Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:886

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
02-02-2018
Zaaknummer
16/01021 tm 16/01025
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:3789, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1702
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Aftrek specifieke zorgkosten. Terechte weigering door inspecteur?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/246
V-N 2018/21.1.3
Viditax (FutD), 02-02-2018
FutD 2018-0347
Viditax (FutD), 21-09-2018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 16/01021 tot en met 16/01025

uitspraakdatum: 23 januari 2018

Uitspraak van de achttiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 juli 2016, nummers AWB 15/2376 tot en met 15/2380, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2009 tot en met 2013 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Bij beschikkingen is heffingsrente/belastingrente berekend en zijn boetes opgelegd.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente/belastingrente gehandhaafd en de boetes verminderd (2009: € 106, 2010: € 40, 2011: € 59, 2012: € 85 en 2013: € 144).

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2017. De zaken van belanghebbende zijn ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaken, met de procedurenummers 16/01019 en 16/01020, van [A] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is gehuwd met [A] . De echtgenoot van belanghebbende drijft een onderneming als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001)

2.2.

Op 9 september 2014 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd bij de echtgenoot van belanghebbende. Dit boekenonderzoek is op 17 september 2014 gestart. In het rapport van dit boekenonderzoek van 2 december 1014 is het volgende opgenomen:

5.1 Uitgaven specifieke zorgkosten

Belastingplichtige heeft diverse specifieke zorgkosten opgevoerd die niet aftrekbaar zijn.

Het betreft de volgende kosten:

Uitgaven voor vervoer i. v. m. ziekte of invaliditeit

Belastingplichtige heeft de volgende reiskosten afgetrokken:

• het halen van medicijnen (huisapotheek) bij drogist en apotheek;

• patiëntenvereniging en opticien;

Dit is niet toegestaan. Uitsluitend de reiskosten voor het vervoer naar een arts of ziekenhuis zijn aftrekbaar.

(…)

Extra kleding en beddengoed

Vanaf 2011 zijn uitgaven voor extra kleding en beddengoed afgetrokken. In 2011 alleen voor de echtgenote van belastingplichtige en vanaf 2012 voor belastingplichtige en zijn echtgenote. Belastingplichtige heeft niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat hiervoor extra kosten zijn gemaakt.

(…)

De correctie heb ik als volgt berekend;

2009 2010 2011 2012 2013

Niet aftrekbare kosten € 1.160 € 333 € 758 € 1.183 € 1.495

Verhoging € 1.311 € 256 € 303 € 473 € 598

Correctie € 2.471 € 589 € 1061 € 1.656 € 2.093

Aangifte € 3.346 € 1.338 € 2.398 € 3.915 € 2.817

Saldo € 875 € 749 € 1.337 € 2.259 € 724

Af: drempel € 569 € 616 € 595 € 639 € 1.316

Aftrekbaar € 307 € 132 € 742 € 1.619 € 0

Aangifte € 2.635 € 1.096 € 2.154 € 3.665 € 3.681

Correctie € 2.528 € 964 € 1.412 € 2.046 € 3.681

(…)

7.2

Inkomstenbelasting/Premie volksverzekeringen

[X] , BSN/sofïnummer [000.00.000]

7.2.1

Inkomen uit werk en woning (box 1)

2009 2010 2011 2012 2013

Aangegeven/vastgesteld inkomen uit € 33.289 € 36.384 € 34.950 € 30.868 € 27.547

werk en woning (box 1)

Correctie punt 5.1 rapport € 2.528 € 964 € 1.412 € 2.046 € 3.681

Gecorrigeerd belastbaar inkomen € 35.817 € 37.348 € 36.362 € 32.914 € 31 .228

uit werk en woning

(…)

8.1

Vergrijpboete inkomstenbelasting

(…)

Voor wat betreft de correctie genoemd onder punt 5.1 van dit rapport mag van belastingplichtige [echtgenoot van belanghebbende], als fiscaal adviseur, worden verwacht over voldoende kennis te beschikken omtrent de aftrekbaarheid van de buitengewone uitgaven. Omdat hij kosten heeft afgetrokken waarvan hij had kunnen weten dat deze, wegens het ontbreken van de vereiste medische voorschriften, niet aftrekbaar zijn, is er sprake van grove schuld.

(…)”

2.3.

De specifieke zorgkosten van belanghebbende en haar echtgenoot zijn in de jaren 2009 tot en met 2013 geheel toegerekend aan belanghebbende.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Inspecteur terecht aftrek wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten (parkeerkosten, hulpmiddelen, vervoer en kleding en beddengoed) heeft geweigerd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

3.2.

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

Parkeerkosten

4.1.

Ingevolge artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Wet IB 2001 zijn uitgaven voor specifieke zorgkosten uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor vervoer. Tot uitgaven voor vervoer behoren onder meer uitgaven voor vervoer die zijn gedaan in rechtstreeks verband met het verkrijgen van genees-, heel- of verloskundige hulp, zoals uitgaven voor vervoer gedaan door een zieke of invalide voor het ondergaan van een medische behandeling of het bezoeken van een arts. Dergelijke uitgaven voor vervoer behoren integraal tot de uitgaven ter zake van ziekte en invaliditeit.

4.2.

Belanghebbende voert aan dat de opgevoerde vervoerskosten ten onrechte zijn gecorrigeerd, omdat parkeerkosten als zorgkosten kwalificeren.

4.3.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aangebrachte correcties betrekking hebben op vervoerskosten met betrekking tot het ophalen van medicatie bij de apotheek en in verband met ritten van en naar patiëntenverenigingen, zodat geen sprake is van vervoerskosten voor het ondergaan van een medische behandeling.

4.4.

Blijkens het rapport boekenonderzoek zijn de reiskosten die belanghebbende heeft afgetrokken voor het halen van medicijnen (huisapotheek) bij drogist en apotheek en voor het bezoeken van patiëntenvereniging en opticien gecorrigeerd. Het Hof is van oordeel dat deze correctie terecht is nu deze vervoerskosten geen reiskosten zijn voor het vervoer naar een arts of ziekenhuis. De vraag of parkeerkosten als zorgkosten kwalificeren behoeft derhalve geen beantwoording.

Hulpmiddelen

4.5.

Ingevolge artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel d van de Wet IB 2001 zijn uitgaven voor specifieke zorgkosten de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor andere hulpmiddelen, met uitzondering van brillen, contactlenzen en overige hulpmiddelen ter ondersteuning van het gezichtsvermogen.

4.6.

Belanghebbende voert aan dat zij twee staaroperaties heeft ondergaan waarbij de troebele ooglenzen zijn vervangen door kunstlenzen. Het gaat daarbij niet om contactlenzen, maar om het vervangen van ooglenzen. De meerkosten van € 550 voor het gebruik van een torische ooglens in plaats van een standaard ooglens, waarvan de factuur is overlegd zijn door de verzekering niet vergoed en dienen als hulpmiddel in aftrek te kunnen worden gebracht. Voor zover bewijs nodig is dat de verzekering dit bedrag niet vergoed, heeft belanghebbende hiervan bewijs aangeboden.

4.7.

Voor zover hier sprake is van een hulpmiddel, betreft dit een hulpmiddel ter ondersteuning van het gezichtsvermogen dat geen ander hulpmiddel is in de zin van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet IB 2001, zodat de hiervoor gemaakte kosten niet voor aftrek in aanmerking komen.

Kleding en beddengoed

4.8.

Ingevolge artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel g van de Wet IB 2001 zijn uitgaven voor specifieke zorgkosten de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven volgens bij ministeriële regels te stellen regels. In artikel 38, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling IB 2001 is bepaald dat deze uitgaven in aanmerking genomen worden voor een bedrag van € 300 (2011) respectievelijk € 310 (2012 en 2013) dan wel, indien blijkt dat die uitgaven € 600 (2011) respectievelijk € 620 (2012 en 2013) te boven gaan, voor een bedrag van € 750 (2011) respectievelijk € 775 (2012 en 2013), indien de genoemde uitgaven voortvloeien uit ziekte of invaliditeit van een persoon die tot het huishouden van de belastingplichtige behoort, en de ziekte of invaliditeit ten minste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal duren.

4.9.

Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende, die aanspraak maakt op een aftrekpost, aannemelijk dient te maken dat zij voornoemde uitgaven voor extra kleding en beddengoed heeft gedaan. Belanghebbende heeft daartoe in hoger beroep gesteld dat reeds sinds 1970 deze kosten worden afgetrokken vanwege diabetes. Blijkens het boekenonderzoek worden vanaf 2011 uitgaven voor extra kleding en beddengoed afgetrokken, maar heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hiervoor extra kosten zijn gemaakt. Het enkele feit dat sprake is van diabetes acht het Hof onvoldoende om aannemelijk te achten dat in onderhavige jaren kosten zijn gemaakt voor extra kleding en beddengoed.

Boetes

4.10.

Op grond van artikel 67e (https://www.navigator.nl/document/openCitation/%20id7dc94e38befbe3c0d3d3dba6625a7eb9?idp=LegalIntelligence) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan met betrekking tot belastingen die bij wege van aanslag worden geheven gelijktijdig met het vaststellen van de navorderingsaanslag aan de belastingplichtige een vergrijpboete worden opgelegd, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.

4.11.

Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. Daarbij kan worden gedacht aan laakbare slordigheid of aan ernstige nalatigheid. Bij grove schuld had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven of betaald. In geval van grove schuld wordt ingevolge § 25 (https://www.navigator.nl/document/openCitation/%20id2384f8abea584d2b9f82d4db6cfc4813?idp=LegalIntelligence) van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst een vergrijpboete van 25 percent opgelegd. De bewijslast dat sprake is van grove schuld rust op Inspecteur. Nu de Inspecteur slechts grove schuld van de echtgenoot van belanghebbende heeft gesteld en onderbouwd en geen grove schuld heeft gesteld ten aanzien van belanghebbende, is de Inspecteur niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast en dienen de boetes te worden vernietigd.

Belastingrente

4.12.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente/belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is alleen gegrond voor zover sprake is van een vermindering van een of meerdere aanslagen IB/PVV. Nu de aanslagen IB/PVV niet worden verminderd is het hoger beroep voor zover dit ziet op de heffingsrente/belastingrente ongegrond.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, bepaalt het Hof dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt.

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken.

Belanghebbende heeft tijdens de bezwaarfase en in beroep verzocht om een kostenvergoeding overeenkomstig het Besluit Proceskosten Bestuursrecht (hierna: Bpb). Belanghebbende heeft zich in bezwaar en beroep laten vertegenwoordigen door [A] , fiscaal gemachtigde en tevens echtgenoot van belanghebbende. Vooropgesteld moet worden dat de zojuist genoemde familierelatie niet belet dat de gemachtigde als derde wordt aangemerkt. Die familierelatie hoeft evenmin aan het beroepsmatige karakter van de verleende rechtsbijstand in de weg te staan, met dien verstande dat als de rechtsbijstand wordt verleend door een persoon die behoort tot het huishouden van belanghebbende in beginsel moet worden aangenomen dat deze niet op zakelijke basis is verleend en daarom niet kan gelden als beroepsmatig verleend (vgl. Hoge Raad 19 oktober 2012, nr. 11/04773, ECLI:NL:HR:2012:BY0531, BNB 2012/317). Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de door haar – niet van tafel en bed gescheiden – echtgenoot verleende rechtsbijstand op zakelijke basis heeft plaatsgevonden. Belanghebbende heeft, zonder nadere onderbouwing, niet aannemelijk gemaakt dat op haar een verplichting rust of zal komen te rusten om kosten ter zake van de verleende rechtsbijstand te voldoen. De door gemachtigde [B] in hoger beroep geleverde rechtsbijstand komt wel voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep voor rechtsbijstand heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.503 (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 501 x 1,5 (samenhang)).

Voor de behandeling van het beroep en hoger beroep heeft belanghebbendes echtgenoot verzocht om vergoeding van reiskosten. Nu deze reiskosten reeds in de procedures met nummers 16/01019 en 16/01020 zijn vergoed, is een vergoeding daarvan in onderhavige procedures niet meer aan de orde.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de boetes 2009 tot en met 2013,

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige,

– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur voor zover het betreft de boetes 2009 tot en met 2013,

– vernietigt de boetebeschikkingen 2009 tot en met 2013, en

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.503.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 23 januari 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, Het lid van de enkelvoudige

belastingkamer,

(E.D. Postema) (A.E. Keulemans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 30 januari 2018

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.