Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9105

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
200.199.737/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eiseres (geïntimeerde) heeft onvoldoende onderbouwd dat de aan haar geleverde hortensia’s op stam niet aan de overeenkomst hebben beantwoord. Die ‘kwalitatieve tekortkoming’ kan daarom de ontbinding van de overeenkomst niet dragen. Dat geldt ook voor de gestelde ‘kwantitatieve tekortkoming’ (minder geleverd dan overeengekomen) omdat het verzuim van eiseres, die is gestopt met de betaling van facturen, daaraan in de weg staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.199.737/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/101600/ HA ZA 13-281)

arrest van 16 oktober 2018

in de zaak van

[appellant] h.o.d.n. [appellant] Hydrangea Cultures,

wonende te [A] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. H.J. Schaatsbergen, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

Jeddeloh B.V.,

gevestigd te Emmen,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: Jeddeloh,

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 6 februari 2018 hier over. Naar aanleiding daarvan heeft op 14 september 2018 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Een kopie van het proces-verbaal dat daarvan is opgemaakt is aan het ten behoeve van de comparitie overgelegde dossier toegevoegd. Van beide zijden zijn spreekaantekeningen overgelegd en door [appellant] zijn producties 22 en 23 in het geding gebracht. Op 3 oktober 2018 is van mr. Meijer commentaar ontvangen op het proces-verbaal. Mr. Schaatsbergen heeft in een brief van 11 oktober 2018 ook commentaar geleverd. Voor zover nodig, zal het hof daarop ingaan. Het hof heeft arrest bepaald op basis van de hiervoor genoemde stukken.

2 De vaststaande feiten

2.1

Tussen partijen staat, voor zover dat voor de beoordeling van dit hoger beroep van belang is, het volgende vast.

2.1.1

[appellant] houdt zich bezig met de teelt van sierplanten, Jeddeloh met het telen en kweken van planten en bomen.

2.1.2

Jeddeloh heeft in haar assortiment hortensia's van het type Endless Summer. In 2008 is zij in contact gekomen met [appellant] . Jeddeloh wenste Endless Summer op stam te laten kweken, waarbij het kweekmateriaal (de moederplanten) zou worden geleverd door Jeddeloh. Dit type hortensia was nog niet eerder op stam gekweekt.

2.1.3

Op 3 september 2009 heeft Jeddeloh 15.000 stuks Endless Summer met een stam van 40 cm besteld bij [appellant] . De bestelling werd later teruggebracht tot 10.000 hortensia's.

2.1.4

Op 18 maart 2010 zijn 1.500 stuks Endless Summer met een stam van 20 cm bij Jeddeloh afgeleverd.

2.1.5

Op 15 juni 2010 heeft Jeddeloh 5.000 stuks hortensia's van het subtype Twist & Shout met een stam van 40 cm besteld bij [appellant] .

2.1.6

Op 8 februari 2011 zijn 2.200 stuks Endless Summer met een stam van 20 cm bij Jeddeloh afgeleverd.

2.1.7

Op 20 juni 2012 heeft [appellant] meegedeeld ongeveer 6.000 stuks Endless Summer beschikbaar te hebben en ongeveer 1.250 stuks Twist & Shout (40 cm op stam).

2.1.8

Op 21 juni 2012 heeft [appellant] een monsterzending van 80 stuks Endless Summer met een stam van 40 cm aan Jeddeloh gestuurd. Die levering is geaccepteerd.

2.1.9

Op 16 juli 2012 heeft Jeddeloh meegedeeld de door [appellant] gekweekte planten in ontvangst te willen nemen.

2.1.10 23

23 juli 2012 zijn vervolgens 6.950 stuks Endless Summer en 1.450 stuks Twist & Shout met een stam van 40 cm bij Jeddeloh afgeleverd.

2.1.11

Op 26 juli 2012 heeft Jeddeloh aan [appellant] geschreven:

"(..) Leider war er (lees: de heer [B] ) mit der Qualität der Stämme nicht zufrieden.

Die Stämme waren sehr dünn und teilweise krumm. (..)"

2.1.12

Op 4 augustus 2012 heeft [appellant] Jeddeloh een factuur gezonden ad € 29.213,60 voor de leveringen op 21 juni en 23 juli dat jaar. Jeddeloh heeft die factuur niet betaald.

3 De vorderingen en de beslissing van de rechtbank

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg in de oorspronkelijke conventie kortgezegd betaling van de hiervoor genoemde factuur gevorderd, te vermeerderen met (handels)rente en vergoeding van de kosten van verzorging van de moederplanten (€ 6.240,-).

In reconventie heeft Jeddeloh gevorderd voor recht te verklaren dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de gesloten overeenkomsten. Ook is in verschillende varianten veroordeling van [appellant] gevorderd tot betaling van vervangende schadevergoeding, te vermeerderen met (handels)rente. Deze schade is door Jeddeloh begroot op € 33.637,17.

3.2

De rechtbank heeft een deskundige benoemd (vonnissen van 1 oktober 2014 en

14 januari 2015) en heeft bij eindvonnis van 22 juni 2016 de beide vorderingen afgewezen.

3.3

De grieven van [appellant] in het principaal appel strekken tot vernietiging van de vonnissen van de Rechtbank van 1 oktober 2014, 14 januari 2015 en 22 juni 2016 voor zover die in conventie zijn gewezen en toewijzing alsnog van de vordering van [appellant] . In het incidenteel appel wordt vernietiging van het bestreden (eind)vonnis gevorderd voor zover dat in reconventie is gewezen, onder toewijzing van de vorderingen van Jeddeloh.

4 In het principaal appel:non-conformiteit (de grieven IV en VI)?

4.1

Jeddeloh heeft zich op het standpunt gesteld dat de overeenkomsten zijn te beschouwen als koop/aanneming en dat de geleverde hortensia's niet de eigenschappen bezaten die zij op basis van die overeenkomsten mocht verwachten. Volgens Jeddeloh is dus sprake van non-conformiteit als bedoeld in artikel 7:17 BW. De rechtbank heeft Jeddeloh in dit verweer gevolgd en heeft om die reden de vordering van [appellant] afgewezen. Het hof zal die grieven hierna beoordelen.

4.2

Een afzonderlijke grief is geformuleerd tegen de overweging van de rechtbank dat sprake is geweest van koop/aannemingsovereenkomsten (grief II). Daaraan zal het hof voorbij gaan: hierna wordt er veronderstellenderwijs van uitgegaan dat partijen telkens koop/aannemingsovereenkomsten hebben gesloten. Aangezien die aanname niet leidt tot enige nadelige beslissing voor [appellant] heeft hij geen belang bij bespreking van deze grief.

4.3

Het verweer dat de geleverde hortensia's in kwalitatieve zin niet aan de overeenkomsten beantwoordden (en zelfs van erbarmelijke kwaliteit waren), is gebaseerd op de volgende stellingen.

a. In 2008 heeft [appellant] - een specialist - aan Jeddeloh een aantal kwalitatief goede hortensia's op stam getoond met een minimale stamdikte van 1,5 cm, althans een stam die in staat was de kruin te dragen. Jeddeloh spreekt in dat verband van voorbeeldplanten (conclusie van antwoord 4, 38 en 39, herhaald in hoger beroep).

b. De stammen van de geleverde hortensia's wijken hiervan af: die zijn krom en zodanig dun dat de kruin niet kon worden gedragen (conclusie van antwoord 16, 19, 25, 29 en 40; comparitieaantekeningen van de zijde van Jeddeloh van 10 juni 2014 onder 4, 7 en 29).

c. Jeddeloh heeft geen doorkweekmateriaal besteld, maar Hortensia's die geschikt zijn voor de verkoop in 5-literpotten als eindproduct (conclusie van antwoord 5 en 19, comparitieaantekeningen 10 juni 2014 onder 1, memorie van antwoord 30 sub 5).

4.4

[appellant] voert in zijn grieven kortgezegd aan dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de stammen van de geleverde hortensia's niet beantwoordden aan hetgeen Jeddeloh op grond van de overeenkomsten mocht verwachten. Anders gezegd, betwist [appellant] dat hij `in kwalitatieve zin` is tekortgeschoten [appellant] betwist dat de planten die Jeddeloh 'voorbeeldplanten' noemt bepalend waren voor wat Jeddeloh van de Endless Summer plantenop stam mocht verwachten.

Er wordt volgens [appellant] verder ten onrechte eraan voorbij gegaan dat de 80 monsterplanten die in juni 2012 zijn geleverd kennelijk wel goed waren. Jeddeloh heeft niet onderbouwd waarom de leveringen met die monsters niet overeenstemden (grief VI).

4.5

Bij de beoordeling van deze grieven moet worden vooropgesteld dat Jeddeloh de monsterplanten in 2012 inderdaad zonder protest heeft geaccepteerd. Dat is volgens die partij ook logisch, omdat de kwaliteit van die planten niet zodanig was dat zij deze levering diende te weigeren. Naar het oordeel van het hof zou dat dan moeten betekenen dat deze planten wat betreft vorm en dikte van de stam overeenkwamen met de voorbeeldplanten. Als die voorbeeldplanten een rechte stam hadden en een stamdikte van 1,5 cm, zoals Jeddeloh heeft gesteld, dan is dan standpunt niet te volgen. Op de foto's van de geaccepteerde monsters zijn immers planten te zien met een kromme stam van 0,6 tot 0,8 cm (de onbetwiste dikte van de geleidestokken). Het hof verwijst daartoe naar onderstaande afbeelding 1.

Afbeelding 1: drie van de 80 in juni 2012 geleverde en geaccepteerde monsters.

4.6

De bewering dat de voorbeeldplanten een stamdikte zouden hebben van 1,5 cm is bovendien niet juist. Het hof verwijst daartoe naar afbeelding 2, waarop een van de planten is afgebeeld die volgens Jeddeloh als voorbeeld heeft gediend. De planten op die foto zijn voorzien van steketiketten met een breedte van 1,6 cm. De stammen benaderen die dikte niet. Op afbeelding 3 (ook van voorbeeldplanten) zijn geleidestokken te zien met - naar onbetwist is gebleven - een handelsmaat van 0,6 tot 0,8 cm. Ook op die foto zijn de stammen niet of nauwelijks dikker dan dat.

Afbeelding 2: voorbeeldplanten met steketiketten

Afbeelding 3: voorbeeldplanten met geleidestokken van 0,6 tot 0,8 cm

4.7

Deze constatering is in overeenstemming met de bevindingen van de door de rechtbank benoemde deskundige Nijeboer, die in zijn rapport op pagina 10 het volgende opmerkt.

"[appellant] heeft Hortensia stammen als voorbeeld getoond. Stamlengte van 60 cm, volgens de foto's in het dossier zijn de stammen ongeveer even dik als de dikte van de stokjes (6 tot 8 mm)."

4.8

Het hof constateert ook dat door Jeddeloh niet is onderbouwd waarom de monsters wel aan de overeenkomst voldeden, maar de nadien geleverde partijen niet. De monsters hadden immers kromme stelen en een stamdikte die vergelijkbaar was met de dikte van de geleidestokken (afbeelding 1). Ditzelfde geldt ook voor de geleverde maar afgekeurde planten. Op afbeelding 4 is een aantal van de afgekeurde planten te zien. Weliswaar hangen die planten, anders dan de monsterplanten scheef, maar duidelijk zichtbaar is dat dit komt doordat de stokken naast die planten scheef staan. Ook is duidelijk dat de verbindingen op de stokken zijn afgezakt, waardoor deze planten er op de afbeelding slap uitzien. Onduidelijk blijft mede daardoor in hoeverre de stammen van de planten op deze foto afwijken van die op afbeelding 1 (de goedgekeurde partij) en waarom dat niet acceptabel zou zijn.

Afbeelding 4: drie planten uit de afgekeurde partij.

4.9

Het standpunt ten slotte, dat Jeddeloh mocht verwachten dat de stam de kruin zelfstandig kon dragen en dat een eindproduct moest worden geleverd, is in de loop van deze procedure prijsgegeven. Namens Jeddeloh is door de heer [B] bij gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg namelijk het volgende verklaard.

"Niet is overeengekomen dat de stammen uiteindelijk de kruin moesten kunnen dragen. Wij

moesten nog verder kweken."

Deze opmerking is in overeenstemming met zijn e-mailbericht van 18 september 2012, waarin wordt gesproken over de "Möglichkeit die Stämme weiter zu kultivieren".

Ter zitting bij het hof is bovendien bevestigd dat de kruin hoe dan ook steeds door een geleidestok moet worden gesteund.

4.10

Samenvattend: de stelling van Jeddeloh dat de stam van de planten steeds recht moest zijn, een dikte van circa 1,5 centimeter moest hebben en de kruin zelfstandig moest kunnen dragen, is ongefundeerd. Hetzelfde geldt voor de stelling dat sprake moest zijn van een verkoopbaar 'eindproduct'. De wel geaccepteerde planten hadden een stamdikte van circa 0,6 tot 0,8 centimeter. Die stammen waren krom en konden de kruin niet zelfstandig dragen. Dat was ook het geval bij de geweigerde planten. Waarom de ene groep wel aan de overeenkomst voldeed en de andere niet, is niet onderbouwd. Dat sprake is geweest van een `kwalitatieve tekortkoming` van [appellant] , valt dan op grond van hetgeen daartoe is aangevoerd dan ook niet in te zien. Dat betekent dat de grieven slagen.

In het principaal appel: grond voor ontbinding van de overeenkomsten (grieven V en XIV)?

4.11

In grief XIV voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de tekortkoming aan zijn zijde zodanig is dat die de ontbinding van de overeenkomsten rechtvaardigt.

Het hof heeft hiervoor al overwogen dat het standpunt dat de geleverde hortensia's niet aan de overeenkomsten hebben beantwoord bij gebrek aan onderbouwing moet worden verworpen. Op die grond was dus geen ruimte voor ontbinding van de overeenkomsten. Daarmee doet de vraag zich voor of de ontbinding wel kan worden gebaseerd op de stelling dat minder hortensia's zijn geleverd dan overeengekomen (2.970 stuks minder Endless Summer en 3.550 minder Twisthortensia's). De rechtbank heeft zich daar niet over uitgelaten; zij heeft de kwantitatieve en de kwalitatieve tekortkoming gezamenlijk aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat de overeenkomsten dienen te worden ontbonden.

Het hof oordeelt hierover als volgt.

4.12

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat Jeddeloh ten onrechte de facturen van [appellant] onbetaald heeft gelaten en zelf in verzuim is komen te verkeren. Daardoor kon [appellant] niet in verzuim geraken ter zake van de verdere leveranties waarin de overeenkomsten voorzagen. Grief V slaagt. Nu geen sprake was van een tekortkoming aan de zijde van [appellant] , bestaat ook geen grond voor ontbinding van de overeenkomst door Jeddeloh. Grief XIV slaagt ook.

5 In het principaal appel: de hoogte van de vordering

5.1

[appellant] heeft betaling gevorderd voor de verzorging van de moederplanten. De verzorging van de moederplanten moet in het geval dat [appellant] niets meer kan leveren volgens haar gezien worden als onkosten die op grond van art. 7:406 lid 1 BW door Jeddeloh vergoed moeten worden. In dat standpunt kan zij niet worden gevolgd. [appellant] stelt zich in de onderbouwing van deze vordering immers juist op het standpunt dat de verzorgingskosten in de beloning zijn verdisconteerd - en zij heeft niet, daarop voortbouwend, de overeenkomst ontbonden en deze kosten op grond van artikel 6:2777 BW (als ontbindingsschade) gevorderd. Dit een en ander is onverenigbaar met een beroep op artikel 7:406 BW, omdat daaraan juist ten grondslag ligt dat de kosten van verzorging niet in de beloning zijn verdisconteerd.

5.2

Met uitzondering van grief XVII kunnen de nog niet besproken grieven van [appellant] bij gebrek aan belang onbesproken blijven.

6 In het incidenteel appel: de gevorderde schadevergoeding

6.1

Met het voorgaande verliezen de incidentele grieven van Jeddeloh aan betekenis. Die grieven zijn gericht tegen de afwijzing van de gevorderde schadevergoeding, en kunnen alleen doel treffen als de overeenkomst op grond van een tekortkoming door [appellant] voor ontbinding vatbaar is. Zoals al werd overwogen, is dat niet het geval.

7. In het principaal en het incidenteel appel: de proceskostenveroordeling (grief XVII van [appellant] en grief III van Jeddeloh)

7.1

Omdat de vordering van [appellant] wordt toegewezen en die van Jeddeloh wordt afgewezen, zal laatstgenoemde zowel in eerste aanleg (in conventie en reconventie) als in hoger beroep in de proceskosten worden verwezen.

8 De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep in het principaal en het incidenteel appel:

vernietigt het vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van

1 oktober 2014, 14 januari 2015 en 22 juni 2016 voor zover die in conventie en in reconventie zijn gewezen en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Jeddeloh tot betaling aan [appellant] van € 29.213,60, vermeerderd met de

wettelijke handelsrente met ingang van 22 september 2012;

wijst het meer of anders gevorderde af;

wijst de vordering van Jeddeloh af;

veroordeelt Jeddeloh in de kosten van de procedure in beide instanties, in eerste aanleg in conventie aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 918,71 voor verschotten en op € 3.222,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief; in reconventie op € nihil voor verschotten en op € 537,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief; in het hoger beroep, tot aan deze uitspraak in het principaal appel op € 804,75 voor verschotten en op € 3.918,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, in het incidenteel appel op € 980,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze uitspraak ten aanzien van de daarin opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. L. Janse en mr. M. Wolters en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

16 oktober 2018.