Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9099

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
200.156.386
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurrecht, sociale woning. Voor toewijzing van de bijzondere huurwoning, met ruimtes die gemeenschappelijk gebruikt werden door een groep oudere huurders (woongroep), heeft de verhuurder bijzondere eisen gesteld aan het gedrag van de woningzoekende waarmee inbreuk werd gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de woningzoekende. Toch handelde de verhuurder in dit geval niet onrechtmatig, omdat zij ook rekening moesten houden met de belangen van de andere leden van de woongroep, welke belangen geschaad zouden kunnen worden door de toetreding van de woningzoekende tot de woongroep doordat hij meermalen onherroepelijk wegens pedoseksuele handelingen was veroordeeld. Zijn entree in die groep zou tot onrust leiden die schadelijk zou zijn voor de woongroep, te meer doordat hij had geprobeerd om zijn strafrechtelijk verleden verborgen te houden voor de woongroep (die hem als nieuw lid had voorgedragen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0843
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht,

zaaknummer gerechtshof 200.156.386

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, kantonrechter Utrecht: 2072001)

arrest van 16 oktober 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. A.P. van Knippenbergh,

tegen:

de stichting

Stichting Portaal,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Portaal,

advocaat: mr. G.J. Scholten.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 18 juni 2014 dat de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 15 september 2014,

- de memorie van grieven tevens akte wijziging eis,

- de memorie van antwoord,

- een akte van [appellant]

- een akte van Portaal.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[appellant] vordert in het hoger beroep, na wijziging van eis, vernietiging van het bestreden vonnis met verklaring voor recht dat Portaal onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld en veroordeling van Portaal tot vergoeding van € 5.000,00 aan immateriële schade.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in het bestreden vonnis. Samengevat en door het hof aangevuld betreffen dit de volgende feiten.

3.2

[appellant] is door het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (LJN: BK1556 en BM9469) tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden veroordeeld wegens het in 2006/2007 plegen van ontucht met meerdere minderjarigen. In 1988 is [appellant] ook veroordeeld tot gevangenisstraf, eveneens wegens het plegen van ontucht met minderjarige jongens.

3.3

Na het uitzitten van zijn gevangenisstraf heeft [appellant] getracht woonruimte te vinden in verschillende gemeentes, maar dit is afgestuit op de vrees voor verstoring van de openbare orde. [appellant] leidde hierdoor een zwervend bestaan.

3.4

In september 2012 heeft [appellant] Portaal verzocht om een huurovereenkomst met hem aan te gaan met betrekking tot de woonruimte, gelegen aan de [adres] . Dit betreft een flatwoning die onderdeel uitmaakt van een woongroep voor ouderen, bestaande uit 14 woningen. De leden van de woongroep maken gebruik van gemeenschappelijke ruimtes en nemen deel aan gezamenlijke activiteiten. De woongroep voor ouderen is verenigd in de [naam vereniging] . Aan deze vereniging is door de rechtsvoorgangster van Portaal een coöptatierecht toegekend. Aan het toegekende coöptatierecht is onder meer de voorwaarde verbonden dat de voorgedragen kandidaat lid dient te zijn van de vereniging. Voorts is bepaald dat de huurovereenkomst kan worden geweigerd indien onvoldoende waarborg kan worden gegeven voor het nakomen van de verplichtingen uit de huurovereenkomst of indien de kandidaat uit een vorige woning is ontruimd waarbij de schuld van de ontruiming bij de huurder was gelegen. De vereniging heeft [appellant] bij brief van 16 augustus 2012 als kandidaat voorgedragen. De vereniging was op dat moment niet bekend met de volledige identiteit (hij heeft zich bekend gemaakt als [appellant] in plaats van [appellant] ) en met de achtergrond van [appellant] . Naar aanleiding van de voordracht heeft Portaal [appellant] een acceptatieformulier toegezonden. Dit formulier heeft hij ondertekend als ‘ [appellant] ’.

3.6

Portaal heeft [appellant] vervolgens uitgenodigd om op 28 september 2012 een huurovereenkomst te ondertekenen. Bij brief van 26 september 2012 heeft Portaal hem laten weten dat deze afspraak geen doorgang zou vinden. In de brief staat onder meer het volgende:

“(…) Indien de identiteit van [appellant] bekend wordt, hetgeen zeker niet denkbeeldig is, dan bestaat naar de mening van Portaal een gerede kans op onrust. Die onrust kan zowel voor [appellant] zelf als voor de kwetsbare leden van de woongroep vergaande gevolgen hebben. Portaal rekent het tot haar taak en verantwoordelijkheid om dergelijke gevolgen te voorkomen. Mede vanwege het feit dat de woonruimte in de woongroep is gelegen in een wijk, waar zich reeds de nodige problemen voordoen, is Portaal van oordeel, dat de door [appellant] uitgekozen woning niet geschikt is. Portaal is dan ook niet bereid om deze woonruimte aan [appellant] te verhuren, tenzij [appellant] zelf de leden van de woongroep informeert en deze leden unaniem hun voordracht wensen te handhaven. Ook in dat geval stelt Portaal echter als voorwaarde dat bijzondere bepalingen in de huurovereenkomst zullen worden opgenomen. Portaal is bovendien wel bereid om onder voorwaarden gezamenlijk te zoeken naar andere passende woonruimte in [plaats] , waarbij de uitgangspunten zouden moeten gelden, zoals hiervoor weergegeven door de voorzieningenrechter te [plaats] . Van belang is dat daarbij in ieder geval een aantal voorwaarden zal gelden.

(…)

Om die reden stelt Portaal in alle gevallen als voorwaarde dat [appellant] in het kader van een eventueel te sluiten huurovereenkomst als verplichting op zich neemt om op geen enkele wijze de publiciteit of media-aandacht te zoeken. Ook zou het [appellant] verboden moeten worden om aan zijn omgeving informatie te verstrekken over zijn verleden of zijn denkbeelden ter zake van pedoseksualiteit.

Let wel: indien [appellant] ervoor kiest om de leden van de woongroep alsnog te informeren dan geldt dit verbod uiteraard niet ten aanzien van deze leden.

(…)

Gelet op het verleden van [appellant] en gezien het in een ieders belang is dat niet alleen recidive wordt voorkomen, maar dat [appellant] ook in staat zal zijn om in een veilige en prettige woonomgeving een nieuw leven op te bouwen, is het naar de mening van Portaal eveneens van belang dat intensieve begeleiding van [appellant] zal plaatsvinden. Het is Portaal bekend dat [appellant] niet van harte heeft ingestemd met de door het Gerechtshof opgelegde begeleiding en toezicht van de reclassering. Bovendien is het Portaal bekend dat de begeleiding van de zijde van de reclassering weliswaar wordt aangeduid als “niveau 3”, maar dat ook deze begeleiding min of meer beperkt is.

Vandaar dat Portaal als voorwaarde voor het aangaan van een huurovereenkomst tevens stelt, dat [appellant] naast de begeleiding door de reclassering extra en meer intensieve begeleiding aanvaardt van hulpverlening van Exodus. (…) aangezien Portaal mede verantwoordelijk is voor het rustig huurgenot van haar andere huurders. (…)”

3.7

Op 27 september 2013 heeft [appellant] telefonisch aan Portaal laten weten dat hij niet met nadere voorwaarden instemde en dat hij de media had ingelicht. [appellant] heeft ook de leden van de woongroep ingelicht, waarna deze de voordracht heeft ingetrokken.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft van Portaal betaling van schadevergoeding gevorderd op grond dat Portaal onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door voorwaarden te stellen voor het afsluiten van het huurcontract met betrekking tot de woning. Hiermee handelde Portaal in strijd met artikel 10 Grondwet, waarin eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer is voorgeschreven.

4.2

Na verweer van Portaal heeft de kantonrechter bij vonnis van 18 juni 2014 de vorderingen van [appellant] afgewezen.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

Met de grieven legt [appellant] aan het hof ter beoordeling voor of Portaal het verhuren van de woning afhankelijk mocht stellen van het bekend maken van zijn strafrechtelijke verleden aan de leden van de woongroep en van zijn bereidheid om geen publiciteit te zoeken onder meer over zijn verleden en zijn denkbeelden over pedoseksualiteit en intensievere begeleiding van de reclassering en van Exodus, een instelling die hulpverlening en ondersteuning biedt aan ex-gedetineerden, te accepteren. Volgens [appellant] maakte Portaal daarmee inbreuk op [appellant] grondrechten op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer (artikel 10 van de Grondwet) en op vrijheid van meningsuiting.

5.2

Naar het oordeel van het hof heeft Portaal inbreuk gemaakt op [appellant] grondrechten, mede doordat zij haar bereidheid om woonruimte aan [appellant] ter beschikking te stellen afhankelijk maakte van inperkingen van de door [appellant] genoemde rechten. Iedere inbreuk daarop levert in beginsel een onrechtmatige daad op, behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond (HR 18 april 2014, ECLI:NL: HR:2014:942). Of zulk een rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval, door tegen elkaar af te wegen enerzijds de ernst van de inbreuk en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend. Uit de memorie van grieven leidt het hof af dat [appellant] zijn hoger beroep beperkt tot de voorwaarden die Portaal stelde ten aanzien van het sluiten van een huurovereenkomst voor een appartement in de woongroep, niet voor eventueel andere, volgens Portaal passender woonruimte.

5.3

Het hof neemt tot uitgangspunt dat Portaal niet alleen tegenover de bewoners van haar huurwoningen de verplichting had zorg te dragen voor een leefbare woonomgeving (artikel 12a van het destijds van kracht zijn Besluit beheer sociale-huursector, hierna Bbsh (oud)), maar ook een taak had om personen uit kwetsbare groepen, zoals ex-gedetineerden, te huisvesten (artikel 12b Bbsh (oud)). In deze zaak manifesteert zich een spanning tussen beide taken van Portaal. Portaal heeft onweersproken aangevoerd dat het bij de woongroep aan de Paranadreef ging om kwetsbare ouderen, die ruimtes en voorzieningen deelden en die activiteiten gezamenlijk ondernamen en daarom in een nauwer verband samenleefden dan gewone buren en dat het daarom van belang was dat deze bewoners bekend zouden zijn met de identiteit en achtergrond van degene die zij voordragen (zie rechtsoverweging 4.3 van het vonnis). De leden van de woongroep zouden volgens Portaal last kunnen krijgen van de commotie die te verwachten valt indien [appellant] tot hun groep toetreedt. De woongroep neemt door cohesie en onderlinge contacten een aparte positie in, waardoor de toewijzing van woningen in die groep niet gelijk te stellen valt met de toewijzing van andere sociale huurwoningen (waarvan de huurders eerst op een wachtlijst staan). De leden van de woongroep hadden er daarom een bijzonder belang bij om op de hoogte te zijn van de strafrechtelijke achtergrond van [appellant] , die hun daarvan onkundig heeft proberen te houden. Doordat verhuizingen van [appellant] destijds al meermalen hadden geleid tot onrust en [appellant] in de media een bekende persoon was, viel te verwachten dat de toewijzing van de woning aan [appellant] ook commotie in de wijk zou veroorzaken. Dit betekent dat de leefbaarheid van de woonomgeving van de bestaande leden van de woongroep in gevaar was, aldus nog steeds het betoog van Portaal.

5.5

Portaal heeft daarmee geschetst dat en waarom zij bij de toewijzing van de vrij gekomen woning verplicht was om rekening te houden met het bijzondere karakter van die groep. In het licht van dat karakter ligt het voor de hand dat de onrust die het opnemen van [appellant] in deze woongroep teweeg zou kunnen brengen de kwaliteit van het wonen ernstig kon aantasten, te meer wanneer de leden van de woongroep pas achteraf op de hoogte zouden komen van [appellant] antecedenten. Door het stellen van de voorwaarde tot bekendmaking van het strafrechtelijke verleden aan de leden van de woongroep beschermde Portaal redelijkerwijs de belangen van de leden van de woongroep, welke belangen zij zich als hun verhuurder moest aantrekken. Dit bekend maken betekende voor [appellant] een inbreuk op zijn recht om zelf te beslissen, maar waarborgt het recht van de leden van de woongroep om te bepalen met wie zij (samen)wonen (het coöptatierecht). Het hof ziet wel in dat dit [appellant] beperkt in zijn woonmogelijkheden en dat zijn privacy zou worden beperkt indien hij zich gedwongen zou voelen om zijn achtergronden aan de woongroep bekend te maken, maar de rechten en belangen van de huurders van Portaal die lid zijn van de woongroep rechtvaardigen de beperking van zijn privacy. Hier komt bij dat Portaal heeft aangeboden om [appellant] te helpen bij het zoeken naar een andere woning en [appellant] er voor had kunnen kiezen dat aanbod te aanvaarden en zijn aanvraag om de woning aan de [adres] te huren met een neutrale toelichting in te trekken.

5.6

In het midden kan blijven op welk moment Portaal op de hoogte is gekomen van de aanvraag, omdat [appellant] onvoldoende heeft toegelicht, waarom dat moment van belang zou zijn.

5.7

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.8 van het vonnis overwogen: “Afgezien van de vraag of het op de weg van een woningcorporatie ligt om eisen te stellen aan de begeleiding van een potentiële huurder kan niet zonder meer worden gesteld dat dit in deze omstandigheid onrechtmatig is”. Voor zover [appellant] geacht wordt daartegen te hebben gegriefd, overweegt het hof dat de grief niet slaagt. Omdat [appellant] (een deel van) zijn voorwaardelijke straf alsnog heeft moeten uitzitten wegens onvoldoende medewerking met de reclassering, kon Portaal zich op het standpunt stellen dat het recidivegevaar onvoldoende in kaart was gebracht en kon zij in beginsel als voorwaarde stellen dat [appellant] begeleiding door de reclassering en Exodus zou aanvaarden. Als [appellant] dat te vergaand zou vinden, had het op zijn weg gelegen daarover nader met Portaal te overleggen om gezamenlijk te zoeken naar een vorm van begeleiding voor hem, die Portaal zou geruststellen op het punt van het recidivegevaar.

5.8

Ook de voorwaarden die Portaal heeft gesteld aan [appellant] gedrag met betrekking tot de media zijn gerechtvaardigd doordat Portaal er redelijkerwijze voor kon kiezen om daarmee de woongroep te beschermen tegen teveel publiciteit en tevens tegen onrust in de wijk. De verhuizing van [appellant] zou immers, zodra deze bekend zou worden, commotie kunnen oproepen die het woongenot van de bewoners aanzienlijk aantast, welke commotie kan worden beperkt door te zorgen voor minder publiciteit. Ook omdat [appellant] in deze procedure bij herhaling heeft gesteld dat publiciteit rondom zijn verblijfplaats schadelijk voor hem is, oordeelt het hof dat het stellen van die voorwaarde door Portaal een rechtvaardiging vormt op de inbreuk van de grondrechten van [appellant] .

5.9

Uit het voorgaande blijkt dat ook het eisen van een zekere beperking van de vrijheid van [appellant] om media-aandacht te zoeken, gerechtvaardigd was en dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen door Portaal. Dit maakt de grieven 1 tot en met 7 ongegrond.

5.10

Met grief 8 voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte in het kader van de belangenafweging zijn relatie met de reclassering relevant vond omdat het gemis van een vaste woning nu juist de oorzaak was dat de reclassering haar werk niet kon doen en hij zelf zorgvuldig met zijn complexe situatie is omgegaan. De grief faalt, omdat voor de door Portaal te maken belangenafweging, waarin ook de kans op recidive moest worden getaxeerd, relevant was dat [appellant] onvoldoende medewerking had verleend aan het toezicht door de reclassering, zodat op dat moment (september 2012) een deel van zijn voorwaardelijke gevangenisstraf ten uitvoer was gelegd.

5.11

Gelet op het voorgaande behoeft de met grief 9 opgeworpen vraag of [appellant] schade heeft geleden als gevolg van de weigering om zonder bijkomende voorwaarden een huurovereenkomst met hem te sluiten, niet beantwoord te worden. Van aansprakelijkheid van Portaal is namelijk niet gebleken.

5.12

Grief 10 betreft de beslissing over de proceskosten in eerste aanleg en is gezien het voorgaande ook ongegrond.

6 De slotsom

6.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. De bij antwoordakte van Portaal aangevoerde verweren behoeven niet te worden besproken.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten aan de zijde van Portaal zullen worden vastgesteld op het betaalde griffierecht ad € 704 en voor salaris van de advocaat de forfaitaire vergoeding van het liquidatietarief van € 1.611, dat is 1½ punt van tarief II.

6.3

Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten en de wettelijke rente daarover ook toewijzen.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht) van 18 juni 2014;

veroordeelt Van de Velde in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Portaal vastgesteld op € 704 voor verschotten en op € 1.611 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 157, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82 in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, F.J. de Vries en J.G.J. Rinkes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2018.