Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:919

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-01-2018
Datum publicatie
24-05-2018
Zaaknummer
200.229.018/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot schorsing werking beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.229.018/02

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 440649 en 444796)

beschikking van 30 januari 2018 op het verzoek tot schorsing

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.T.E. Kranenburg te Bergen op Zoom,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. G.H. Zijlstra te Soest.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 27 september 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

Partijen hebben twee minderjarige kinderen:

  • -

    [kind 1] (verder te noemen: [kind 1]), geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats], en

  • -

    [kind 2] (verder te noemen: [kind 2]), geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats].

Bij de voormelde beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang en uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat de moeder haar medewerking dient te verlenen aan inschrijving van [kind 2] op de [basisschool 1] dan wel [basisschool 2], beide te [woonplaats], en indien de moeder niet binnen een week na ontvangst van deze beschikking haar medewerking heeft verleend, dat de beschikking in de plaats komt van de toestemming en de medewerking van de moeder.

2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op 28 november 2017;

  • -

    de wijziging c.q. aanpassing van het petitum van het beroepschrift, tevens verzoek tot schorsing, ingekomen 11 december 2017;

  • -

    het verweerschrift tegen het verzoek tot schorsing met één productie.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 4 januari 2018 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. De vader is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.J. van Kuijk die mr. G.H. Zijlstra verving.

3 De motivering van de beslissing

3.1

De moeder verzoekt het hof schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking, voor zover het betreft de beslissing van de rechtbank dat de moeder haar medewerking dient te verlenen aan de inschrijving van [kind 2] op een van de daarin vermelde basisscholen. De vader voert hiertegen gemotiveerd verweer.

3.2

Hoger beroep schorst de werking van een beschikking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.

3.3

Het hof stelt het volgende voorop onder verwijzing naar HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688 en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012.

  • -

    i) De verzoeker moet belang hebben bij de door hem gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking.

  • -

    ii) Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een beschikking moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van zijn wederpartij bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van de beschikking. Indien de beslissing de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft, is het belang van de schuldeiser bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in beginsel gegeven.

  • -

    iii) Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het hoger beroep in beginsel buiten beschouwing.

  • -

    iv) Indien de rechtbank in eerste aanleg een gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de verzoeker die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn verzoek ten grondslag moeten leggen een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden uitspraak dan wel feiten en omstandigheden die bij die beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

  • -

    v) Indien de rechtbank in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven op de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad geldt de hiervoor onder (iv) vermelde eis niet en moet worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (i) tot en met (iii) vermelde.

Dat neemt niet weg dat ook dan de verzoeker die wijziging van de beslissing over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad wenst aan zijn vordering ten grondslag kan leggen een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden uitspraak dan wel feiten en omstandigheden die bij die beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

3.4

De vader heeft verklaard dat hij [kind 2] op 24 november 2017 heeft ingeschreven op de [basisschool 2] te [woonplaats]. Voort heeft hij meegedeeld dat hij zolang het beroep in de hoofdzaak loopt, niet de intentie heeft om de daadwerkelijke schoolgang van [kind 2] af te dwingen middels een kort geding.

De moeder heeft verklaard dat [kind 2] de school niet bezoekt. De moeder heeft haar spoedeisend belang nader onderbouwd door te stellen dat een schorsing spanningen wegneemt. Zij weet dan dat de huidige situatie voorlopig voortduurt en hoeft zich dan geen zorgen meer te maken dat een instantie bewerkstelligt dat [kind 2] toch naar de basisschool moet gaan.

Het hof is van oordeel dat de moeder voldoende belang heeft bij de door haar gevorderde schorsing en ontvankelijk is in haar verzoek.

3.5

Vervolgens beoordeelt het hof de stelling van de moeder dat de rechtbank zonder enige, althans een expliciete motivering de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. De vader heeft hiertegen verweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 3.17 van de bestreden beschikking, dat het in het belang van [kind 2] is dat zij spoedig mogelijk alsnog naar school kan gaan, moet in de visie van het hof worden opgevat als een expliciete motivering om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, met name in het licht van hetgeen de rechtbank voorafgaand aan dit oordeel in dezelfde rechtsoverweging heeft overwogen. De rechtbank heeft vastgesteld dat [kind 2] leerplichtig is en is van oordeel dat er gerede twijfel bestaat of de moeder in staat is om een goede invulling te geven aan thuisonderwijs. Daarnaast heeft de rechtbank onder 3.18 van de bestreden beschikking overwogen dat een dwangsom niet aan de orde is omdat [kind 2] als leerplichtige naar school dient te gaan en door de leerplichtambtenaar zal worden toegezien op haar schoolgang.

Op grond van het hiervoor overwogene dient het onder (v) vermelde criterium buiten beschouwing worden gelaten en is het criterium zoals hiervoor genoemd onder (iv) van toepassing.

3.6

De moeder stelt in dat kader (subsidiair) dat sprake is van een evidente misslag. De rechtbank heeft zijn oordeel, dat niet kan worden vastgesteld of de moeder in staat zal zijn [kind 2] een goed alternatief te bieden, niet gebaseerd op feiten en concrete omstandigheden. Er is geen gericht onderzoek verricht door de raad naar haar onderwijsgevende capaciteiten en het onderzoek van Veilig Thuis was nog niet afgerond ten tijde van de mondelinge behandeling bij de rechtbank. Bovendien is het onderzoek van Veilig Thuis niet bedoeld om als advies te dienen. Middels een keurmerk van Stichting Keurmerk Thuisonderwijs zal de moeder op korte termijn de bij de rechtbank ontstane indruk kunnen wegnemen. De eerste concrete stap daarin is dat zij heeft deelgenomen aan een scholingsdag op 18 november 2017 voor het opstellen van een onderwijsplan. Voorts zijn verschillende hulpverleners inmiddels bij haar thuis geweest, waaronder een medewerkster van SaVe. Deze hulpverleners kunnen allemaal getuigen dat haar huishouden nu wel prima op orde is. Het oordeel van de rechtbank is gebaseerd op een momentopname die een vertekend beeld geeft, en op onjuiste en achterhaalde aannames.

3.7

De vader voert hiertegen verweer en stelt onder meer dat de moeder tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft aangegeven dat zij zonder hulp niet in staat is om structuur te krijgen in haar dag en de schoonmaak van haar woning te organiseren. Bij de gemeente heeft de moeder in april aangegeven dat zij al een half jaar ziek is, geen energie heeft en een traplift nodig heeft. Sinds halverwege 2016 heeft zij een WMO-indicatie voor vijf uur per week huishoudelijk hulp en coaching. Op basis van die informatie kon de rechtbank niet concluderen dat de moeder in staat is om goed thuisonderwijs te geven.

3.8

Het hof is van oordeel dat geen sprake is van een evidente misslag. De rechtbank heeft voldoende onderbouwd overwogen op basis van welke feiten en omstandigheden er twijfel bestond of de moeder in staat zal zijn om een goede invulling te geven aan thuisonderwijs. Op grond van de informatie die ten tijde van de behandeling in eerste aanleg voorhanden was, is een voldoende zorgvuldige afweging gemaakt en kon de rechtbank redelijkerwijs tot een dergelijk oordeel komen. Dat volgens de moeder een dergelijke afweging tot een ander oordeel zou moeten leiden, kan geen misslag worden genoemd.

Voorts is het hof van de oordeel dat de aanvullende informatie van de moeder, die in eerste aanleg nog niet voorhanden was, niet voldoende is om een afwijking van de eerdere beslissing van de rechtbank te rechtvaardigen. Dat de moeder op 6 oktober 2017 een vrijstelling van de inschrijvingsplicht van de gemeente Baarn heeft ontvangen, dat zij bezig is een keurmerk van Stichting Keurmerk Thuisonderwijs te verkrijgen en in dat kader inmiddels heeft deelgenomen aan een scholingsdag voor het opstellen van een onderwijsplan en dat zij mogelijk inmiddels beter in staat is structuur in haar dagelijks leven en huishouding aan te brengen, zijn daartoe niet voldoende zwaarwegend.

3.9

Op grond van het vorenstaande van het hof het verzoek van de moeder de schorsing te bevelen van de bestreden beschikking afwijzen.

3.10

Aan een beoordeling van de overige stellingen van de moeder komt het hof niet toe, nu deze stellingen zijn aangevoerd in het kader van de toetsing aan het ruimere criterium onder (v), dat in het onderhavige geval niet van toepassing is.

3.11

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de uit die relatie geboren kinderen betreft.

4 De beslissing

Het hof:

wijst het verzoek van de moeder af;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.Th. Weijers-van der Marck, J.B. de Groot en M.J. Stolwerk, bijgestaan door de griffier, en is op 30 januari 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.