Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:9081

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
200.191.225/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Zorgplicht assurantietussenpersoon. Advisering bij het afsluiten en voortzetten van een ziekteverzuimverzekering. Het hof gelast een deskundigenbericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2018, afl. 6, p. 298
PS-Updates.nl 2018-0845
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.191.225/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/140316 / HA ZA 15-64)

arrest van 16 oktober 2018

in de zaak van

Mazzelshop Exploitatie B.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Mazzelshop,

advocaat: mr. A.J. Welvering, kantoorhoudend te Leek,

tegen

Friesland Bank Assurantiën B.V., nu genoemd Frexit Assurantiën B.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: FBA,

advocaat: mr. H. Lebbing, kantoorhoudend te Rotterdam.

Het hof neemt het tussenarrest van 7 november 2017 hier over.

1
1. De verdere procedure in hoger beroep

1.1

In genoemd tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. De comparitie is op 27 maart 2018 gehouden. Het proces-verbaal van de comparitie maakt deel uit van het procesdossier, evenals de vier producties die Mazzelshop ter voorbereiding op de comparitie in het geding heeft gebracht.

1.2

Na de comparitie hebben beide partijen een akte genomen (Mazzelshop met drie producties).

1.3

Ten slotte hebben partijen de (aanvullende) processtukken overgelegd en is een datum bepaald voor arrest.

2 Nieuwe producties

2.1

Ter comparitie heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor akte uitlating deskundigenbericht. Het hof stelt vast dat Mazzelshop de akte ook gebruikt heeft om twee nieuwe producties in het geding te brengen (producties 7 en 8) over een ander onderwerp en om deze producties toe te lichten. Het hof zal de beide producties en de toelichting daarop in de akte buiten beschouwing laten, allereerst omdat het inhoudelijk debat met de comparitie van partijen gesloten was behoudens op het punt van een mogelijk deskundigenbericht en het hof Mazzelshop geen toestemming heeft gegeven om in haar akte ook een ander onderwerp aan de orde te stellen en vervolgens omdat FBA geen gelegenheid heeft gehad op de beide producties te reageren. De derde productie (productie 9) betreft een e-mailbericht van een door Mazzelshop voorgedragen deskundige, waarin deze zich bereid verklaart een eventuele benoeming tot deskundige te aanvaarden. Deze productie valt binnen de aan partijen gegeven instructie, behoeft geen reactie van FBA is dan ook toelaatbaar.

3
3. De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.2

Mazzelshop B.V., een vennootschap die nu de naam Mega Camping Totaal heeft, dreef onder de naam "Mazzelshop" een onderneming in - kort samengevat - de kampeersector.

3.3

Mazzelshop B.V. heeft op 17 januari 2005 via bemiddeling van haar toenmalige

tussenpersoon een ziekteverzuimverzekering bij Aegon Schadeverzekering N.V. afgesloten. Het betreft een zogenaamde "Stop Loss verzekering" (hierna: de verzekering). De verzekering is bedoeld om de risico's van ziekteverzuim van werknemers voor een bedrijf te beperken en te maximeren. De verzekering is gebaseerd op het principe dat een bedrijf altijd enige onkosten heeft voor ziekteverzuim van haar werknemers en er alleen voor wil zorgen dat een onverwachte stijging van deze kosten niet tot financiële tegenvallers zal leiden. Het ziekteverzuim van de voorgaande jaren wordt bij een "Stop Loss verzekering" als

uitgangspunt genomen om te bezien wat het voor dat bedrijf te verwachten "normale"

ziekteverzuim is. Dat normale ziekteverzuim wordt als vorm van eigen risico gehanteerd.

Bij een "Stop Loss verzekering" wordt dat "eigen behoud" genoemd. Indien de totale

loondoorbetalingsverplichting wegens ziekteverzuim in één jaar boven het eigen behoud

uitkomt, dan vult de verzekering het verschil aan. Deze aanvulling bedraagt een maximum

aantal keer het bedrag van het eigen behoud. Bij een hoger ziekteverzuim in het ene jaar,

zal het eigen behoud in het volgende jaar hoger zijn. Ook de premie zal dan stijgen.

3.4

Bij Mazzelshop B.V. waren elf werknemers in dienst. De daarop gebaseerde loonsom voor de verzekering bedroeg EUR 379.379,-, het eigen behoud 7,07% en de maximale uitkering 35,35% van de verzekerde loonsom. De premie bedroeg € 4.704,- per jaar.

3.5

Vanaf maart 2005 is FBA (toen nog onder de naam Friesland Bank Assurantiën, maar deze naam is na een statutenwijzing van 1 juni 2016 gewijzigd - het hof zal nog de naam FBA gebruiken) de assurantietussenpersoon van Mazzelshop B.V.

3.6

Mazzelshop (appellante) heeft met ingang van 1 december 2005 de exploitatie van de

onderneming van Mazzelshop B.V. overgenomen. Vervolgens heeft Mazzelshop de activa

en de passiva van Mazzelshop B.V. per 1 januari 2006 overgenomen. Mazzelshop heeft toen

ook door FBA de verzekering over laten zetten naar Mazzelshop. De verzekering is per
1 januari 2006 met drie jaar verlengd.

3.7

Acht van de elf werknemers die bij Mazzelshop B.V. in dienst waren zijn na de hiervoor bedoelde activatransactie in dienst getreden van een payrolbedrijf, Apollo Payroll B.V. Zij waren nog wel feitelijk voor Mazzelshop werkzaam. De overige drie werknemers waren in dienst van Mazzelshop.

3.8

Naar aanleiding van een door Mazzelshop in december 2005 ontvangen factuur

voor de premie over het jaar 2006 ter hoogte van € 4.784,11, heeft FBA op een schriftelijk verzoek van Mazzelshop bij brief van 17 januari 2006 de verzekerde loonsom - op basis van de bij haar in dienst zijnde drie werknemers - verlaagd van een bedrag van € 379.379,- naar een bedrag van € 90.272,-.

3.9

Op 6 oktober 2006 werd één van de drie werknemers van Mazzelshop ziek. Hij

viel volledig uit. Een andere werknemer is per januari 2007 met de VUT gegaan. In
maart 2008 werd de derde werknemer ziek. De voltallige loonsom was vanaf dat moment ziek.

3.10

In het jaar 2007 heeft Mazzelshop over het jaar 2006 een bedrag van € 2.639,85

uitgekeerd gekregen onder de verzekering. Over de jaren 2007 en 2009 heeft Mazzelshop

bedragen van € 32.864,50, respectievelijk € 2.394,80 uitgekeerd gekregen. Over het jaar 2008 heeft geen uitkering plaatsgevonden.

3.11

Op verzoek van Mazzelshop is de verzekering met ingang van 9 maart 2009 beëindigd omdat Mazzelshop vanaf die datum geen personeel meer in dienst had.

3.12

Bij brief van 25 november 2011 heeft Mazzelshop FBA aansprakelijk gesteld voor

de door haar geleden schade, door Mazzelschop gesteld op € 92.000,-. als gevolg van het tekortschieten in de zorgplicht door FBA. In deze brief heeft Mazzelschop onder meer het volgende geschreven:
Nogmaals willen wij ons beklagen over het feit dat uw organisatie dit dossier buitengewoon laks heeft behandeld en pas na jaren moeizame mondeling overleg met een abrupte afwijzing is gekomen en het verzoek de zaak formeel schriftelijk aan te kaarten. Ons inziens is ons hiermee geen recht aangedaan.

4
4. De vorderingen en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Mazzelshop heeft FBA gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland. Zij heeft gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat FBA tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht jegens haar door haar er niet (tijdig) op te wijzen dat Mazzelshop een ongeschikte verzekering had tegen ziekteverzuim, althans door haar niet te adviseren een andere verzekering tegen ziekteverzuim af te nemen. Ook heeft zij gevorderd dat FBA wordt veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat, een en ander met veroordeling van FBA in de proceskosten.

4.2

FBA heeft verweer gevoerd. Zij heeft zich allereerst beroepen op verjaring en op schending van de klachtplicht. Verder heeft zij aangevoerd dat geen sprake is van een zorgplichtschending en evenmin van schade. Ook heeft zij een beroep gedaan op eigen schuld bij Mazzelshop en op voordeelsverrekening.

4.3

De rechtbank heeft overwogen dat nu niet voldoende is gesteld of gebleken dat in januari 2006 een beter alternatief voor de verzekering voorhanden was, Mazzelshop onvoldoende heeft onderbouwd dat FBA is tekortgeschoten in haar zorgplicht. Bij gebreke van een beter alternatief, was voor een waarschuwing dan wel advisering immers geen aanleiding, overweegt de rechtbank, die er - ten overvloede - aan toevoegt dat Mazzelshop de door haar gestelde schade ook onvoldoende heeft onderbouwd. Bij dit oordeel kunnen de overige verweren van FBA, waaronder het beroep op verjaring en schending van de klachtplicht, achterwege blijven, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft de vorderingen van Mazzelshop afgewezen en Mazzelshop in de proceskosten veroordeeld.

5 De bespreking van de grieven

5.1

Met grief I komt Mazzelshop op tegen de vaststelling van de feiten. Nu het hof de feiten zelfstandig heeft vastgesteld en daarbij rekening heeft gehouden met wat Mazzelshop in deze grief over de feiten heeft aangevoerd, heeft Mazzelshop geen belang meer bij bespreking van de grief.

5.2

Met de grieven II tot en met IV komt Mazzelshop op tegen de afwijzing van haar vorderingen door de rechtbank. De grieven richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat Mazzelshop de zorgplichtschending (grief II) en de schade (grief III) onvoldoende heeft onderbouwd. (Grief IV heeft geen zelfstandige betekenis). Indien de grieven terecht zijn voorgesteld, dient het hof de door de rechtbank onbesproken gelaten verweren van FBA te bespreken. Het hof ziet redenen dat eerst te doen.

5.3

FBA heeft zich allereerst op verjaring van de vorderingen van Mazzelshop beroepen. Volgens FBA was de vijfjaarstermijn van artikel 3:310 BW verstreken toen Mazzelshop haar in de hiervoor aangehaalde brief van 25 november 2011 aansprakelijk stelde.

5.4

Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW begint de verjaringstermijn te lopen de dag nadat de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Daarbij geldt volgens vaste rechtspraak (samengevat in Hoge Raad

31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552) als uitgangspunt dat de termijn pas begint te lopen op de dag nadat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen. Het enkele vermoeden van schade volstaat niet, maar de benadeelde zal voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - moeten hebben verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de aangesprokene. Stelplicht en bewijslast ten aanzien van de bekendheid met de schade door de benadeelde rusten op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval dus op FBA.

5.5

FBA heeft onvoldoende onderbouwd dat bij Mazzelshop op 25 november 2006 (vijf jaren voorafgaand aan de aansprakelijkstelling d.d. 25 november 2011) sprake was van bekendheid met de schade als hiervoor omschreven. Het hof tekent daarbij aan dat het eerste ziektegeval bij Mazzelshop zich in oktober 2006 voordeed. Gesteld noch gebleken is dat Mazzelshop ongeveer een maand later al over zoveel informatie beschikte dat zij met voldoende zekerheid kon vaststellen dat zij onjuist was geadviseerd bij het overnemen van de verzekering per 1 januari 2017. Zo heeft FBA niet aangegeven wanneer het Mazzelshop duidelijk was op welke uitkering zij op grond van de verzekering aanspraak kon maken toen haar medewerker in oktober 2006 uitviel. Het ligt gelet op de systematiek van de verzekering - er bestaat pas recht op een uitkering wanneer het doorbetaalde loon hoger is dan het eigen behoud - voor de hand dat dit pas na enige tijd duidelijk wordt. Tussen partijen staat ook niet ter discussie dat de uitkering over het jaar 2006 pas in 2007 is uitbetaald. En wanneer duidelijk is dat de verzekering slechts aanspraak biedt op geen of een lage uitkering, is daarmee nog niet gegeven dat een onjuiste verzekering is geadviseerd, of ten onrechte niet is gewaarschuwd tegen de risico’s voor het afsluiten van deze verzekering. Het beroep op verjaring faalt dan ook.

5.6

FBA heeft zich ook beroepen op schending van de klachtplicht door Mazzelshop. Volgens Mazzelshop heeft zij tijdig geklaagd. Kort nadat haar duidelijk was dat zij slechts een beperkte uitkering ontving onder de afgesloten verzekering, heeft zij zich daarover bij FBA beklaagd, volgens Mazzelshop. Haar bestuurder, de heer [A] (hierna: [A] ) heeft daarover bij gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg het volgende verklaard:
In maart 2007 ontving ik de uitkering en dat viel behoorlijk tegen. Toen kreeg ik in de gaten dat er iets niet klopte. Ik heb daarna contact gehad met [B] . Dit verliep niet goed. Ik heb daarna al vrij snel contact opgenomen met de directie van de Friesland Bank. Die hebben geregeld dat [C] vanaf dat moment mijn aanspreekpunt zou zijn. [C] gaf aan dat een “stop loss verzekering” niet geschikt was voor een kleine onderneming als de mijne. Een dergelijke verzekering is geschikt voor een onderneming met meer dan vijftien werknemers. Volgens [C] was een normale risicoverzekering de juiste verzekering geweest.
Ik begrijp niet dat de Friesland Bank niet meer informatie heeft. Ik heb meerdere malen met de adjunct-directeur [D] gesproken. [D] is namelijk meerdere malen bij mij langs geweest. Er moet een dossier zijn. [B] zou een keer met [D] meekomen dat heeft hij niet gedaan. Toen heeft [D] gezegd dat ik dan Friesland Bank maar aansprakelijk moest gaan stellen. Dat het wat langer heeft geduurd, heeft ermee te maken dat er eerst sprake was van een moeizaam mondeling overleg. Dat staat ook aangegeven in de brief van november 2011.
(…)
Ik heb eerst mondeling mijn beklag bij [B] gedaan. Daarna heb ik bij de directie van de Friesland Bank mijn klacht neergelegd en vervolgens bij [C] .

5.7

[A] heeft bij gelegenheid van de comparitie in hoger beroep een vergelijkbare verklaring afgelegd. De brief van 25 november 2011, waarin wordt gerefereerd aan jarenlang moeizaam overleg, biedt steun aan de juistheid van zijn (herhaalde) verklaring. FBA heeft de door [A] bij gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg afgelegde verklaring niet weersproken. Zij is er in haar memorie van antwoord niet op ingegaan en heeft bij gelegenheid van de comparitie van partijen in hoger beroep slechts doen opmerken dat er geen bewijs is van de gesprekken die volgens [A] zijn gevoerd. Daarmee heeft zij de gedetailleerde verklaring van [A] niet gemotiveerd weersproken. Het hof gaat dan ook uit van die verklaring. Daarmee staat vast dat [A] namens Mazzelshop kort nadat de uitkering over 2006 was ontvangen heeft geklaagd bij zijn contactpersoon [B] en later bij de directie van FBA. Onder deze omstandigheden heeft FBA onvoldoende onderbouwd dat Mazzelshop haar klachtplicht heeft geschonden. Het beroep op de klachtplicht faalt dan ook.

5.8

Daarmee komt het hof toe aan de bespreking van de grieven II en III. Die grieven stellen, zoals hiervoor is aangegeven, de vraag aan de orde of FBA haar zorgplicht is nagekomen en zo niet of Mazzelshop daardoor schade heeft geleden. Bij het antwoord op die eerste vraag stelt het hof voorop dat volgens vaste rechtspraak een assurantietussenpersoon, zoals FBA, tegenover zijn opdrachtgever de zorg dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak behoort in beginsel ook dat de assurantietussenpersoon zijn opdrachtgever adequaat adviseert bij de keuze van de verzekering die de laatste afsluit en dat hij zijn opdrachtgever informeert indien deze een verzekering heeft afgesloten die geen of onvoldoende dekking biedt tegen de risico’s die de opdrachtgever met de verzekering beoogt af te dekken. Om aan deze zorgplicht te kunnen voldoen, zal de assurantietussenpersoon zich een beeld moeten vormen van de aard en de omvang van het bedrijf van de opdrachtgever, het risico waartegen de opdrachtgever zich wenst te verzekeren en het risico dat de opdrachtgever bereid is voor eigen rekening te nemen. Op basis van deze informatie kan de assurantietussenpersoon de opdrachtgever adviseren over het afsluiten van een passende verzekering en hem, bijvoorbeeld nadat de assurantietussenpersoon bekend is geworden met wijzigingen in het bedrijf van de opdrachtgever, erop wijzen dat een lopende verzekering niet (meer) de dekking verleent die de opdrachtgever wenselijk acht.

5.9

Volgens Mazzelshop is FBA tekortgeschoten in deze zorgplicht door te bemiddelen bij het oversluiten van de verzekering, althans niet te waarschuwen tegen de onvoldoende dekking van de verzekering. De afgesloten stop-lossverzekering is niet geschikt voor een bedrijf met slechts drie werknemers in dienst. Volgens Mazzelshop zijn stop-lossverzekeringen alleen passend bij bedrijven met veel meer medewerkers - aanvankelijk noemde Mazzelshop een aantal van minimaal 15 werknemers, later refereerde zij aan een loonsom van minimaal € 1.000.000,- per jaar) - en had FBA Mazzelshop het afsluiten van een andere verzekering, een conventionele ziekteverzuimverzekering moeten adviseren.

5.10

FBA heeft gemotiveerd betwist dat zij is tekortgeschoten in haar zorgplicht. Volgens haar is de keuze voor het voortzetten van de stop-lossverzekering niet per definitie onjuist. FBA wijst erop dat Mazzelshop toen zij de onderneming overnam de lopende verzekeringen, waaronder de stop-lossverzekering, overnam en dat er toen nog 11 medewerkers bij de overgenomen onderneming in dienst waren. Ook wijst zij erop dat een stop-lossverzekering een aanzienlijk lagere premie heeft dan een conventionele ziekteverzuimverzekering. De keuze van een verzekering is niet alleen afhankelijk van de dekking, maar ook van andere variabelen, zoals de premie en het eigen risico, aldus FBA.

5.11

Het hof overweegt allereerst dat FBA er na de brief van 17 januari 2006 van op de hoogte was dat Mazzelshop vanaf 1 januari 2006 slechts drie werknemers in dienst had en dat de loonsom minder dan € 100.000,- bedroeg. In verband daarmee is de premie per
1 januari 2006 aangepast. Gelet op wat het hof hiervoor heeft overwogen over de zorgplicht van de assurantietussenpersoon bij een hem kenbare wijziging in de onderneming van de opdrachtgever dient bij het antwoord op de vraag of FBA haar zorgplicht heeft geschonden niet alleen te worden uitgegaan van een situatie waarin Mazzelshop 11 werknemers in dienst heeft, maar ook van de situatie die zich vanaf 1 januari 2006 voordeed, waarin Mazzelshop drie werknemers in dienst had.

5.12

Het hof overweegt vervolgens dat het behoefte heeft aan deskundige voorlichting over de in de jaren 2005 en 2006 bestaande ziekteverzuimverzekeringen, de voor- en nadelen van deze verzekeringen en de geschiktheid van de diverse ziekteverzuimverzekeringen voor bedrijven met een personeelsbestand als dat van Mazzelshop. Het hof zal dan ook een deskundigenonderzoek gelasten.

5.13

Met inachtneming van wat partijen over de vraagstelling hebben opgemerkt, komt het hof tot de volgende vragen. Het hof tekent daarbij aan dat het deskundigenonderzoek, anders dan Mazzelshop gelet op de door haar voorgestelde vragen lijkt te veronderstellen, niet bedoeld is om de deskundige te laten beoordelen of FBA haar zorgplicht heeft geschonden, maar om het hof informatie te verschaffen op basis waarvan het hof dat kan beoordelen. Daartoe is noodzakelijk dat de deskundige het hof voorlicht over de kenmerken van de verschillende ziekteverzuimverzekeringen en ook over de vraag wat de meest passende verzekering is. Indien dat niet een stop-lossverzekering is, betekent dat niet zonder meer dat FBA is tekortgeschoten in haar zorgplicht, maar rijst wel de vraag of voor de keuze voor (het voortzetten van) een stop-lossverzekering goede gronden bestaan.

5.14

Het hof komt tot de volgende vragen:

a. Wat voor soort ziekteverzuimverzekeringen waren in 2005 en 2006 op de markt?

b. Wilt u per soort verzekering beschrijven wat de kenmerken zijn, wat de voor- en nadelen van de verzekering zijn, of de verzekering bestemd of geschikt is voor bedrijven met een minimum aantal medewerkers en/of een maximaal verzuimpercentage en wat de premiehoogte is?

c. Wat was per 1 december 2005, respectievelijk per 1 januari 2006 gelet op wat u bekend is over het aantal medewerkers van Mazzelshop, de loonsom en het ziekteverzuim de best passende ziekteverzuimverzekering? Wat zou naar verwachting het premiepercentage voor deze verzekering zijn geweest, uitgaande van de meest gangbare eigen risicotermijn, een dekking van 100% voor het eerste en 70% voor het tweede ziektejaar en het meeverzekeren van werkgeverslasten tot 25%? Kunt u ook aangeven wat een wijziging van de eigen risicotermijn, het dekkingspercentage en het niet meeverzekeren van werkgeverslasten voor gevolgen heeft voor het premiepercentage?

d. Indien het antwoord op vraag c inhoudt dat een andere verzekering dan een stop-lossverzekering het best passend is, wilt u dan aangeven of in de omstandigheden van het geval ook voor de keuze voor (het voortzetten van) een stop-lossverzekering goede gronden aanwezig zijn?

e. Indien het antwoord op vraag c inhoudt dat een andere verzekering dan een stop-lossverzekering het best passend is welke bedragen zouden dan, uitgaande van de ziekmeldingen die zich in de jaren 2006 tot en met 2009 hebben voorgedaan bij Mazzelshop, naar verwachting onder deze verzekering zijn uitgekeerd?

f. Waren er per 1 december 2005 of per 1 januari 2006 - bijvoorbeeld vanwege ziekte van werknemers of een premie-achterstand al dan niet in combinatie met het acceptatiebeleid van de verzekeraars - beletselen voor Mazzelshop om in plaats van de bestaande stop-lossverzekering een andere verzekering af te sluiten? Zo ja, welke beletselen betreft het, was het mogelijk om die beletselen weg te nemen, en indien dat het geval was, op welke wijze?

g. Geeft uw onderzoek u aanleiding tot het maken van opmerkingen die u van belang acht voor de beslissing in deze zaak?

5.15

Partijen verschillen van mening over de persoon van de deskundige. Mazzelshop stelt voor een in de beroepsaansprakelijkheid van assurantietussenpersonen gespecialiseerde jurist te benoemen. FBA opteert voor een deskundige die is verbonden aan een verzekeraar en die uit dien hoofde ook bekend is met het acceptatiebeleid van verzekeraars. Uit wat het hof over de vraagstelling heeft overwogen, volgt dat het hof vooral behoefte heeft aan feitelijke informatie over de markt van ziekteverzuimverzekeringen in 2005 en 2006. Het ligt dan ook voor de hand om een deskundige te benoemen die bekend is met en praktijkervaring heeft opgedaan in die markt, bij voorkeur als verzekeringstussenpersoon. Het hof zal om die reden
de heer [E] , nu werkzaam als senior consultant bij Mercer (Nederland) B.V. benoemen. De heer [E] heeft laten weten een eventuele benoeming tot deskundige te zullen aanvaarden. Hij heeft verklaard vrij te staan tegenover partijen.

5.16

Het hof zal Mazzelshop, op wie de bewijslast rust ten aanzien van de zorgplichtschending, belasten met het voorschot op de kosten van de deskundige. Het voorschot zal, uitgaande van een uurtarief van € 274,- (ex BTW) en een te verwachten tijdsbesteding van 15 uren, worden bepaald op € 5.000,-.

6 De beslissing

Het gerechtshof, voordat het verder beslist:

benoemt tot deskundige [E] , p.a. postbus [0000] , [F] , e-mail: [E] .com

om een onderzoek in te stellen naar en schriftelijk bericht uit te brengen over de in rechtsoverweging 5.14 geformuleerde vragen;

bepaalt dat Mazzelshop aan de deskundige het volledige procesdossier ter inzage zal geven en beveelt partijen om aan de deskundige alle door hem gewenste inlichtingen te verstrekken;

bepaalt dat de deskundige het door hem uit te brengen rapport (ondertekend en met redenen omkleed) ter griffie van dit hof (postbus 1704, 8901 CA te Leeuwarden) zal indienen vóór

8 januari 2019;

bepaalt dat de deskundige het onderzoek pas zal behoeven te beginnen nadat door Mazzelshop bij wege van voorschot ter zake van de kosten van het deskundigenonderzoek een bedrag van € 5.000,-, ter griffie van het hof zal zijn gedeponeerd conform de nota met betaalinstructies die OVZ hiertoe zal ontvangen van het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak en de griffie aan de deskundige heeft bericht dat het voorschot is voldaan, tenzij een van partijen binnen twee weken na heden, in een brief aan de hierna te benoemen raadsheer-commissaris te kennen geeft niet met dit voorschot te kunnen instemmen, in welk geval nader zal worden beslist;

bepaalt dat dit voorschot uiterlijk op 30 oktober 2018 moet zijn voldaan;

bepaalt dat het onderzoek door de deskundigen zal worden verricht onder leiding van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof, mr. H. de Hek en dat de deskundigen zich voor vragen en/of opmerkingen betreffende het onderzoek zullen kunnen wenden tot voornoemde raadsheer-commissaris;

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan de deskundigen zal verzenden;

bepaalt dat de zaak zal worden verwezen naar de roldatum 19 februari 2019 voor memorie na deskundigenrapport aan de zijde van Mazzelshop;

houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. W.P.M. ter Berg en mr. G. van Rijssen en is op 16 oktober 2018 in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier.