Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9098

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
200.115.218
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wilsonbekwaamheid testateur. Nietige uiterste wilsbeschikkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2018-0204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.115.218

(zaaknummer rechtbank Utrecht 285674)

arrest van 16 oktober 2018

in de zaak van

1 [appellante sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder: [appellante sub 1] ,

2. [appellant sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

verder: [appellant sub 2]

appellanten,

eisers in eerste aanleg,

advocaat: mr. M. Wolkenfelt,

tegen:

1 [geïntimeerde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder: [geïntimeerde sub 1] ,

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

verder: [geïntimeerde sub 2] ,

3. [geïntimeerde sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

verder: [geïntimeerde sub 3] ,

4. [geïntimeerde sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

verder: [geïntimeerde sub 4] ,

geïntimeerden,

gedaagden in eerste aanleg,

[geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] hierna samen ook: de broers.

advocaat: mr. M.G. Hees.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 12 april 2016 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van het getuigenverhoor op 1 september 2016;

- het proces-verbaal van voortzetting van het getuigenverhoor op 16 januari 2017 met inbegrip van productie 4 die door mr. Hees ten behoeve van deze voortzetting in het geding is gebracht;

- de memorie na enquête aan de zijde van geïntimeerden;

- de schriftelijke pleidooien.

1.3

Vervolgens hebben partijen (aanvullend) de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

In het tussenarrest van 12 april 2016 heeft het hof geoordeeld dat [appellante sub 1] en [appellant sub 2] voorshands zijn geslaagd in het bewijs van hun stelling dat hetgeen is opgenomen in het testament van 9 december 2009 niet op de wil van erflater berust en dat het testament, dat wil zeggen de in dat testament opgenomen uiterste wilsbeschikkingen nietig zijn (slot rechtsoverweging 2.12). Het hof heeft de broers en [geïntimeerde sub 4] toegelaten tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] dat uit de omstandigheden waaronder het testament van erflater is opgemaakt volgt dat dit niet diens wil bevat en dat het testament (dat wil zeggen de daarin opgenomen uiterste wilsbeschikkingen) daarom nietig is.

2.2

De broers en [geïntimeerde sub 4] hebben in het getuigenverhoor op 1 september 2016 en 16 januari 2017 elf getuigen doen horen. Het getuigenverhoor is daarna niet voortgezet. Er heeft geen tegengetuigenverhoor plaatsgehad.

2.3

Het hof heeft zijn oordeel dat [appellante sub 1] en [appellant sub 2] voorshands erin zijn geslaagd te bewijzen dat het testament van 9 december 2009 niet de uiterste wil van erflater bevat gebaseerd op de wijze waarop dat testament tot stand is gekomen en de geestelijke toestand van erflater ten tijde van het verlijden van het testament en de periode daarvoor en daarna. De verklaringen van de getuigen vormen naar het oordeel van het hof eerder een bevestiging van de juistheid van de stelling van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] dan dat zij deze ontzenuwen.

2.4

[echtgenote van geïntimeerde sub 3] , echtgenote van [geïntimeerde sub 3] , heeft in het getuigenverhoor onder meer het volgende verklaard. Erflater heeft haar op 28 november 2009 gezegd dat hij zijn testament wilde wijzigen omdat hij zijn broers een deel wilde geven en dat hij [geïntimeerde sub 4] hetzelfde wilde geven als zijn broers. Erflater heeft haar niet heeft gezegd welk deel hij dan wilde geven aan zijn broers en aan [geïntimeerde sub 4] . Erflater heeft haar ook gezegd dat [geïntimeerde sub 1] executeur moest worden. [echtgenote van geïntimeerde sub 3] weet niet meer of erflater heeft gezegd dat [appellante sub 1] en [appellant sub 2] de helft zouden krijgen en de broers en [geïntimeerde sub 4] de andere helft. [echtgenote van geïntimeerde sub 3] heeft aan [geïntimeerde sub 3] en aan niemand anders verteld wat erflater haar op 28 november 2009 heeft gezegd. Zij heeft de aantekeningen die zij van het gesprek met erflater heeft gemaakt (uitvoerig geciteerd in rechtsoverweging 2.6 van het tussenarrest van 12 april 2016) aan [geïntimeerde sub 3] gegeven. Het hof merkt nog op dat zij in dat verslag vermeldt dat erflater graag wil weten hoe het zit met broers en een vriend in de nalatenschap en de belasting.

2.5

[geïntimeerde sub 3] heeft in het getuigenverhoor onder meer verklaard:

“ [erflater] heeft diverse malen tegen mij gezegd dat hij [geïntimeerde sub 4] wat na wilde laten. Dat kan wel vanaf een jaar tot anderhalf vóór zijn dood zijn geweest. Ook half november 2009 heeft hij gezegd dat hij [geïntimeerde sub 4] iets wilde nalaten maar dat hij daar te laat mee was omdat hij dacht dat hij binnenkort zou overlijden. [erflater] wilde [geïntimeerde sub 4] geld geven. Hij heeft niet gezegd hoe hij dat wilde doen. Op de ochtend van 28 november 2009 is er niet gesproken over een wijziging van het testament. Wij waren toen allemaal aanwezig bij [erflater] . ’s Avonds heeft [erflater] tegen mijn vrouw [echtgenote van geïntimeerde sub 3] gezegd dat hij zijn testament wilde wijzigen. [echtgenote van geïntimeerde sub 3] heeft die avond verslag gedaan van haar gesprek met [erflater] . Zij had daarvan een heel epistel gemaakt, aan de hand daarvan hebben wij erover gesproken. Zij vertelde dat [erflater] zijn testament wilde veranderen en dat wij dat moesten regelen. [echtgenote van geïntimeerde sub 3] zei dat de broers en [geïntimeerde sub 4] de helft moesten krijgen en [appellant sub 2] en [appellante sub 1] de andere helft. [geïntimeerde sub 1] moest het regelen, hij werd executeur en moest een notaris benaderen. Ik heb op dat moment geen verdere informatie gekregen over de wensen van [erflater] met betrekking tot zijn testament. Volgens mij heb ik de volgende dag [geïntimeerde sub 1] gebeld en verteld wat [erflater] en [echtgenote van geïntimeerde sub 3] hadden besproken en of hij een notaris wilde benaderen. Ik heb [geïntimeerde sub 1] verteld dat het de bedoeling was dat de broers en [geïntimeerde sub 4] de helft zouden krijgen van de erfenis en [appellant sub 2] en [appellante sub 1] de andere helft en dat hij executeur werd. Ik heb hem toen niet de aantekeningen van [echtgenote van geïntimeerde sub 3] gegeven. (…) Ik heb, voor zover ik mij kan herinneren, niet zelf met [erflater] gesproken over zijn wensen.”

De verklaringen van [geïntimeerde sub 3] lijkt strijdig met de verklaring van [echtgenote van geïntimeerde sub 3] . [echtgenote van geïntimeerde sub 3] is de enige die (buiten de notaris) met erflater zelf heeft gesproken over zijn wensen. Zij verklaart dat erflater niet heeft verklaard welke delen hij voor zijn broers en [geïntimeerde sub 4] wenste, terwijl [geïntimeerde sub 3] nu juist verklaart dat zij hem heeft gezegd dat zijn broers en [geïntimeerde sub 4] de helft krijgen en [appellante sub 1] en [appellant sub 2] de andere helft. Het hof merkt hier nogmaals op dat [echtgenote van geïntimeerde sub 3] in haar gespreksverslag de delen die de broers en [geïntimeerde sub 4] zouden moeten krijgen niet anders aanduidt dan met het woord ‘broersdeel’. Wat daarmee is bedoeld blijft duister.

2.6

[geïntimeerde sub 1] heeft in het getuigenverhoor onder meer verklaard:

“Ik heb zelf niet met [erflater] gesproken over zijn wensen met betrekking tot zijn nalatenschap. Die wensen heb ik doorgekregen van [geïntimeerde sub 3] . Dat zal geweest zijn in het weekend van 28 en 29 november 2009. [geïntimeerde sub 3] vertelde mij toen telefonisch dat de broers en [geïntimeerde sub 4] 50% van de erfenis moesten krijgen en de kinderen ook 50%. Ik denk dat hij ook gezegd heeft dat ik executeur zou worden. [geïntimeerde sub 3] heeft mij gevraagd een notaris te zoeken in de buurt van Nieuwegein: die zou waarschijnlijk bereid zijn naar het ziekenhuis te komen. Ik ben uiteindelijk terechtgekomen bij het notariskantoor van mr. [notaris A] en mr. [notaris B] . Ik heb telefonisch contact gehad met [kandidaat-notaris C] . Ik heb haar gezegd dat [erflater] in het ziekenhuis lag, dat hij zijn testament wilde wijzigen, dat er zes erfgenamen zijn waarvan twee kinderen die 50% moesten krijgen en vier andere erfgenamen die ook 50% moesten krijgen, en dat ik executeur zou worden. Ik heb niet bij [erflater] geverifieerd of hij ook daadwerkelijk wilde wat ik van [geïntimeerde sub 3] gehoord had. Ik heb dat ook niet bij [echtgenote van geïntimeerde sub 3] geverifieerd. [erflater] maakte altijd resolute afspraken. Ik was niet verbaasd over de wijziging van het testament. Ik begreep wel dat [erflater] zijn broers en [geïntimeerde sub 4] in zijn testament wilde opnemen, nu wij zoveel contact met hem hadden. [erflater] en ik hadden het vaak over financiële zaken, de laatste maand deed ik ook zijn betalingen. Ik was dus ook niet verbaasd dat ik executeur zou worden. Op 1 december 2009 ben ik met [notaris A] bij [erflater] geweest. Ik had toen geen concept-akte ontvangen. [erflater] was niet in staat een gesprek te voeren. Hij kon niet uit zijn woorden komen en viel steeds weg. De notaris zei dat hij zo het testament niet kon passeren en is weer naar kantoor gegaan. Ik heb tegen hem gezegd dat wij het dan maar zo moesten laten. Vlak voordat ik met [notaris A] bij hem was heb ik [erflater] wel gezegd wat ik in gang had gezet, maar ik weet niet of dat toen ook tot hem is doorgedrongen. [erflater] heeft na 1 december 2009 een aantal keren gevraagd, ook aan mij, wanneer de notaris zou komen. Ik kan mij niet herinneren dat [erflater] toen tegen mij gezegd heeft wat hij precies geregeld wilde hebben. Op 8 december 2009 heeft hij er ook weer naar gevraagd. Ik heb vervolgens contact gelegd met de notaris. Mr. [notaris B] was bereid om naar het ziekenhuis te komen. Ik heb in die tijd meerdere malen aan [erflater] gevraagd of wij [appellante sub 1] niet hierbij moesten betrekken, maar dat wilde hij niet. Wij moesten het regelen. Ik heb na het passeren van het testament niet meer met [erflater] daarover gesproken. Ik weet niet of hij het wel met de anderen besproken heeft. Ik heb wel van [geïntimeerde sub 4] gehoord dat [erflater] tegen hem gezegd heeft dat hij nu in het testament stond. Ik weet niet meer wanneer ik dat gehoord heb maar het was kort na het passeren van het testament. Ik heb op enig moment wel een concept-testament ontvangen, maar ik weet niet meer wanneer. Ik zag dat de gegevens klopten. Ik heb dit concept niet met [erflater] of iemand anders besproken.”

Het hof merkt op dat [geïntimeerde sub 1] geheel uitgaat van wat [geïntimeerde sub 3] hem heeft verteld zonder dat op enig moment bij [echtgenote van geïntimeerde sub 3] of [erflater] te verifiëren. Ook over de inhoud van het concepttestament dat [geïntimeerde sub 1] heeft gehad heeft hij niet meer met [echtgenote van geïntimeerde sub 3] (die daarvan de eerste bron was) en [geïntimeerde sub 3] gesproken. Hiervoor is al geconstateerd dat de verklaringen van [echtgenote van geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 3] met elkaar in strijd zijn wat de delen betreft die de broers en [geïntimeerde sub 4] zouden moeten krijgen.

2.7

Mr. [notaris B] (de notaris) heeft in het getuigenverhoor onder meer verklaard:

“Er kwam een verzoek van [geïntimeerde sub 1] om een testament op te stellen voor zijn broer [erflater] , die in het ziekenhuis lag. Dit verzoek, dat gestaafd werd met een tekst, kwam binnen bij onze kandidaat-notaris, [kandidaat-notaris C] . Zij heeft overleg gepleegd met mijn collega [notaris A] en mij. [notaris A] heeft de zaak verder afgewikkeld op dat moment en is naar het ziekenhuis gegaan. Bij terugkomst heeft hij zijn bevindingen gedeeld: hij had geen contact gekregen met [erflater] en had geen akte verleden. Hij vertelde dat hij, naar ik aanneem tegen [geïntimeerde sub 1] , heeft gezegd dat als de situatie veranderde en er notariële bijstand nodig was, hij weer contact zou kunnen opnemen.

Toen ik op 9 december 2009 op kantoor kwam hoorde ik dat [geïntimeerde sub 1] had gebeld. De familie van [erflater] was de dag ervoor bij hem op bezoek geweest en zei dat [erflater] had gezegd dat hij zijn testament wilde wijzigen. [geïntimeerde sub 1] vertelde mij dat hij met [echtgenote van geïntimeerde sub 3] had afgesproken dat zij in het ziekenhuis de situatie van [erflater] zou bekijken en als het nodig was contact zou opnemen. Later belde [echtgenote van geïntimeerde sub 3] mij met de mededeling dat [erflater] het testament wilde tekenen en dat ik moest komen. Volgens [echtgenote van geïntimeerde sub 3] was [erflater] goed genoeg. Ik heb [echtgenote van geïntimeerde sub 3] verteld dat ik wel medische informatie wilde voordat er getekend kon worden. Daar zou [echtgenote van geïntimeerde sub 3] voor zorgen. Tegen half drie heb ik gebeld dat ik er aan kwam. Ik heb [erflater] kort aan de telefoon gehad, hij wilde dat ik kwam. Toen ik in de parkeergarage stond werd ik gebeld door [echtgenote van geïntimeerde sub 3] , die zei dat [erflater] moe was na de dialyse en dat hij ongeduldig werd. Ik kreeg [erflater] aan de telefoon en die bevestigde dat. Hij vroeg mij of hij het niet telefonisch kon regelen. Korte tijd later kwam ik op de afdeling. Ik werd opgevangen door [echtgenote van geïntimeerde sub 3] en heb kennis gemaakt met [erflater] . Hij wist waarvoor ik kwam en wilde het testament meteen tekenen. Ik heb eerst met de verpleegkundige gesproken. Haar naam weet ik niet meer. Ik vroeg naar de situatie van [erflater] met betrekking tot het tekenen van de akte, zijn wilsbekwaamheid en de ervaringen van mijn collega. De verpleegkundige zei dat hij toen bepaalde medicijnen gebruikte waar hij erg van in de war raakte. De medicatie was veranderd, zodat hij nu volgens de verpleegkundige weer net zo helder was als daarvoor. Ik neem aan dat daarmee bedoeld werd vóór het gebruik van die medicijnen en voordat hij verward werd. Ik heb geen verdere bijzonderheden van de verpleegkundige gekregen.

Ik heb [echtgenote van geïntimeerde sub 3] de kamer uitgestuurd. Ik heb met [erflater] gesproken over de inhoud van het testament. Hij vond het goed dat één en ander via zijn broer gegaan was. Hij zei: ‘Logisch, zie mij hier liggen, ik kan dit ook niet.’ Ik heb [erflater] gevraagd wat hij voor testament wilde, dit voordat ik hem de tekst die ik van [geïntimeerde sub 1] had gekregen heb voorgehouden. Hij zei dat zijn broers en zijn vriend [geïntimeerde sub 4] ook in het testament moesten worden opgenomen. Dat had hij ook met [geïntimeerde sub 1] besproken. Zij moesten in het testament worden opgenomen omdat zij veel voor [erflater] hadden betekend en gedaan. Ik heb de belangrijkste items van het testament met [erflater] besproken. Ik heb gezegd dat de broers en [geïntimeerde sub 4] dan de helft zouden krijgen en zijn kinderen de andere helft. Hij realiseerde zich de consequenties van één en ander en was het ermee eens. (…)

Wij ontvingen per mail of per fax van [geïntimeerde sub 1] de voorgestelde tekst. Dezelfde tekst is uiteindelijk in het testament terechtgekomen. In de telefonische contacten met [erflater] op 9 december 2009 hebben wij niet gesproken over de inhoud van het testament. [erflater] wist dat ik kwam om het testament te laten tekenen. Ik heb het met [erflater] niet gehad over de inhoud van het testament voordat ik de verpleegkundige had gesproken. Ik kan mij niet herinneren welke functie de verpleegkundige had. Er was sprake van tijdsdruk en een beladen geheel. Ik had gevraagd om een arts, maar dat was kennelijk niet mogelijk. Ik heb de verpleegkundige gevraagd of zij bevoegd was informatie te geven. Dat mocht. Ik kan mij niet herinneren welke medicijnen [erflater] volgens de verpleegkundige eerder had en per wanneer hij die had. Toen ik het testament inhoudelijk met [erflater] besprak is aan de orde gekomen hoe de broers en [geïntimeerde sub 4] in het testament zijn opgenomen. Ik heb [erflater] gezegd dat hij zich moest realiseren dat er dus meer erfgenamen kwamen. Dat vond hij goed. De belangrijkste items die aan de orde zijn geweest zijn dat [geïntimeerde sub 1] executeur werd en dat er erfgenamen bijkwamen, waardoor zijn kinderen dus minder kregen dan daarvoor.

Ik ben vrijwel meteen begonnen met het inhoudelijk doornemen van het testament. Ik had nog wel eerst gevraagd wat [erflater] wilde. Ik heb hem open vragen gesteld. [echtgenote van geïntimeerde sub 3] was niet direct aanwezig bij mijn gesprek met de verpleegkundige. Het zou kunnen dat zij dit gesprek wel heeft opgevangen. Ik heb er niet aan getwijfeld of [erflater] dit testament wel wilde. (…)

Ik wist niet dat [geïntimeerde sub 1] de inhoud van het testament niet met [erflater] besproken had. Ik weet niet meer hoe laat precies [echtgenote van geïntimeerde sub 3] mij op 9 december 2009 heeft gebeld. Ik weet wel dat ik na dat gesprek een planning heb gemaakt en rond half drie heb gebeld dat ik wat later kwam. Ik wist wat er op 1 december 2009 gebeurd was. Ik wilde mij er, ook los van mijn eigen waarneming, van vergewissen dat [erflater] wilsbekwaam was. Ik heb daarbij ook betrokken dat [geïntimeerde sub 1] en [echtgenote van geïntimeerde sub 3] mij vertelden dat [erflater] goed was. Ik heb daarbij ook betrokken mijn eigen telefoongesprekken met [erflater] . Ik kan de vragen die ik [erflater] heb gesteld niet woordelijk reproduceren. De kinderen kregen minder dan voor de wijziging van het testament omdat zij daarvoor alles kregen en nu de helft. [erflater] gaf te kennen dat hij zich dat realiseerde. Hoe hij dat precies deed weet ik niet meer. Ik heb op 9 december 2009 niet aan [erflater] gevraagd of het concept met hem besproken was. Tijdsdruk speelde die dag een grote rol, het testament moest snel gepasseerd worden. Dat gaf [erflater] ook heel nadrukkelijk aan. Hij was bang dat hij het later niet meer kon. Een afwikkelingsbeding (hof: bedoeld is kennelijk: afwikkelingsbewind) is niet standaard, maar komt wel veel voor. Ik heb niet aan [erflater] gevraagd waarom [geïntimeerde sub 1] executeur moest worden en niet één van zijn kinderen. Tijdens het gesprek met [erflater] is niet aan de orde geweest of hij en zijn kinderen gebrouilleerd waren.

Op 9 december 2009 was [erflater] zijn eerste reactie dat zijn broers in het testament moesten worden opgenomen. Ik heb toen gezegd: ‘En nog meer?’. Hij zei toen dat ook [geïntimeerde sub 4] in het testament moest worden opgenomen.”

De verklaring van de notaris vormt eerder een bevestiging dan een ontzenuwing van het voorshandse oordeel van het hof. Het hof overweegt daartoe als volgt. De notaris bevestigt dat de inhoud van het testament geheel berust op wat [geïntimeerde sub 1] aan het kantoor van de notaris heeft opgegeven. Er is geen gesprek met erflater geweest om zijn wensen te bespreken. Er is geen concept van het testament aan erflater toegezonden of hem op andere wijze ter beschikking gesteld. Het enige contact dat de notaris heeft gehad met erflater is tot stand gekomen door tussenkomst van [geïntimeerde sub 1] die voorheen niet tot de erfgenamen van erflater behoorde. Dat contact is zeer kort geweest en bestaat enkel uit het verlijden van het testament op 9 december 2009. Uit het patiëntendossier en het testament is af te leiden dat de notaris het testament in ongeveer 8 minuten heeft verleden (van ongeveer 15:00 uur tot 15:08 uur). Het testament bestaat uit zes pagina’s en bevat (1) een rechtskeuze, (2) een erfstelling die afwijkt van de vererving in het erfrecht bij versterf en van wat erflater in zijn eerdere testament in 2002 had geregeld, (3) de benoeming van een executeur en (4) het instellen van een afwikkelingsbewind, beide zeer uitgebreid uitgewerkt in 13 respectievelijk 11 nadere bepalingen en (5) overige bepalingen (beroep legitieme portie/vrijstelling van inbreng/uitsluitingsclausule). Dit testament bevat aldus veel meer dan hetgeen [geïntimeerde sub 1] die zijn informatie van [geïntimeerde sub 3] heeft gekregen die zijn informatie wederom van [echtgenote van geïntimeerde sub 3] heeft gehad (met uitzondering dan van de delen die de broers en [geïntimeerde sub 4] zouden krijgen) aan de notaris heeft opgegeven. Dat was alleen de erfstelling en de executele. Uit de verklaring van de notaris komt naar voren dat hij erflater heeft verteld wat er in het testament stond, waarmee hij hem in feite heeft voorgehouden wat door [geïntimeerde sub 1] was geciteerd, aangevuld met de kennelijk door de notaris uit eigen beweging toegevoegde regeling over het afwikkelingsbewind en de overige bepalingen. Het blijft onduidelijk of de notaris open vragen heeft gesteld en bijvoorbeeld is begonnen erflater te vragen of hij iets wil regelen over zijn nalatenschap en wat precies en daarbij ook aandacht heeft gegeven aan de mogelijkheid legaten te maken. De notaris kan niet concretiseren welke open vragen hij heeft gesteld. De notaris legt veel nadruk op de tijdsdruk die hij ervoer en die kennelijk ook erflater ervoer. Dat is kennelijk een verklaring voor de grote snelheid waarmee dit testament is verleden. Het hof is van oordeel dat voor een deugdelijke wilscontrole in dit bijzondere geval acht minuten niet toereikend kunnen zijn. De notaris zag erflater pas voor het eerst bij het verlijden van het testament. Het testament wijkt als gezegd af van wat erflater eerder had bepaald en heeft verstrekkende gevolgen voor erflater en vooral ook voor zijn kinderen die daarin voor de helft worden onterfd. Het was de notaris bekend dat erflater korte tijd daarvoor niet in staat was geweest zijn wil te bepalen. Gelet op dit alles is er geen enkele aanleiding terug te komen van wat het hof voorshands bewezen heeft geoordeeld.

2.8

In hetgeen de overige getuigen hebben verklaard ziet het hof geen aanleiding te oordelen dat de broers en [geïntimeerde sub 4] zijn geslaagd in het tegenbewijs. De getuigen [medisch personeel A] , [medisch personeel B] en [medisch personeel C] hebben geen herinnering aan erflater als patiënt. Hetgeen zij over de toediening van Haldol in de namiddag van 9 december 2009 wijst eerder op wilsonbekwaamheid dan op het tegendeel. De verklaring van [geïntimeerde sub 4] als getuige behelst onder meer dat erflater hem op 10 december 2009 heeft gezegd dat hij hem in zijn testament heeft opgenomen. Dat is op zich onvoldoende om te ontzenuwen dat erflater de veel verder gaande verklaringen die in zijn testament staan heeft gewild.

2.9

De broers en [geïntimeerde sub 4] zijn niet geslaagd in het tegenbewijs. Dat betekent dat de grieven I-VI van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] slagen en dat de overige grieven geen beoordeling meer behoeven. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en de primaire vordering van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] alsnog deels toewijzen en voor recht verklaren dat het testament van erflater, althans de daarin opgenomen uiterste wilsbeschikkingen, niet berust op een wil van erflater. Toewijzing van het tweede deel van de verklaring voor recht, luidende ‘zodat het testament nimmer tot stand is gekomen’ is niet mogelijk. Het testament, dat is de notariële akte, is wel degelijk tot stand gekomen en bestaat als (fysiek) document. Het gaat erom of de uiterste wilsbeschikkingen die in die akte zijn opgenomen geldig zijn.

2.10

Het hof ziet in de aard van deze procedure, een geschil over de geldigheid van uiterste wilsbeschikkingen tussen de kinderen van erflater en zijn broers en zijn beste vriend, aanleiding voor compensatie van de proceskosten in beide instanties.

2.11

De raadsheer-commissaris ten overstaan van wie de getuigenverhoren hebben plaatsgehad is niet meer als raadsheer verbonden aan het hof en kan dit arrest niet (mee)wijzen.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 20 juni 2012;

doet opnieuw recht;

verklaart voor recht dat het testament van 9 december 2009 dat is ondertekend door [erflater] , althans de daarin opgenomen uiterste wilsbeschikkingen, niet berusten op de wil van [erflater] ;

compenseert de kosten van deze procedure in beide instanties, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuizen en M.H.H.A. Moes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2018.