Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9220

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-10-2018
Datum publicatie
25-10-2018
Zaaknummer
200.177.900/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schade aan een in exploitatie gegeven schip. Uitleg van de exploitatieovereenkomst. Rompbevrachting?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2019/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.177.900/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/137174 / HA ZA 14-374)

arrest van 23 oktober 2018

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. J.C. Klompé, kantoorhoudend te Loosdrecht,

tegen

1 De Hoek Watersport C.V.,

gevestigd te Dijken,

hierna: De Hoek,

2. [geïntimeerde2]

wonende te [B] ,

hierna: [geïntimeerde2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: De Hoek c.s.,

advocaat: mr. J.J. Kappert, kantoorhoudend te Amersfoort.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 april 2018 hier over.

1.2

Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 21 september 2018 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken. Daarna heeft het hof arrest bepaald op basis van de hiermee aangevulde stukken.

2 De vaststaande feiten

2.1

In rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.16) van het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank een aantal in deze zaak vaststaande feiten weergegeven.

Daarover bestaat geen geschil. Samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, staat het navolgende vast.

2.1.1

De Hoek oefent een onderneming uit die is gericht op de verhuur van schepen. [geïntimeerde2] is beherend vennoot van De Hoek.

2.1.2

[appellante] is sinds 1995 eigenaar van een pleziermotorvaartuig van het merk Gruno, type 38 sport 1180, met de naam [C] (hierna: de [C] of het schip). De [C] is door [appellante] in exploitatie gegeven aan (achtereenvolgens) verschillende verhuurbedrijven. Van 2003 tot en met 2011 is de [C] in exploitatie geweest bij het verhuurbedrijf Wetterwille. Vanaf het einde van het jaar 2011 is ter zake van de verhuur van dit schip tussen [appellante] en De Hoek een overeenkomst gesloten. In die overeenkomst is onder meer het volgende vermeld:

(…)

Op 01-02-2012 is er overeengekomen dat de Hoek watersport de [C] een Gruno 1180 sport van de fam. [appellante] gaat verhuren.

(...)

De Hoek Watersport zal een commissie van 50% over de totale huur opbrengst berekenen. Voor deze commissie gaat de Hoek watersport de volgende zaken doen:

• Vermelding op de eigen site en deelname in verdere promotie activiteiten.

• De boekingen en het verdere administratieve gebeuren.

• Schoonmaken binnen en buiten

• Technisch onderhoud, bijverven/poetsen

• De Hoek Watersport verschaft de juiste instructie en begeleiding zodat een huurder het schip naar behoren zal kunnen besturen. Hij verwijst onervaren schippers naar de cursus; "Schippers Starthulp".

• De Hoek Watersport verzorgt gratis ligplaats voor de [C] , evenals stroomvoorziening.

• De Hoek Watersport vervangt servies e.d. indien deze kapot/onbruikbaar is, alle vervangen

inventaris blijft eigendom zijn van De Hoek Watersport

• Poetsen en schilderen van de [C] .

• Lakken interieur indien nodig

• Onderhoud interieur indien nodig.

• Onderhoud motor incl. beurten en zomer en winter klaarmaken.

• Verzekering all-risk

De eigenaar draagt zelf zorg voor het volgende.

• Kosten te vervangen onderdelen.

• De eigenaar draagt zelf zorg voor de eindschoonmaak bij eigen gebruik.

(...)

De afdracht van de huuropbrengsten minus de commissie wordt eens per maand overgemaakt, op de rekening van de eigenaar.

Deze overeenkomst wordt aangegaan voor een periode van 3 jaar daarna is opzegging per jaar mogelijk maar voor 1 november van het laatste verhuurjaar.

2.1.3

Nadat de [C] gedurende het jaar 2012 is verhuurd door De Hoek, heeft De Hoek - bij monde van haar beherend vennoot [geïntimeerde2] - [appellante] medegedeeld dat de [C] veel beter zou presteren indien een aantal werkzaamheden zou worden verricht. Nadat [appellante] hiermee had ingestemd, zijn deze werkzaamheden uitgevoerd door een bedrijf dat op hetzelfde adres is gevestigd als De Hoek - te weten Jachtservice De Leeuw - en heeft De Hoek [appellante] ter zake een factuur gezonden ter hoogte van € 15.348,43 inclusief btw. Deze factuur is door [appellante] voldaan.

2.1.4

Op 28 mei 2013 heeft zich tijdens de verhuur van de [C] een schade-evenement voorgedaan doordat een slaapzak in de schroef van de [C] terecht was gekomen. Door de verzekeraar is naar aanleiding hiervan en na aftrek van een eigen risico van € 1.000,- € 6.553,12 aan De Hoek als verzekeringnemer uitgekeerd.

2.1.5

In een e-mail van 31 mei 2013 heeft De Hoek onder meer het volgende aan [appellante] meegedeeld:

(...)

De expert is geweest en het ziet er goed uit (...)

Een ruilmotor kunnen we krijgen bij de Schiffart en ook koppeling. Is het goed dat zij zorgen dat hij volgende week weer kan varen?! (...)

2.1.6

De schade is vervolgens hersteld door Jachtservice De Leeuw.

2.1.7

In een e-mail van 26 juli 2013 heeft De Hoek onder meer het volgende aan [appellante] meegedeeld:

Het wil niet echt lukken met de [C] . Na de fatale motorstoring is alles vervangen. Daarna hebben we grote problemen gehad met de gereviseerde keerkoppeling. (...) Nadat dit opgelost was stak het koelingsprobleem de kop weer op. Het probleem zit hem in de kielkoeling. Waarschijnlijk heeft deze door roest en aanslag niet genoeg capaciteit meer. De oplossing is om koeling om te bouwen naar een open systeem. Natuurlijk heeft iedereen nu vakantie en zit er een lange levertijd op een nieuwe koelwaterbak met warmte wisselaar. Wij laten de boot op dit moment niet varen want hij was alweer bijna warm gelopen en dat risico wil ik niet meer lopen. (...)

2.1.8

In een e-mail van 3 augustus 2013 heeft De Hoek onder meer het volgende aan [appellante] meegedeeld:

Afgelopen zaterdag is de [C] met gasten weggeweest, alles leek in orde. we hebben de boot van Giethoorn terug naar huis gevaren en dat ging prima.

Hij is anderhalf uur weggeweest met de klant en had een fixe vastloper waarbij bijna brand in de machinekamer is uitgebroken de motor is na inspectie niet meer te reviseren en helemaal zwart uitgeblakert.

(...)

We zijn er eigenlijk wel klaar mee en zouden graag een gesprek met jullie hebben over "hoe nu verder". (...)

Het probleem met de koeling is er waarschijnlijk, voor de boot bij ons kwam ook al geweest, omdat de vorige verhuurders de boot niet meer wilden verhuren.

(...)

Er zal een nieuwe/andere motor in de boot moeten waarbij een ander koelsysteem aangekoppeld gaat worden.

De kosten zijn niet te verhalen op de verzekering. Dat is het grootste probleem denk ik.

2.1.9

In een brief van 12 november 2013 heeft De Hoek onder meer het volgende aan

[appellante] meegedeeld:

(...)

Betreft: afrekening huuropbrengsten/provisie 2013 en afrekening schade [C]

(...)

Wij hebben de onkosten en uren inzake de motorschade aan de [C] opgemaakt en tevens de huuropbrengsten/provisie nota over 2013. Onderstaand treft u de specificatie aan. De facturen en bijlagen zijn bijgevoegd. BTW Totaal

A. De voor u betaalde materialen en afhandeling € 9.458,48 € 1.986,28 € 11.444,76

B. Uren en onkosten Jachtservice De Leeuw € 2.490,00 € 522,90 € 3.012,90

C. Schade uitkering Delta Lloyd €- 6.553,12 € 0,00 €- 6.553,12

D. afrekening huur 2013 minus provisie €- 1.654.66 € - 347.47 € - 2.002.13

Totaal excl. Btw te betalen € 3.740,70 € 2.161,71 € 5.902,41

Totaal incl. Btw te betalen € 5.902,41

(...)

2.1.10

Door de verzekeraar is ter zake van deze tweede schade € 5.722,- aan De Hoek als verzekeringnemer uitgekeerd.

2.1.11

In een brief van 3 maart 2014 heeft de advocaat van [appellante] onder meer het volgende

aan De Hoek meegedeeld:

(...)

Op verzoek van cliënte is aan Kersten Experts opdracht verstrekt om onderzoek te verrichten naar de oorzaak van de problemen met de motor. Uit het rapport van expertise is gebleken dat het gesloten koelsysteem van de motor niet, of onvoldoende, is ontlucht voordat de motor in gebruik is genomen. Hierdoor heeft de motor geen koelwater kunnen aanzuigen en heeft er geen koeling opgetreden. Ontluchting van het koelsysteem behoort tot de normale en noodzakelijke handelingen na inbouw van een motor. Daarnaast is, tegen advies van Kersten experts in, geen koelwateralarm aangebracht op de motor. Het niet aanbrengen van een koelwater alarm op de buitenstuurstand wordt door de expert onzorgvuldig genoemd.

Gelet op het vorengaande en het feit dat de motor door u geïnstalleerd en in gebruik genomen is, stelt de expert vast dat u aansprakelijk bent voor de schade die hiervan het gevolg is. (...)

Namens cliënte stel ik u nadrukkelijk in gebreke terzake uw verplichting om de opgetreden gebreken te herstellen en daarnaast stel ik u aansprakelijk voor de gevolgschade, bestaande uit gederfde inkomsten in het seizoen van 2013 door cliënte voorlopig begroot op een bedrag groot € 15.000,- en het komende vaarseizoen te lijden schade, bestaande uit gederfde inkomsten in het seizoen van 2014 zolang de motor nog niet hersteld is. In totaal kan de schade voor cliënte zomaar op een bedrag ver boven de € 30.000,00 uitkomen.

Ondanks uw plicht tot herstel bent u tot op heden niet overgegaan tot vervanging van de motor, noch heeft u cliënte perspectief geboden op een vergoeding van de door haar inmiddels geleden schade. U heeft op 25 februari jl. cliënte gemaild dat de verzekeraar een bedrag terzake de geleden schade heeft uitgekeerd en haar verzocht om in overleg te treden over wat er dient te gebeuren. Het antwoord is dat van cliënte op geen enkele wijze kan worden verlangd dat zij een financiële bijdrage levert aan de kosten voor het herstel van de boot en de gevolgschade.

Ik verzoek u en voor zover nodig sommeer is u om binnen zeven dagen na dagtekening dezes, mij te berichten dat u bereid bent de motor te herstellen en dat u bereid bent een serieus financieel gebaar te maken richting cliënte met betrekking tot de gevolgschade, bij gebreke waarvan cliënte de overeenkomst met u zal ontbinden, de situatie door derden zal laten herstellen en de daarmee gemoeide kosten en gevolgschade op u verhalen.

(...)

2.1.12

In een brief van 31 maart 2014 heeft De Hoek onder meer het volgende aan [appellante]

meegedeeld:

(...)

Wij betwisten dat de schade het gevolg is van onvoldoende ontluchting van het koelsysteem. Het systeem is namelijk wel degelijk voldoende ontlucht. (...)

Om te achterhalen wat de werkelijke oorzaak is van de gebreken, hebben wij contact gezocht met de Wetter Wille. Zij verklaarden dat de [C] ook in de periode dat zij het schip in de verhuur hadden, veel problemen kende. Daarnaast hebben wij het bedrijf Motorenrevisiebedrijf De Schiffart gevraagd om hun oordeel in deze kwestie. Zij gaven aan dat het koelsysteem ontoereikend is voor een motor met een vermogen van meer dan 46pk. Ik verwijs naar het bijgevoegde rapport. Het koelsysteem is dus simpelweg niet toereikend. (...)

Gelet op het bovenstaande zijn niet wij, maar is uw cliënte aansprakelijk voor de schade ontstaan door de oververhitting. (…)

Overigens vergeet u ten aanzien van de schade aan de motor te vermelden dat door de

verzekeringsmaatschappij per saldo een schadebedrag van € 5.722 (€ 3.630 en € 2.092) is

overgemaakt. Dit bedrag is beschikbaar om deze 2e schade te herstellen.

Openstaande factuur eerste reparatie

conform het contract hebben wij de herstelkosten van de eerste schade (na aftrek van de

verzekeringsuitkering) bij uw cliënte in rekening gebracht. Uw cliënt is tot op heden in gebreke gebleven om deze kosten, ad € 5.902,41 aan ons te vergoeden.

Zolang de schade niet vergoed is en de factuur niet is voldaan ofwel een regeling is getroffen (zie opties hierna), schorten wij al onze verplichtingen naar uw cliënte op. In het bijzonder beroepen wij ons op ons retentierecht op de [C] .

(...)

2.1.13

In een brief van 9 september 2014 heeft de advocaat van [appellante] onder meer het

volgende aan De Hoek meegedeeld:

Langs deze weg deel ik u mede dat cliënte, mevrouw [appellante] , gebruik maakt van de wettelijke mogelijkheid om haar vordering op u tot nakoming om te zetten in een vordering tot schadevergoeding. Concreet betekent dit dat de vordering tot herstel van de boot van cliënte, de [C] , wordt omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding nu cliënte als gevolg van uw verzuim om tot herstel van de boot over te gaan genoodzaakt is het herstel te doen uitvoeren door derden.

(...)

2.1.14

Na het uitbrengen van de dagvaarding hebben partijen onder voorbehoud van rechten een regeling getroffen, inhoudende dat de [C] door De Hoek aan [appellante] wordt afgegeven tegen betaling van € 2.162,00 door [appellante] aan De Hoek. Dit bedrag is het saldo van de vordering die De Hoek op [appellante] stelt te hebben ter hoogte van € 7.884,- (met name bestaande uit de openstaande factuur van 12 november 2013) verminderd met de verzekeringsuitkering voor de tweede schade ter hoogte van € 5.722,-. Het bedrag van € 2.162,00 is op 24 september 2014 door [appellante] onder protest betaald aan De Hoek, waarna De Hoek tot afgifte van de [C] aan [appellante] is overgegaan.

3 De vorderingen en de beslissing van de rechtbank

3.1

[appellante] heeft in de oorspronkelijke conventie kort gezegd een verklaring voor recht gevraagd die inhoudt dat De Hoek tegenover haar toerekenbaar is tekortgekomen ter zake van de aan haar opgelegde verplichtingen, althans dat zij onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij gehouden is de schade van [appellante] te vergoeden. Ook is veroordeling gevraagd tot vergoeding van die schade, te weten de kosten van het herstel, gederfde inkomsten (met een voorschot van € 30.000,-), transportkosten takel- en stallingskosten, schade ter zake van verwaarloosd onderhoud en buitengerechtelijke kosten. Daarnaast is gevorderd dat De Hoek c.s. worden veroordeeld tot restitutie van € 2.160,- wegens onverschuldigde betaling.

3.2

De Hoek c.s. vorderen van hun kant ook vergoeding van misgelopen inkomsten, vergoeding van € 616,50 als in conventie wordt geoordeeld dat dit bedrag als onderdeel van de factuur van 12 november 2013 moet worden terugbetaald en vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

3.3

De rechtbank heeft De Hoek c.s. in conventie veroordeeld tot terugbetaling van genoemd bedrag van € 616,50 en heeft de vorderingen voor het overige afgewezen.

3.4

In dit hoger beroep is, na eisvermindering bij gelegenheid van de gehouden comparitie (waarbij grief III met de bijbehorende eisvermeerdering met betrekking tot de tweede schade is ingetrokken), kortgezegd gevorderd (i) restitutie van hetgeen ten onrechte inzake de eerste schade aan De Hoek is betaald (onderscheidenlijk € 3.698,36, € 1.080,- en € 1.981,59 - telkens exclusief btw) en (ii) vergoeding van gederfde inkomsten (€ 20.000,-), een en ander te vermeerderen met rente en kosten.

3.5

Ook is veroordeling van De Hoek c.s. gevorderd tot het verstrekken van een correct en volledig overzicht van de boekingen in 2013. Tegen deze eisvermeerdering is geen bezwaar gemaakt. Dit deel van de vordering acht het hof op zichzelf ook niet in strijd met de beginselen van een goede procesorde. De vordering is niet bestreden en ligt daarom voor toewijzing gereed.

4 De beoordeling van de grieven

Inleiding

4.1

De grieven lenen zich voor de hierna volgende gezamenlijke, thematische bespreking. Het hof tekent daarbij het volgende aan.

In deze zaak hebben zich kort na elkaar twee ingrijpende schadeveroorzakende incidenten voorgedaan. De vraag of De Hoek c.s. gehouden zijn de door het tweede incident veroorzaakte schade te vergoeden, is niet langer aan de orde. Het geschil draait in de kern alleen nog om de vraag of zij die verplichting op grond van de overeenkomst ten aanzien van de eerste schade hadden en - in het verlengde daarvan - hoe hoog die schade was, alsmede of zij zich op een retentierecht mochten beroepen zo lang die schade (voor zover deze niet door de verzekering is gedekt) niet volledig door [appellante] was vergoed.

De vraag voor wiens rekening de schade dient te komen die door het eerste incident is veroorzaakt (de grieven I en II).

4.2

Het overgrote deel van de grieven heeft als strekking dat sprake is van een overeenkomst tot rompbevrachting als bedoeld in artikel 8:990 BW, althans mede een huurovereenkomst in de zin van artikel 7:201 e.v. BW. De consequentie van het eerste is volgens [appellante] dat de exploitatie van het schip door de rompbevrachter geheel voor diens rekening plaatsvindt. De Hoek c.s. draaien in deze lezing daarom op voor alle kosten die gemoeid zijn met het in verhuurbare staat houden van het schip - dus ook voor kosten van herstel van motorschade. Dezelfde conclusie trekt [appellante] als niet sprake is van rompbevrachting, maar van huur. Ingevolge artikel 7:218 lid 2 BW zullen De Hoek c.s. aan moeten tonen dat de schades niet zijn ontstaan door tekortschieten van De Hoek zelf of van de huurders (artikel 7:219 BW, gezien ook artikel 7:224 BW). De overeenkomst moet volgens [appellante] hoe dan ook zo worden uitgelegd dat zijzelf in beginsel - behoudens persoonlijke verwijtbaarheid, en met uitzondering van kosten van verbetering - alleen moet bijdragen aan investeringen in en verbeteringen aan het schip. Er is geen aanleiding op dit beginsel een uitzondering te maken. De door De Hoek op zich genomen verzekeringsplicht is een belangrijke aanwijzing voor deze uitleg, aldus [appellante] . De Hoek c.s. bestrijden dit standpunt en houden vast aan hun stelling dat sprake is van een opdracht tot het sluiten van huurovereenkomsten aangaande de [C] .

4.3

Bij de beoordeling van dit standpunt stelt het hof voorop dat bij de uitleg van een schriftelijk contract alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, van beslissende betekenis zijn. Deze uitleg dient niet plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het contract is gesteld, maar in praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dit geschrift als geheel in de desbetreffende kring van het maatschappelijk verkeer hebben, vaak wel van groot belang (vgl. HR 20 februari 2004, LJN: AO1427; NJ 2005, 493 en HR 5 april 2013, LJN BY8101).

Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat de vraag welke partij verzekeringsplichtig is, los staat van de vraag voor wiens rekening welke kosten komen, te meer omdat partijen het erover eens zijn dat de verzekeringspenningen toekomen aan de partij die de schade dient te dragen.

4.4

Gesteld noch gebleken is dat partijen bij de totstandkoming van de overeenkomst verklaringen hebben gedaan of gedragingen hebben verricht die mogelijk van invloed zijn op de uitleg van het beding. Gelet daarop komt het vooral aan op de objectieve gangbare betekenis van de bewoordingen ervan en van de bijbehorende toelichting (vergelijk HR 23 december 2005, LJN: AU2414, RvdW 2006/17). Van belang is verder dat de wettelijke bepalingen ter zake van rompbevrachting van regelend recht zijn, en dat die bepalingen er dus niet zonder meer aan in de weg staan dat schades als de onderhavige voor rekening van de eigenaar blijven.

4.5

Uit de tekst van de overeenkomst blijkt dat [appellante] het recht toekwam het schip kosteloos te gebruiken als het niet was verhuurd en - belangrijker - wanneer zij zelf een periode zou reserveren. Dat betekent dat zij zogezegd een eerste recht van kostenvrij gebruik had - en dus enige zeggenschap over het schip. Een dergelijk recht verdraagt zich niet met het standpunt van [appellante] over de aard van de overeenkomst.

4.6

De overeenkomst bepaalt bovendien dat de kosten van technisch onderhoud voor rekening van [appellante] blijven, en dat slechts de kosten van vervanging van onderdelen door De Hoek moeten worden betaald. Ook dat is onverenigbaar met het standpunt dat sprake is van rompbevrachting. Bij een dergelijke overeenkomst komen immers niet slechts schades voor rekening en risico van de rompbevrachter, maar ook de kosten van groot onderhoud.

4.7

Het standpunt dat sprake zou zijn van rompbevrachting is niet alleen onverenigbaar met de tekst van de overeenkomst, het is ook strijdig met wat over de kostenverdeling door [appellante] zelf ter zitting in eerste aanleg is verklaard: De meeste grote schade-evenementen of storingen werden met mij afgestemd. Na afloop ontving ik een nota en dan werd deze betaald. Het vervangen geldt ook voor slijtage. Bij de meeste schade-evenementen werd er door [geïntimeerde2] gebeld of gemaild of ik akkoord ging met het bedrag. Kleine dingen werden gewoon gerepareerd en voor duurdere dingen hadden we eerst contact.

In hoger beroep is [appellante] daar niet op teruggekomen. Uit de stukken blijkt bovendien dat [appellante] dienovereenkomstig heeft gehandeld. Het hof verwijst daartoe naar de opgave van werkzaamheden in een ongedateerde brief van De Hoek (productie 4 bij inleidende dagvaarding) die onder meer aanleiding was tot vervanging van een schroefas op kosten van [appellante] (zie verder hiervoor, bij rechtsoverweging 2.1.3).

4.8

Dat (ook) sprake zou zijn van een huurovereenkomst, is evenmin deugdelijk onderbouwd, nu de overeenkomst spreekt over verhuur door De Hoek, en niet [appellante] . Daar komt bij dat de stellingen van [appellante] leiden aan innerlijke tegenstrijdigheid. [appellante] acht het namelijk niet relevant of de huurder aan de schade schuld heeft. Dat is niet verenigbaar met de gevolgen die [appellante] verbindt aan haar stelling dat sprake is van huur. In dat geval kan De Hoek volgens [appellante] immers alleen aansprakelijk zijn als de schade is ontstaan door tekortschieten van De Hoek zelf (wat hoe dan ook niet aan de orde is), dan wel van een huurder (wat [appellante] kennelijk niet van belang acht).

4.9

Gelet op al het voorgaande, en met name omdat in de overeenkomst is bepaald dat De Hoek de [C] van [appellante] tegen betaling van een commissie over de totale huuropbrengst zou gaan verhuren, volgt het hof De Hoek in haar uitleg van de overeenkomst, die er op neer komt dat zij het schip in opdracht van [appellante] heeft verhuurd en daarvoor aanspraak kan maken op een aan de omzet gerelateerd, en als commissie aangeduid loon (lastgeving als bedoeld in artikel 7:414 BW, met kenmerken van bewaarneming). Ook het gebruik van het woord commissie duidt daar op. Het feit dat die commissie 50% van de verhuurinkomsten beliep, kan niet tot een ander oordeel leiden. De hierop betrekking hebbende grieven falen.

De hoogte van de door De Hoek c.s. opgevoerde schade (grieven IV, V en VI)

4.10

De memorie van grieven bevat slechts op enkele onderdelen een gemotiveerde klacht tegen de in de factuur van 12 november 2013 in rekening gebrachte kosten c.q. de nadere kosten. Het hof zal die kostenposten hierna behandelen. Voor het overige stranden de grieven ter zake bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing.

Ligplaats en kranen Giethoorn (€ 322,31) en begeleiding afhandeling schade de Hoek (€ 200,-)

4.10.1

Er is volgens [appellante] geen reden waarom De Hoek c.s. deze kosten op haar zouden kunnen verhalen, omdat het incident dat voor de kosten aanleiding heeft gegeven in de risicosfeer van De Hoek ligt. Hiervoor heeft het hof dat uitgangspunt echter al verworpen.

Extra kosten voor het inhuren van andere schepen (€ 766,32)

4.10.2

Deze kostenpost moet worden opgevat als het negatieve saldo van verhuurinkomsten en huurlasten na het eerste incident. Gedurende de periode dat het schip van [appellante] niet kon worden ingezet, heeft De Hoek voor vervanging moeten zorgen. Deze schadepost is met de overgelegde stukken afdoende onderbouwd (productie 23 bij conclusie van antwoord in conventie). Dergelijke kosten komen ingevolge de hiervoor weergegeven uitleg van de overeenkomst voor rekening van [appellante] .

Hetzelfde geldt voor de factuur van Jachtservice De Leeuw (in totaal € 2.490,-), waarvan de navolgende posten afzonderlijk zijn bestreden.

Uren berging schip (€ 312,-), schip retour varen haven Langweer (€ 312,-) en gebruik sleepboot (€ 190,-)

4.10.3

Niet is betwist dat de [C] na het eerste incident naar de haven moest worden gesleept. De daarvoor berekende kosten zijn afdoende aannemelijk gemaakt, evenals de daarmee verband houdende kosten (productie 20 bij conclusie van antwoord in conventie).

4.10.4

Voorts is volgens [appellante] ten onrechte aanvullend € 1.887,85 in rekening gebracht ter zake van kosten voor een ligplaats en verzekering in 2014. Dit zijn kosten die gedurende de looptijd van de overeenkomst voor rekening van De Hoek kwamen, maar die in 2014, na de beëindiging van de overeenkomst, door haar zijn gemaakt gedurende de periode dat het retentierecht werd uitgeoefend. De noodzaak van het maken van kosten voor een ligplaats (of de hoogte van het gevorderde bedrag) staat op zichzelf niet ter discussie.

Naar het oordeel van het hof komen deze kosten voor rekening van [appellante] , nu het retentierecht terecht is uitgeoefend (zie ook hierna). Onvoldoende is onderbouwd dat - en zo ja, waarom - geen aanleiding bestond voor het handhaven van de verzekering. Voor deze kostenpost geldt voor het overige wat hiervoor over de ligkosten werd overwogen.

4.10.5

De grieven worden verworpen.

Het ingeroepen retentierecht en de door [appellante] gevorderde € 20.000,- ter zake van gederfde inkomsten (grief VII)

4.11

[appellante] verwijt De Hoek dat zij gedurende de seizoenen 2013 (vanaf juli) en 2014 geen gebruik heeft gemaakt van het schip. Van De Hoek had volgens [appellante] mogen worden verwacht dat zij de schade na het eerste incident binnen bekwame tijd zou herstellen. De inkomstenschade die het gevolg is van het feit dat het schip na verloop van twee maanden nog steeds niet in bedrijf was, moeten De Hoek c.s. volgens [appellante] aan haar betalen. Hetzelfde geldt voor het achterwege blijven van herstelmaatregelen na het tweede incident. Na beëindiging van de overeenkomst heeft De Hoek volgens [appellante] bovendien ten onrechte een retentierecht ingeroepen. Het hof oordeelt over dit alles als volgt.

4.12

Met het voorgaande is komen vast te staan dat de schade van het eerste incident voor rekening van [appellante] komt, en dat De Hoek de kosten die zij daarvoor had gemaakt aan die partij in rekening mocht brengen. Onvoldoende is onderbouwd dat De Hoek is tekortgeschoten in de verplichting het schip zo spoedig mogelijk weer in de vaart te nemen. Een beroep op het enkele tijdverloop van enkele maanden volstaat daartoe niet. Nadat de noodzakelijke reparaties waren verricht, en nadat het schip opnieuw uit de vaart moest worden genomen, is een patstelling ontstaan doordat [appellante] weigerde de kosten van het eerste herstel te betalen. De Hoek heeft pogingen gedaan die impasse te doorbreken. Zo heeft zij in haar brief van 31 maart 2014 (aan het begin van het nieuwe seizoen) een aantal opties voorgesteld om tot een oplossing te komen. Partijen zijn daar echter op dat moment niet uitgekomen.

Dat op enig moment een schade-uitkering door De Hoek werd ontvangen ter zake van de tweede schade, kan haar in dit verband niet worden tegengeworpen, omdat die diende tot vergoeding van kosten van de tweede schade. Het was De Hoek niet toegestaan die uitkering in mindering te brengen op de schuld die [appellante] als gevolg van het eerste incident aan haar had, en kennelijk hebben partijen ook geen overeenstemming kunnen bereiken omtrent de aanwending van dat bedrag teneinde de tweede schade te adresseren.

Zoals de rechtbank in het bestreden vonnis onder 5.5 en 5.11.1 heeft overwogen, kon De Hoek zich na afloop van het seizoen 2013 op haar retentierecht blijven beroepen. Dat het aan haar is te wijten dat partijen uiteindelijk pas na de inleidende dagvaarding (en daarmee zelfs pas na afloop van het vaarseizoen 2014) de impasse hebben weten te doorbreken, is ook overigens niet onderbouwd.

4.13

De grief kan geen doel treffen.

De conclusie

4.14

Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. De niet aan de rechtbank ter beoordeling voorgelegde vordering tot het doen van rekening en verantwoording zal worden toegewezen. [appellante] zal ook in hoger beroep als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen (tariefgroep III, 2 punten).

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

17 juni 2015;

gebiedt De Hoek c.s. een correct en volledig overzicht te verstrekken van de boekingen in 2013;

veroordeelt [appellante] in de kosten van dit hoger beroep, tot aan deze bestreden uitspraak aan de zijde van De Hoek c.s. vastgesteld op € 1.937,- voor verschotten en op € 2.782,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 157,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,00 in geval [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze (na)kosten te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving en betekening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. W.F. Boele, en mr. H.M. Fahner en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

23 oktober 2018.