging van de btw (van 19% naar 21%) die bouwsom € 320.650,- is gaan bedragen. De rechtbank heeft, op basis van een vergelijking van de meerwerklijsten bij de eindafrekening met de meerwerklijsten van augustus 2013, in het bestreden vonnis geoordeeld dat [geïntimeerde] aan [appellant] een bedrag van € 37.934,94 aan meerwerk in rekening mocht brengen. Dat oordeel en de berekening waarop dat oordeel berust zijn in hoger beroep niet aangevochten.

Uitgangspunt daarmee is dat [appellant] voor het werk aan [geïntimeerde] een bedrag diende te voldoen van € 358.584,94. De vraag ligt voor of en wat [appellant] nog kon verrekenen met dat bedrag..

5.6

De rechtbank heeft in haar vonnis als een verrekenpost opgenomen een bedrag van
€ 4.290,08 voor door [appellant] betaalde premie voor een aanbouwverzekering. Tussen partijen is niet in geschil dat de premie voor die verzekering door [geïntimeerde] gedragen diende te worden. Evenmin is in geschil dat [appellant] voor de gehele periode aan premie heeft betaald
€ 6.579,38. Op de eindnota heeft [geïntimeerde] aan verzekeringspremie alleen een bedrag van € 2.289,30 in mindering gebracht. Volgens [appellant] heeft de rechtbank dat bedrag ten onrechte in mindering gebracht op het door hem aan betaalde premie te verrekenen bedrag, omdat het bedrag van € 2.289,30 niet al als een minderpost is verdisconteerd in het bedrag van € 358.584,94 (grief III). Die grief is terecht voorgesteld. [geïntimeerde] heeft op zijn eindnota wel een bedrag van € 2.289,30 in mindering gebracht, maar die eindnota is door de rechtbank niet ten grondslag gelegd aan haar berekening van het bedrag van € 358.584,94. In dat bedrag is de post van € 2.289,30 inderdaad niet reeds als een minderpost verdisconteerd.
Voor zover [geïntimeerde] heeft willen betogen dat [appellant] alleen een bedrag van € 2.289,30 kan verrekenen, omdat alleen dat een redelijk bedrag aan verzekeringspremie zou zijn, wordt die stelling verworpen. [geïntimeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd dat hij heeft ingestemd met de offerte die [appellant] had verkregen. [geïntimeerde] heeft verder niet (gemotiveerd) betwist dat de premiekosten zijn opgelopen door de langere bouwduur. Die omstandigheid komt voor rekening en risico van [geïntimeerde] .

[appellant] kan derhalve het door hem aan premie betaalde bedrag van € 6.579,38 nog volledig verrekenen met het bedrag van € 358.584,94.

5.7

[appellant] heeft in zijn grief III verder nog aangevoerd dat hij een nota heeft voldaan van Combi Noord van € 3.025,25 voor de aanschaf van zaken die voor rekening van [geïntimeerde] waren, waaronder reddingsvlotten.
Niet in geschil is dat in de aanneemsom een bedrag van € 1.828,- was opgenomen voor vlotten, maar dat [appellant] de vlotten (bij Combi Noord) heeft besteld en betaald, echter niet voor € 1.828,- maar voor € 2.386,21. [geïntimeerde] heeft middels een eisvermindering in eerste aanleg van € 631,99 bevestigd dat de andere goederen op die factuur voor zijn rekening komen.
Het hof is van oordeel dat [appellant] alleen voor het in de aanneemsom opgenomen bedrag aanspraak heeft op verrekening van zijn uitgave voor de vlotten en dat meerdere voor zijn rekening dient te blijven. [appellant] heeft niet aangevoerd dat de vlotten die hij heeft aangeschaft ook de vlotten zijn die begroot waren. Dat hij (kennelijk) wat duurdere vlotten heeft aangeschaft dient voor zijn rekening te blijven.

De minderpost vlotten en de minderpost aanschaf van (andere) goederen door [appellant] was echter nog niet opgenomen in de meer-/minderwerklijsten van augustus 2013 en zijn dus niet reeds als minderpost verdisconteerd in het bedrag van € 358.584,94. Daarop dient dus ook nog een bedrag van € 1.828, - + € 631,99 = € 2.459,99 in mindering te worden gebracht.

In zoverre slaagt grief III ook op dit punt.

5.8

Tussen partijen is niet in geschil dat op het bedrag van € 358.584,94 ook nog in mindering komt de contractuele boete wegens vertraging in de oplevering van het vaartuig.
De rechtbank heeft in haar vonnis die boete gesteld op een bedrag van € 9.275,-, daarmee een berekening van [geïntimeerde] overnemend.

Volgens [appellant] bedraagt die boete echter € 20.300,- (grief I)
Het hof overweegt dat onweersproken vast staat dat de oplevering 58 weken te laat was. Bij een boete van € 350,- per week komt dat neer op het bedrag van € 20.300,-.

[geïntimeerde] heeft voldoende gemotiveerd aangevoerd dat de motoren van het vaartuig pas in augustus 2012, 13 weken te laat, zijn geleverd en de schroefas in september 2012. [appellant] heeft niet voldoende onderbouwd betoogd dat dit wel te wijten zal zijn geweest aan niet tijdige betaling van de motoren door [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft betoogd dat die te late levering voor een evenredig grote vertraging in de oplevering heeft gezorgd. Het hof acht voldoende aannemelijk gemaakt en door [appellant] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de motoren op het werk aanwezig dienden te zijn om de werkzaamheden met voldoende nauwkeurigheid uit kunnen voeren, waarbij wordt opgemerkt dat [appellant] niet heeft weersproken dat de in te bouwen motoren zwaarder waren dan de standaard motoren en dat daarom de boot als het ware om de motoren heen gebouwd diende te worden. Vertragingen door leveranciers zijn uitgesloten van de boetebepaling, zodat die 13 weken in beginsel in mindering komen op de vertragingstijd. Anderzijds heeft [geïntimeerde] (met foto’s) gemotiveerd aangevoerd dat ook na levering van de motoren en de schroefas deze in ieder geval nog enige tijd naast de boot hebben gelegen en heeft [geïntimeerde] dat onvoldoende gemotiveerd weerlegd. Dat doet afbreuk aan de stelling van [geïntimeerde] dat de vertraging in de bouw evenredig was aan de vertraging in de levering van de motoren en de schroefas; kennelijk konden ook na levering van de motoren en de schroefas nog wel bepaalde werkzaamheden worden uitgevoerd zonder dat de motoren waren ingebouwd. De omstandigheid dat [geïntimeerde] vanaf de levering van de motoren (en de schroefas) in ieder geval wel bekend was met de precieze maatvoering van de motoren en daarmee (dus) rekening kon houden bij zijn (verdere) werkzaamheden maakt nog niet aannemelijk dat de vertraging in de bouw geheel evenredig was aan de vertraging in de levering van de motoren en de schroefas. Op grond van het over en weer gestelde houdt het hof het er voor dat de vertraging in de levering van de motor en de schroefas heeft geleid tot een vertraging in de bouw van acht weken.
heeft verder aangevoerd dat hij 360 uur aan meerwerk heeft verricht en dat ook dat tot een evenredige vertraging in de oplevering heeft geleid. Die, door [appellant] betwiste, stelling heeft [geïntimeerde] echter onvoldoende onderbouwd. Niettemin staat wel vast dat sprake is geweest van meerwerk en voldoende aannemelijk is dat ook die omstandigheid tot enige vertraging zal hebben geleid. Uit de redelijkheid en billijkheid die een rechtsverhouding als de onderhavige beheerst, vloeit voort dat de uit meerwerk voortvloeiende vertraging voor rekening van [appellant] dient te blijven. Die vertraging is niet nauwkeurig te bepalen en wordt door het hof op grond van het over en weer gestelde bepaald op vijf weken.
[geïntimeerde] heeft tenslotte nog aangevoerd dat een vertraging is ontstaan doordat een deel van de werkzaamheden moest plaatsvinden in een loods in Franeker en dat het een maand heeft geduurd voordat die loods beschikbaar kwam. Het hof is van oordeel dat die omstandigheid in beginsel in de risicosfeer van [geïntimeerde] ligt. Bijzondere omstandigheden waarom dat in dit geval anders zou zijn, zijn het hof niet gebleken.
Per saldo is het hof van oordeel dat de vertragingsboete dient te worden berekend over een termijn van 58 – 8 – 5 = 45 weken. De vertragingsboete komt daarmee op een bedrag van
45 x € 350,- = € 15.750,-. In zoverre slaagt grief I in principaal hoger beroep.

5.9

De slotsom is dat, na verrekening, [appellant] aan [geïntimeerde] voor het werk een bedrag van
€ 333.795,57 verschuldigd is (€ 358.584,94 - € 6.579,38 - € 2.459,99 - € 15.750,-) en dat dit dus het bedrag is dat aan [appellant] als eindnota in rekening gebracht had dienen te worden.

5.10

Vast staat dat [appellant] vóór de eindnota al (deel)betalingen had voldaan tot een bedrag van € 351.443,21. [appellant] heeft derhalve een bedrag van € 17.647,64 teveel betaald.
Daarop strekt in mindering het door [geïntimeerde] aan [appellant] betaalde bedrag van € 1.666,67, zodat [appellant] vóór de eindafrekening in totaal een bedrag van € 15.980,97 teveel had betaald.

Daarmee faalt in zoverre tevens de eerste grief in incidenteel hoger beroep

overeenkomst van geldlening?

5.11

In het door [appellant] betaalde bedrag van € 351.443,21 is begrepen de betaling van € 20.000,- in december 2013, waarvan tussen partijen in geschil is of dat een lening betrof of de betaling van de laatste bouwtermijn. Die kwestie is van belang met het oog op de vraag of [geïntimeerde] ook contractuele rente en boete is verschuldigd. De rechtbank heeft aangenomen dat de betaling zag op betaling van de laatste bouwtermijn en tegen dat oordeel richt zich grief II van [appellant] .

5.12

Vast staat dat aan die betaling vooraf ging een door partijen ondertekende overeenkomst van geldlening (zie 2.7). Die overeenkomst vormt een onderhandse akte waaraan op de voet van artikel 157 lid 2 Rv. dwingende bewijskracht toekomt.
Mede bezien in het licht van de omstandigheid dat [geïntimeerde] op die lening een termijn heeft terugbetaald, is het hof van oordeel dat aan die akte met dwingende bewijskracht de conclusie kan worden verbonden dat het door [appellant] aan [geïntimeerde] in december 2013 betaalde bedrag van € 20.000,- het ter beschikking stellen betrof van het geleende bedrag. Daar doet in onvoldoende mate aan af dat de omschrijving van die betaling vermeldt: “deel slotbetaling”. Het hof overweegt in dat verband dat vanwege de termijnoverschrijding [appellant] aanspraak had op een aanzienlijke, met de eindfactuur te verrekenen vertragingsboete. Daarin past de stelling van [appellant] dat hij aan [geïntimeerde] wel de financiële middelen heeft willen verschaffen om het vaartuig af te bouwen (dat was immers ook in zijn belang), maar dat hij de nog niet voldane slottermijn alleen in de vorm van een lening aan [geïntimeerde] ter beschikking heeft willen stellen, omdat hij vanwege de verrekening met de vertragingsboete al aan zijn betalingsverplichtingen had voldaan. Uit wat hiervoor onder 5.10 is overwogen volgt dat [appellant] met de betaling in december 2013 inderdaad ook meer heeft betaald dan wat hij aan slotbetaling nog verschuldigd was.
[geïntimeerde] heeft geen nader (tegen)bewijs aangeboden tegen de stelling van [appellant] dat de betaling een geldlening betrof. Grief II van [appellant] slaagt daarmee.

5.13

De aanspraak van [appellant] op betaling door [geïntimeerde] van een bedrag van € 15.980,97 (zie 5.10) kan derhalve worden beschouwd als de aanspraak op betaling van het pro resto bedrag als bedoeld in artikel 2.1 van de overeenkomst van geldlening. [appellant] heeft verklaard dat inmiddels de geldlening is terugbetaald, maar dat dit pas is gebeurd op 9 mei 2016. Vast staat dat afgezien van de betaling van de termijn in januari 2014 geen termijnbetalingen hebben plaatsgevonden, zoals contractueel vastgelegd.
heeft tijdens de comparitie zijn vordering uit hoofde van rente en boete verschuldigd uit de geldleenovereenkomst beperkt tot een bedrag van € 1.733,69 aan rente en € 5.000,- aan boete.

Het hof is van oordeel dat alleen de (gematigde) boete toewijsbaar is, nu de boete, die ook voorziet in een boete per dag dat de tekortkoming voortduurt, geacht kan worden na het intreden van het betalingsverzuim in de plaats te zijn getreden van de contractuele rente.

herstel-/vervangingskosten van oplever-/garantiegebreken

5.14

[appellant] heeft in eerste aanleg vergoeding gevorderd van de volgende kosten van herstel van beweerdelijke gebreken:
a. verwarming/fornuis € 3.262,45

b. aanpassing hydraulisch stuursysteem € 4.019,61

c. reparatie anti-slip laag achterdek € 2.300,00

d. dekluiken € 2.000,00

e. roerkoning / hak € 7.305,00

€ 420,57

f. waterzak € 1.990.00

€ 21.297,63

De rechtbank heeft post a. toegewezen tot een bedrag van € 1.735,52 en post c. tot het gevorderde bedrag. De andere posten zijn afgewezen.

In grief IV komt [appellant] op tegen de gedeeltelijke afwijzing van post a. en de gehele afwijzing van de posten b. en d. tot en met f.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

algemeen: Op 11 januari 2014 heeft de “voorlopige oplevering” in de vorm van een als “opneming” aan te merken proefvaart plaatsgevonden. Op 27 en 29 januari 2014 heeft [E] het vaartuig geïnspecteerd. Het hof is van oordeel dat met die inspectie de definitieve oplevering geacht moet worden te hebben plaatsgevonden – en dus niet al op 11 januari 2014 zoals [geïntimeerde] heeft betoogd. [geïntimeerde] is niet aansprakelijk voor gebreken die tijdens en voor de oplevering aanwezig waren, voor zover [appellant] die op het tijdstip van de oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken (vgl. art. 7:758 BW). Wel blijft [geïntimeerde] aansprakelijk voor gebreken die vallen onder de verstrekte garantie.
Om aanspraak te kunnen maken op vergoeding van kosten van herstel en/of vervanging van gebrekkige onderdelen geldt ingevolge de bouwovereenkomst en de daarbij behorende algemene voorwaarden (zie hiervoor in 2.3), dat [appellant] aan [geïntimeerde] melding moet hebben gemaakt van de gebreken en [geïntimeerde] daarbij in de gelegenheid moet hebben gesteld om die gebreken zelf te herstellen. De kosten van herstel door een derde kunnen alleen aan [geïntimeerde] worden doorberekend indien dat is gebeurd in overleg met [geïntimeerde] .
Uit de redelijkheid en billijkheid die een overeenkomst als de onderhavige beheerst kan verder voortvloeien dat onder omstandigheden de kosten van herstel van een gebrek door een derde ook kunnen worden doorberekend zonder dat [appellant] aan (al de) voormelde voorwaarden heeft voldaan.

ad a: Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] een ongeschikt fornuis geplaatst dat daarom vervangen moest worden. Voor het oorspronkelijke fornuis was in de aanneemsom een bedrag opgenomen van € 1.735,52, maar het herplaatsen kostte € 3.262,45.
heeft de ondeugdelijkheid betwist en gesteld dat het door hem geïnstalleerde apparaat juist op verzoek van [appellant] was geplaatst. De rechtbank heeft aangenomen dat het fornuis inderdaad ondeugdelijk was, maar heeft aan [appellant] alleen de oorspronkelijke, in de bouwsom opgenomen kosten toegewezen, omdat het nieuwe fornuis kennelijk een duurder model betreft. [appellant] wenst in hoger beroep alsnog toewijzing van het volledige bedrag, terwijl [geïntimeerde] in incidenteel beroep opkomt tegen het wel aan [appellant] toegewezen bedrag.
Het hof is van oordeel dat [appellant] zijn stelling dat het oorspronkelijk geplaatste fornuis ongeschikt was onvoldoende heeft onderbouwd. [appellant] stelt dat wel, maar hij heeft niet toegelicht waarom het fornuis ongeschikt was. Dat blijkt evenmin uit het rapport van [E] . Het hof laat dan nog daar dat [appellant] niet (gemotiveerd) heeft weersproken dat hij zelf de keus voor het oorspronkelijk fornuis zou hebben bepaald.
In zoverre faalt het principaal hoger beroep en slaagt het incidenteel hoger beroep.

ad b: In de rapportages van [E] wordt van het beweerdelijke gebrek -de hydrauliekpomp van het hydraulische stuursysteem zou te zwaar zijn uitgevoerd- pas melding gemaakt in het aanvullende onderzoek in april 2014. Vervolgens meldt [appellant] het gebrek in de brief aan [geïntimeerde] van 14 mei 2014 (productie 8 bij inleidende dagvaarding). [geïntimeerde] heeft betwist dat sprake is van een gebrek. Volgens [geïntimeerde] is het probleem waarschijnlijk ontstaan bij het inregelen van de automatische piloot, die door [appellant] zelf is aangeschaft bij het bedrijf Couperus Hydrauliek. [geïntimeerde] heeft in dat verband aangevoerd dat als sprake zou zijn geweest van een gebrek bij de oplevering, het probleem zich toen al had moeten manifesteren. [appellant] heeft niet betwist dat hij zelf de automatische piloot heeft aangeschaft en heeft er verder geen verklaring voor gegeven waarom het probleem zich niet al tijdens de oplevering heeft gemanifesteerd. Het hof merkt op dat het rapport van [E] er alleen melding van maakt dat het probleem zou zijn geconstateerd, maar dat uit het rapport niet blijkt dat [E] het (beweerdelijke) gebrek ook zelf heeft geconstateerd. [E] verwijst alleen naar een verslag van Couperus Hydrauliek van 16 april 2014 dat als bijlage is gevoegd bij zijn rapport. In dat verslag vermeldt Couperus Hydrauliek dat de pomp een overcapaciteit heeft van 220%. Tegenover de betwisting door [geïntimeerde] dat sprake is van een gebrek en zijn stelling dat het probleem samenhangt met het inregelen van de door Couperus Hydrauliek geleverde automatische piloot, vormt dat verslag echter een onvoldoende onderbouwing van de vordering op dit onderdeel. Het hof is daarmee van oordeel dat deze post door de rechtbank terecht is afgewezen

ad d: Uit het rapport van [E] blijkt dat al in januari 2014 is ontdekt dat de dekluiken niet goed sloten. [geïntimeerde] heeft niet gemotiveerd weersproken dat van een gebrek sprake is. [geïntimeerde] is in de gelegenheid geweest dat gebrek te verhelpen, maar heeft niet (gemotiveerd) aangevoerd dat hij dat heeft gedaan. In die situatie was [appellant] bevoegd om reparatie door een derde te laten verrichten. De hoogte van het gevorderde bedrag heeft [geïntimeerde] evenmin gemotiveerd betwist, zodat het hof van oordeel is dat deze post alsnog toegewezen dient te worden.

ad e: Het gaat hier om beweerdelijke constructiegebreken die pas in juni 2014 zijn ontdekt. Omdat het beweerdelijke gebreken betreft onder de waterlijn is het hof van oordeel dat die redelijkerwijs ook niet tijdens de oplevering ontdekt hadden kunnen worden. Nog daargelaten dat [geïntimeerde] heeft betwist dat die gebreken zich hebben voorgedaan, volgt uit de vaststaande feiten onder 2.15, 2.16 en 2.18 dat [geïntimeerde] echter niet deugdelijk in de gelegenheid is gesteld om de aanwezigheid van de gebreken zelf te constateren en evenmin om deze zonodig zelf te verhelpen; reparatie van de gebreken had al plaatsgevonden nog voordat de aan [geïntimeerde] gegeven termijn was verstreken om zelf een onderzoek te laten verrichten.

Omstandigheden waaruit kan volgen dat ten aanzien van deze gebreken van [appellant] redelijkerwijs niet gevergd had kunnen worden om [geïntimeerde] meer tijd te gunnen om de beweerdelijke gebreken zelf te onderzoeken en zonodig te herstellen zijn het hof niet gebleken. Daarmee is ook die post naar het oordeel van het hof terecht door de rechtbank afgewezen.

ad f: Niet in geschil is dat de waterzak is gescheurd en dat dit heeft plaatsgevonden binnen de garantietermijn. Uit 2.15 blijkt dat [geïntimeerde] van het scheuren ook in kennis is gesteld. Niet is gebleken dat [geïntimeerde] directe vervanging van de waterzak heeft aangeboden. [geïntimeerde] heeft de kosten van de vervanging niet (gemotiveerd) betwist. Omdat een waterzak een essentiële voorziening betreft, acht het hof het te billijken dat [appellant] in die situatie de zak heeft vervangen zonder een nadere reactie van [geïntimeerde] af te wachten. Daarmee is [geïntimeerde] weliswaar de gelegenheid ontnomen om te beoordelen of de oorzaak van de scheurvorming buiten de garantie viel, maar [geïntimeerde] heeft niet gemotiveerd aangevoerd aan welke (gebruiks)omstandigheden daarbij in het bijzonder gedacht zou kunnen worden.

Daarmee is het hof van oordeel dat de kosten van vervanging van de waterzak wel ten laste van [geïntimeerde] gebracht kunnen worden.

de vermeerderde eis: Bij zijn vermeerdering van eis heeft [appellant] gevorderd om [geïntimeerde] tevens te veroordelen tot vergoeding van de kosten van aanpassing van het luik in de vloer van de stuurhut, dat toegang geeft tot de motor ten bedrage van € 1.425,-.

[geïntimeerde] heeft niet gemotiveerd gesteld dat sprake is van een gebrek dat bij de oplevering redelijkerwijs geconstateerd kon worden.

Hij heeft wel aangevoerd dat besproken zou zijn dat de reparatie door hemzelf zou worden verricht, maar dat [appellant] desondanks de reparatie ergens anders heeft laten verrichten. Verder heeft [geïntimeerde] de hoogte van de herstelkosten betwist.

Het hof stelt vast dat reparatie niet heeft plaatsgevonden bij [geïntimeerde] . Gelet op de betrekkelijk geringe omvang van de kosten in relatie tot de kosten die zouden zijn gemoeid voor het transport van de boot van [D] naar [B] , is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] zich in redelijkheid daarop niet kan beroepen. Het hof zal de vordering daarom toewijzen.

slotsom: Grief IV in principaal hoger beroep slaagt gedeeltelijk en ook de eerste grief in incidenteel hoger beroep slaagt gedeeltelijk. De vermeerderde eis is gedeeltelijk toewijsbaar.

Per saldo is [geïntimeerde] naast het door de rechtbank al toegewezen bedrag
(de post onder c., € 2.300,-) aan herstelkosten nog een bedrag van
€ 2.000,- + € 1.990,- + € 1.425,- - € 1.735,52 = € 3.679,48 verschuldigd. Nu het hier betreft kosten van herstel/vervanging is daarover alleen wettelijke rente verschuldigd en niet de wettelijke handelsrente. Voor zover in de grieven van [geïntimeerde] geen verweer tegen de wettelijke handelsrente kan worden gelezen, zal het hof ambtshalve de juiste rente toepassen.

verrichten van herstel door [geïntimeerde]

5.15

Bij vermeerdering van eis heeft [appellant] tevens nog gevorderd dat [geïntimeerde] op verbeurte van een dwangsom wordt veroordeeld om problemen met de stuurautomaat op te lossen.
Uit de stellingen van partijen leidt het hof af dat het gaat om problemen die ontstaan doordat het hydraulisch stuursysteem en de automatische piloot niet “compatible” zijn. Het hydraulische stuursysteem is door [geïntimeerde] uitgekozen en geïnstalleerd, maar de automatische piloot is door [appellant] zelf uitgekozen.

[geïntimeerde] betwist dat de oorzaak van de problemen ligt in het hydraulische systeem. Volgens hem dient [appellant] zich te wenden tot de leverancier van de automatische piloot. [appellant] heeft

dat ook al gedaan, maar naar zijn zeggen heeft de leverancier als oorzaak van de problemen verwezen naar het hydraulische stuursysteem.

Het hof is van oordeel dat [appellant] zijn stelling dat de oorzaak van de problemen moet worden gezocht in het hydraulische stuursysteem, niet voldoende heeft onderbouwd. Dat lag wel op zijn weg, omdat hij stelt dat [geïntimeerde] op dit punt tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen. Bij die stand van zaken bestaat geen grond om [geïntimeerde] te veroordelen tot het oplossen van de problemen. Dat [geïntimeerde] (op de comparitie van

23 maart 2015) de bereidheid heeft uitgesproken om mee te helpen bij het zoeken naar een oplossing, maakt dat niet anders. Die bereidheid is op zichzelf nog geen grond voor ook een veroordeling. In zoverre dient de vermeerderde vordering te worden afgewezen.

verhoging dwangsommen

5.16

Grief V in principaal hoger beroep heeft betrekking op het verhogen van de dwangsommen. Uit de op de grief gegeven toelichting leidt het hof af dat de gevorderde verhoging (alleen) betrekking heeft op de afgifte van de CE-verklaring en de eigenaarshandleiding. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat hij die documenten nog niet heeft verstrekt. Aan de overige met een dwangsom versterkte veroordelingen is volgens [appellant] inmiddels voldaan.

De CE-verklaring, zo staat vast, dient te worden afgegeven door het Dutch Certificate Institute (hierna: DCI) te Joure. Daarover is al contact geweest met de heer [G] , verbonden aan het DCI, maar [G] heeft nog niet de controle van het vaartuig kunnen verrichten die nodig is om tot (eventuele) afgifte over te kunnen gaan.

Tussen partijen is (in hoger beroep) niet in geschil dat [geïntimeerde] weliswaar zorg dient te dragen voor de afgifte van de CE-verklaring, maar dat dit alleen kan plaatsvinden nadat het DCI in overleg met [appellant] de vereiste controle aan het vaartuig heeft kunnen verrichten.

Gelet op het feit dat ondanks de dwangsommen niet is voldaan aan de veroordelingen, is het hof van oordeel dat [appellant] belang heeft bij het opleggen van (hogere) dwangsommen, zowel voor de afgifte van de handleiding als het CE-certificaat. Het hof zal echter bepalen dat dwangsommen voor afgifte van het CE-certificaat niet eerder verbeurd zullen worden dan enige tijd – zes weken – nadat [appellant] het DCI in de gelegenheid heeft gesteld de controle te verrichten en het DCI die controle ook heeft uitgevoerd. De vordering zal worden toegewezen als in het dictum nader bepaald.


kosten deskundigen

5.17

[appellant] komt in grief VI op tegen de afwijzing door de rechtbank van de kosten van de door hem ingeschakelde deskundigen. Het gaat daarbij om de kosten van expertisebureau Eelsing tot een bedrag van € 1.821,88.

5.18

De rechtbank heeft de in conventie en in reconventie gevorderde expertisekosten over en weer afgewezen door die te compenseren, aldus dat iedere partij de eigen expertisekosten dient te dragen. Het hof stelt vast dat het onderzoek van [E] in eerste instantie een opleveringsonderzoek betrof (waarbij onder andere het loslaten van de sliplaag is ontdekt). De kosten daarvan komen in beginsel voor rekening van de opdrachtgever zelf. Vervolgens heeft [E] nog twee vervolgonderzoeken ingesteld. Die onderzoeken hebben echter geen nadere bevindingen opgeleverd die aanleiding hebben gegeven tot volledige toewijzing van vorderingen van [appellant] .

Het hof is van oordeel dat in die situatie geen grond bestaat voor veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van door [appellant] gemaakte expertisekosten.
Grief VI faalt derhalve.

6 De slotsom

6.1

De grieven in principaal hoger beroep slagen gedeeltelijk. Grief I in incidenteel hoger beroep slaagt eveneens gedeeltelijk.

6.2

[geïntimeerde] blijft in eerste aanleg de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij. De proceskostenveroordeling in eerste aanleg zal derhalve worden bekrachtigd, ook die in reconventie. Daarmee faalt grief II in incidenteel hoger beroep.

6.3

Het bestreden vonnis zal in conventie gedeeltelijk worden vernietigd en in reconventie worden bekrachtigd.

6.4

In hoger beroep zijn partijen over en weer op punten in het ongelijk gesteld. Daarin vindt het hof aanleiding om de kosten van de procedure in hoger beroep te compenseren, aldus dat partijen ieder de eigen kosten daarvan dienen te dragen.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 23 december 2015 voor zover het betreft de veroordeling in conventie onder 5.1 uitgesproken en de veroordeling onder 5.5 uitgesproken voor zover het betreft de dwangsom gesteld op het verstrekken van de CE-verklaring en vult aan de veroordeling voor zover het betreft de dwangsom gesteld op het verstrekken van de handleiding en in zoverre opnieuw rechtdoende:

ten aanzien van 5.1:


- veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 3.679,48, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 juni 2014 tot de dag van voldoening;

- veroordeelt [geïntimeerde] daarnaast om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 15.980,97, te vermeerderen met een bedrag van € 5.000,- aan contractuele boete;

ten aanzien van 5.5:

- verbindt aan de veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellant] een deugdelijke CE-verklaring van overeenstemming conform de EG Richtlijn pleziervaartuigen te verstrekken als bedoeld onder 5.2 een dwangsom van € 250,- per week met een maximum van € 35.000-,- en bepaalt dat deze dwangsom na betekening van dit arrest eerst verbeurd zal worden te rekenen vanaf zes weken na de dag waarop het DCI het vaartuig heeft gecontroleerd;

-
verbindt aan de veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellant] een deugdelijke eigenaarshandleiding te verstrekken als bedoeld onder 5.3 aanvullend een dwangsom van € 100,- per week met een maximum van € 10.000,- en bepaalt dat deze dwangsom na betekening van dit arrest eerst verbeurd zal worden te rekenen vanaf een week na die betekening;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten in hoger beroep draagt.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. O.E. Mulder, mr. J. Smit en mr. A.G.J. van Wassenaer van Catwijck en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2018.