Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8994

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-10-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
200.233.004/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie en aanvaardbaarheidstoets. Het ligt op de weg van de man om voldoende concreet te stellen en te onderbouwen dat sprake is van een onaanvaardbare situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.233.004/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/118568 / FA RK 17-704)

beschikking van 9 oktober 2018

inzake

[verzoeker] ,
wonende te [A] ,

verzoeker,
verder te noemen: de man,
voormalig advocaat mr. P.C. Schutte te Winschoten,

en

[verweerster] ,
wonende te [B] ,
verweerster,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.B. Beerentsen te Zwolle.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 8 november 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 6 februari 2018;
- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht namens mr. Schutte van 12 maart 2018 met productie(s);
- een journaalbericht van 26 juli 2018, waarin is medegedeeld dat de advocaat van de man, mr. Schutte, zich aan de zaak heeft onttrokken.

2.2

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 30 juli 2018. De vrouw en haar advocaat zijn daarbij verschenen.

3 Feiten

3.1

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad en samengewoond tot januari 2017. Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2016 (hierna: [de minderjarige] ). De man heeft [de minderjarige] erkend.

3.2

[de minderjarige] is na de breuk tussen zijn ouders en het vertrek van de man in januari 2017 bij de vrouw blijven wonen, die van rechtswege alleen is belast met het ouderlijk gezag over hem.

3.3

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 6 april 2017, heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man met ingang van 4 april 2017 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) aan de vrouw dient te voldoen van € 232,- per maand, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.

3.4

De man heeft op 8 juni 2017 een verweerschrift ingediend dat tevens een zelfstandig verzoek bevat.

3.5

In de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, bepaald dat de man met ingang van de dag van indiening van het verzoekschrift een kinderalimentatie voor [de minderjarige] aan de vrouw dient te voldoen van € 120,- per maand. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4 De omvang van het geschil

4.1

Het geschil in deze procedure betreft de kinderalimentatie voor [de minderjarige] .

4.2

De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen op het punt van de kinderalimentatie en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de kinderalimentatie op nihil te stellen, dan wel op een zodanig bedrag en een zodanige datum als het hof juist acht.

4.3

De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen met niet-ontvankelijk verklaring van de man in zijn verzoek, dan wel afwijzing daarvan.

4.4

De grieven van de man hebben betrekking op de behoefte van [de minderjarige] (1), de draagkracht van de man op het punt van zijn inkomen en schulden (2) en de ingangsdatum van de kinderalimentatie (3). De bandbreedte van het geschil is wat betreft de hoogte van de kinderalimentatie gelegen tussen nihil en € 120,- per maand.

5
5. De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:404 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. De wettelijke maatstaven voor het bepalen van de onderhoudsverplichting zijn aldus de behoefte van de onderhoudsgerechtigde enerzijds en de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) anderzijds (vgl. artikel 1:397 lid 1 BW).

De ingangsdatum
5.2 De rechter heeft een grote mate van vrijheid bij het bepalen van de ingangsdatum van de kinderalimentatie, waarbij al naar gelang de omstandigheden van het geval verschillende momenten voor de hand liggen zoals de dag van indiening van het verzoekschrift, de dag van de uitspraak of de dag waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.

5.3

Het hof ziet in dit geval geen aanleiding af te wijken van de door de rechtbank in de bestreden beschikking gekozen ingangsdatum, te weten de dag van indiening van het verzoekschrift 6 april 2017. In zaken als deze is een dergelijke ingangsdatum gebruikelijk. Achterliggende gedachte hierbij is dat in ieder geval vanaf dat moment duidelijk moet zijn dat serieus aanspraak wordt gemaakt op kinderalimentatie en dus rekening kan worden gehouden met de financiële gevolgen van de wettelijke onderhoudsverplichting, die overigens al vanaf de geboorte van het kind bestaat. De door de man aangevoerde omstandigheden (dat hij in overleg wilde treden met de vrouw en hij pas vanaf augustus 2017 een vast inkomen had) geven het hof geen aanleiding om een latere ingangsdatum te kiezen, gelet op hetgeen hierna over de draagkracht van de man wordt overwogen.
De behoefte van de minderjarige
5.4 Voor de vaststelling van de behoefte aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen is in samenwerking met het NIBUD een forfaitair systeem ontwikkeld, gebaseerd op CBS-cijfers, dat is neergelegd in het rapport ‘Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie’. Aan de hand van het netto besteedbare gezinsinkomen, en het aantal en de leeftijd van de tot het gezin behorende kinderen, wordt aan de hand van een tabel bepaald wat de behoefte is van het betreffende kind. De behoeftebepaling van een minderjarige die in gezinsverband met de ouders heeft geleefd strekt er in beginsel toe de welstand die het kind gewoon was zoveel mogelijk te laten continueren na het verbreken van de samenleving van de ouders. In zo'n geval wordt daarom aanbevolen het netto gezinsinkomen in de laatste periode van samenwoning in aanmerking te nemen in de tabel, tenzij het inkomen van een van de ouders nadien hoger is dan het toenmalige gezinsinkomen. In laatstgenoemde situatie wordt dat hogere inkomen in aanmerking genomen vanuit de gedachte dat een kind mee dient te profiteren van de gestegen welvaart van de ouder(s).

5.5

Gelet op voormelde aanbeveling heeft de rechtbank voor de bepaling van de behoefte van [de minderjarige] terecht aansluiting gezocht bij het netto gezinsinkomen van partijen in 2016. Anders dan door de vrouw in hoger beroep is aangevoerd zal ook het hof conform deze aanbeveling uitgaan van het inkomen van partijen in 2016. De hoogte van het door de rechtbank in aanmerking genomen netto gezinsinkomen in 2016 is, met uitzondering van het kindgebonden budget, niet in geschil. Tussen partijen staat in dit verband vast dat de man een netto besteedbaar inkomen (hierna ook: NBI) had in 2016 van € 1.546,- per maand. De rechtbank heeft voor de vrouw een netto besteedbaar inkomen gehanteerd van € 937,-. Uit de berekening van de rechtbank blijkt dat de rechtbank is uitgegaan van een kindgebonden budget van € 342,- per maand (volgend uit het rekenprogramma). Het hof is echter met de man van oordeel dat een correctie op dit punt op zijn plaats is omdat partijen dat feitelijk niet hebben ontvangen in de periode dat zij nog samen waren na de komst van [de minderjarige] . De man heeft in dat verband onbetwist gesteld dat partijen in 2016 feitelijk € 327,- kindgebonden budget hebben ontvangen. Partijen hebben vanaf augustus 2016 kindgebonden budget ontvangen voor [de minderjarige] , wat neerkomt op afgerond € 65,- per maand (augustus t/m december 2016). Voor de bepaling van de behoefte is de feitelijke welstand maatgevend. Het hof zal daarom uitgaan van een netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 937,- - € 342,- +
€ 65,- = € 660,-. Gelet daarop zal het hof voor de bepaling van de behoefte van [de minderjarige] uitgaan van een netto gezinsinkomen van € 2.206,- per maand (€ 660,- + € 1.546,-) en dat correspondeert in de behoeftetabel 2016 met een behoefte van € 315,- per maand. De grief van de man met betrekking tot de hoogte van de behoefte van [de minderjarige] slaagt dus in zoverre.
De draagkracht van de man
* het inkomen
5.6 De rechtbank is bij de berekening van de draagkracht van de man uitgegaan van het netto besteedbaar inkomen van de man van afgerond € 1.412,- per maand zoals dat volgt uit de loonstrook over de maand augustus 2017 waarin ook de Wajong-uitkering van de man is verwerkt. Dat leidt in de toepasselijke formule volgens de rechtbank tot een draagkracht van € 120,- per maand.

5.7

De man heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn gemiddelde maandinkomen in 2017 lager is geweest, namelijk € 1.184,75 per maand. Het hof stelt vast dat de man de toelichting van de vrouw op het inkomen van de man in haar verweerschrift en ter zitting niet heeft betwist. Het hof neemt daarom als vaststaand aan dat de man het inkomen waar de rechtbank vanuit is gegaan kon en kan verwerven. Onweersproken is in dat verband dat de man er zelf voor heeft gekozen om na het verbreken van de relatie met de vrouw zijn baan op te zeggen en te verhuizen.

* schulden
5.8 De man voert onder grief 2 tevens aan dat bij het bepalen van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met een aantal schulden.

5.9

Het hof stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad in beginsel alle schulden van invloed zijn op de draagkracht van een onderhoudsplichtige maar dat, mits gemotiveerd, in een voorkomend geval aan bepaalde schulden minder gewicht kan worden toegekend. In lijn daarmee is in paragraaf 7.2 van de Aanbevelingen van de Expertgroep alimentatienormen opgenomen dat rekening kan worden gehouden met (vaststaande) schulden die niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn, door het draagkrachtloos inkomen in de draagkrachtformule te verhogen.

5.10

Gelet op de stukken heeft de man in dit verband, naar het oordeel van het hof, voldoende onderbouwd dat hij afgerond € 45,- per maand betaalt voor zijn studieschuld bij DUO (waarvan het saldo in maart 2018 blijkens de stukken nog zo'n € 1.084,- bedroeg) en dat die schuld niet verwijtbaar en niet vermijdbaar is. Datzelfde geldt voor de schuld van de man bij het UWV waarvan het saldo op 1 februari 2018 blijkens de stukken € 630,- bedroeg en waarvoor een betalingsregeling is getroffen van € 50,- per maand. Het betreft een schuld wegens terugbetaling van voorschotten Wajong-uitkering over de periode van 1 november 2015 tot en met 31 maart 2016, toen partijen samenwoonden, waarvan de oorspronkelijke schuld € 1.379,40 bruto bedroeg. Het hof zal rekening houden met beide extra lasten van in totaal € 95,- per maand.
Het hof zal de overige door de man opgevoerde schulden buiten beschouwing laten omdat de man (de noodzaak van) het bestaan ervan onvoldoende heeft onderbouwd mede gelet op hetgeen van de zijde van de vrouw daarover is opgemerkt in het verweerschrift en ter zitting. Daarbij geldt dat, als het al zo zou zijn dat de schuld bij VKB niet verwijtbaar en niet vermijdbaar moet worden geacht, de hiervoor genoemde schulden binnen afzienbare tijd zijn afgelost en van de man mag worden verwacht voor de VKB-schuld een, gelet op zijn onderhoudsplicht, zodanig aflossingsschema overeen te komen dat dit past binnen zijn draagkracht.

5.11

Rekening houdend met voormelde extra last van in totaal € 95,- per maand komt de toepasselijke draagkrachtformule als volgt te luiden (voor het eerste jaar vanaf de ingangsdatum): 90% [NBI – (0,3 x NBI + 855 + 95)]. Het NBI van de man is € 1.412,- per maand. De draagkracht van de man kan hiermee worden berekend op afgerond € 35,- per maand.

De draagkracht van de vrouw
5.13 Tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw een draagkracht heeft van € 25,- per maand heeft de man niet gegriefd, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

Draagkrachtvergelijking en zorgkorting

5.14

Nu de totale draagkracht van partijen geringer is dan de behoefte van [de minderjarige] bestaat geen aanleiding voor een draagkrachtvergelijking en dient de man in beginsel zijn hele beschikbare draagkracht aan te wenden voor [de minderjarige] .

5.15

Het hof zal, ondanks het betoog van de vrouw dat er op dit moment geen omgang is, een zorgkorting van 15% in aanmerking nemen, nu het de verantwoordelijkheid van beide ouders is om tot een zorgregeling te komen. De nominale zorgkorting bedraagt dan 15% x
€ 315,- = afgerond € 47,- per maand. Als gevolg van het tekort aan draagkracht kan de man deze zorgkorting echter niet verzilveren. Het tekort aan draagkracht is immers € 255,- per maand. Dat tekort dient door partijen ieder voor de helft te worden gedragen waardoor de man de zorgkorting niet kan verzilveren. De onderhoudsverplichting wordt in dit geval daarom bepaald door de bij de man beschikbare draagkracht van € 35,- per maand.

De aanvaardbaarheidstoets

5.16

Voor zover de man een beroep heeft willen doen op de aanvaardbaarheidstoets als bedoeld in paragraaf 7.3 van de Aanbevelingen, in verband met de voormelde uitkomst van de berekening, overweegt het hof het volgende. Van een onaanvaardbare situatie is sprake indien de onderhoudsplichtige bij de vast te stellen bijdrage niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien, of van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt. Het ligt op de weg van de man om voldoende concreet te stellen en te onderbouwen dat vanwege de door hem gestelde lasten in combinatie met zijn inkomsten sprake is van een onaanvaardbare situatie zoals hiervoor bedoeld. De man had ten minste door middel van een berekening (van zijn inkomsten en uitgaven) inzichtelijk dienen te maken dat van een onaanvaardbare situatie als hiervoor bedoeld sprake is. Nu hij dat heeft nagelaten kan een beroep op de aanvaardbaarheidstoets niet slagen.

Terugbetaling

5.17

Aangezien de kinderalimentatie van consumptieve aard is overweegt het hof - mede gelet op de inkomenspositie van de vrouw - dat, voor zover de vrouw ten behoeve van [de minderjarige] meer aan onderhoudsbijdrage heeft ontvangen dan op grond van deze beschikking is bepaald, het te veel betaalde door haar niet aan de man terugbetaald hoeft te worden.

6 De slotsom

6.1

Het voorgaande betekent dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 8 november 2017 voor zover het de beslissing over de kinderalimentatie betreft;

en opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man aan de vrouw verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2016, met ingang van 6 april 2017 op € 35,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen voor zover de termijnen nog niet zijn verstreken;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, I.M. Dölle en
C. Koopman, bijgestaan door mr. A.J.Th. Harkema als griffier en is op 9 oktober 2018 in het openbaar uitgesproken.