Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8802

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-09-2018
Datum publicatie
09-10-2018
Zaaknummer
21-003415-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvoer van mest voor co-vergister in strijd met vergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003415-17

Uitspraak d.d.: 26 september 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Overijssel van 13 juni 2017 met parketnummer 08-997510-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. J. van Groningen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat de tenlastelegging in hoger beroep is gewijzigd. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep, tenlastegelegd dat:

verdachte in of omstreeks de periode van 6 januari 2015 tot en met 31 augustus 2015, althans in of omstreeks de periode van januari 2015 tot en met augustus 2015, althans in 2015, in de gemeente Coevorden, al dan niet opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met een of meer voorschrift(en) van de door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Coevorden op 10 januari 2013 verleende (gewijzigde) omgevingsvergunning, welk(e) voorschrift(en) betrekking had(den) op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten het oprichten, veranderen of veranderen van de werking en/of het in werking hebben van een inrichting, gevestigd aan het [adres] , immers werd toen aldaar in strijd met voorschrift I2 van de hiervoor genoemde (gewijzigde) omgevingsvergunning binnen de inrichting niet uitsluitend eigen geproduceerde mest verwerkt.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Ter zitting van het hof heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman, kort gezegd, aangevoerd dat mest moet worden aangemerkt als afvalstof is en dat uit de voorschriften I1 en I4 van de vergunning volgt dat er 15.000 ton aan afvalstoffen per jaar mogen worden verwerkt. Deze hoeveelheid is niet overschreden.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de mest is gebruikt voor het opstarten van de vergister.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt dat het zich verenigt met het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het bewijs en de daarvoor gegeven motivering. Het hof zal daarom hieronder, voor zover relevant, de overwegingen van de rechtbank overnemen en waar nodig aanvullen.

“De rechtbank wijst allereerst naar het besluit van 10 januari 2013 van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Coevorden tot wijziging van de aan de vergunning gestelde voorwaarden. Dit besluit is genomen naar aanleiding van nieuwe inzichten op het gebied van co-vergisting, en dan met name wat betreft de risico’s die de co-vergisting van mest voor de leefomgeving met zich meebrengen. Het actualiseren van de voorschriften is destijds op basis van de Wabo, en overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht, in procedure gebracht. Tegen de ontwerpbeschikking zijn in dat kader zienswijzen naar voren gebracht die door de gemeente in behandeling zijn genomen en waarop door de gemeente een reactie is gegeven. De volgende passage in het besluit acht de rechtbank relevant.

(..)

Het gaat hier om een vergistingsinstallatie die conform de vigerende vergunning alleen mest van eigen bedrijf mag vergisten. Er is voor zover appellant(en) bekend sinds het verlenen van de oprichtingsvergunning nooit vergunning aangevraagd om uitsluitend of voornamelijk mest en andere materialen afkomstig van elders te vergisten. Wel is middels een melding de vergunning zodanig aangepast dat het in de aanvraag genoemde koeienbestand van 100 koeien niet meer is vergund. Er blijft dus alleen een vergistingsinstallatie over die voornamelijk dierlijk afval (mest) afkomstig van elders verwerkt. Appellanten merken op dat dit strijdig is met de gebruiksbepaling van het bestemmingsplan.

Het bedrijf heeft minder vee dan op basis van de vergunning mogelijk is. In de omgevingsvergunning is geen ondergrens opgenomen voor het houden van vee. In het kader van de Wet milieubeheer is dit ook niet noodzakelijk. Minder vee leidt niet tot meer hinder op de omgeving. De vigerende vergunning voorziet niet in de mogelijkheid mest van buiten de inrichting aan te voeren. Indien men andere activiteiten wil ondernemen op het bedrijf dan nu vergund. zal opnieuw moeten worden getoetst aan het geldende bestemmingsplan ten einde de gevraagde activiteiten te kunnen verlenen.

(..)

Op grond van vorenbedoelde reactie van de gemeente stelt de rechtbank vast dat het de gemeente bij de wijziging van de vergunning voor ogen heeft gestaan, gezien het (destijds) geldende bestemmingsplan, te verbieden dat mest van buiten de inrichting zou worden aangevoerd.

Verder wordt verwezen naar de verklaring van [naam 1] , teamleider handhaving

gemeente Coevorden. Hij heeft verklaard dat in het voorjaar van 2014 de gemeente door [naam 2] en [naam 3] werd benaderd met de vraag om medewerking voor hun bedrijfsplan, waarbij met name aan de orde kwam dat er op dat moment niet sprake was van één inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer. [naam 1] verklaart in dat kader dat uit het Bestemmingsplan bleek dat op het betreffende perceel een boerderij met co-vergister is toegestaan, namelijk een categorie B-vergister, hetgeen betekent:

Cat. B: het bedrijf verwerkt eigen geproduceerde mest en voegt eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toe. Het digestaat wordt op de tot het bedrijf behorende grond gebruikt, of naar derden afgevoerd.

Dit betekent, aldus [naam 1] , dat de gemeente in het kader van de ruimtelijke afwegingen, alleen toestaat dat op de boerderij eigen mest wordt vergist.

Deze verklaring wordt ondersteund door [naam 4] , toezichthouder bij RUD, die op dit punt een zelfde verklaring heeft afgelegd.

[naam 1] verklaart verder dat er uiteindelijk op 11 november 2014 een bedrijfsplan gereed was waaruit bleek dat sprake was van één inrichting op het perceel [adres] . [naam 3] heeft daarover een brief, inhoudende “bedrijfsplan”. naar de heer [naam 1] gestuurd waarin staat vermeld:

In deze notitie lichten wij onze werkzaamheden toe over hoe wij de biovergister in

combinatie met de rundveehouderij aan het [adres] te Coevorden willen gaan exploiteren.

(..)

De rundveehouderij en de vergister zijn 1 milieu inrichting. [verdachte] BV heeft de zeggenschap over de naleving van de geldende milieuvergunningen voor de melkrundveehouderij en de co-vergistingsinstallatie.

(..)

Wij respecteren de massabalans die in de vergunningen vermeld staat. Wij zullen binnen deze aantallen van de omgevingsvergunning en het nieuwe ontwerp bestemmingsplan buitengebied blijven. Dit betekent dat wij op jaarbasis 3000 ton mest en 5000 ton maïs van het eigen bedrijf aan het [adres] gaan verwerken. De mest (ca 3000 ton) zal en kan nu al met een pomp verpompt worden naar de vergister. Daarnaast wordt 8000 ton maïs of andere producten van de positieve lijst aangevoerd. De vergister is en blijft een boerderij vergister, categorie B . Het digestaat wordt verwerkt op het eigen bedrijf of wordt elders afgevoerd.

Gelet op het voorgaande is het duidelijk dat de gemeente met de voorschriften onder I1 t/m I4 heeft beoogd uitsluitend het verwerken van eigen geproduceerde mest tot een maximum van 3000 ton per jaar toe te staan en het aanvoeren van mest van buitenaf te verbieden. Op de locatie was volgens het bestemmingsplan immers slechts een categorie B-vergister toegestaan en daarmee is niet verenigbaar dat mest van buitenaf werd aangevoerd. [naam 3] heeft ter zitting zelf ook verklaard dat het hem van het begin af aan bekend was dat de aanvoer van mest van buitenaf verboden was, hetgeen ook uit de hiervoor aangehaalde passage uit het bedrijfsplan blijkt. De lezing die de raadsman op dit punt voorstaat maakt dat voorschrift I2 incongruent wordt met voorschrift I4. Het voorschrift onder I2 dat de aanvoer van mest van buitenaf verbiedt wordt immers zonder betekenis indien voorschrift I4 de aanvoer van mest, als zijnde een afvalstof, wel zou toestaan.”

Het hof overweegt hierbij dat uit het voorgaande volgt dat de gemeente heeft beoogd te verbieden dat mest van buitenaf wordt aangevoerd. In de vergunning is dit in voorschrift I2 opgenomen. Uit de voorschriften I1 en I4 volgt daarnaast dat, naast de dierlijke mest, maximaal 16.000 ton aan organische materialen of co-producten wordt verwerkt, waarvan maximaal 15.000 ton aan afvalstoffen. In samenhang bezien betekent dit dat er maximaal 15.000 ton aan afvalstoffen wordt aangevoerd, maar dat er geen mest mag worden aangevoerd. Voorschrift I2 schrijft immers voor dat er uitsluitend eigen geproduceerde mest mag worden verwerkt. Met andere woorden: ook als mest een afvalstof zou zijn, volgt uit voorschrift I2 dat die specifieke afvalstof niet van buitenaf aangevoerd mag worden.

“De rechtbank zal nu ingaan op het verweer - kort samengevat - dat aanvoer van de mest van buitenaf vanwege de opstart van de co-vergister noodzakelijk was.

[…]

[naam 3] heeft echter verklaard dat er bacteriële problemen waren met de co-vergister en dat derhalve mest van buiten moest worden aangevoerd om deze problemen te verhelpen. Volgens [naam 3] moest derhalve voor de opstartfase een periode van zes maanden worden gerekend. De bacteriële problemen zouden blijkens de verklaring van [naam 3] ter zitting tot en met mei 2015 hebben geduurd; daarna zou de co-vergister normaal hebben gedraaid. [naam 3] heeft de problemen in de opstartfase in 2014 ook aangekaart bij de gemeente Coevorden, hetgeen ook wordt bevestigd door [naam 4] . [naam 4] heeft verklaard at de gemeente in oktober 2014 heeft gedoogd dat de co-vergister met (warm) entmateriaal gevuld moest worden om de vergister op te starten. Volgens [naam 4] is de gemeente uitgegaan van een opstarttermijn tot 1 januari 2015 en moest vanaf dat moment de vergister

volgens de vergunning werken.

De verklaring van [naam 4] wordt op dit punt ondersteund door de verklaring van de heer [naam 5] , jurist bij RUD. [naam 5] heeft telefonisch verklaard dat er wel degelijk afspraken over de opstartfase zijn gemaakt. In oktober of november 2014 is er een gesprek geweest tussen wethouder Huizing, dhr. [naam 1] van de gemeente Coevorden en dhr. [naam 5] zelf, met dhr. [naam 3] . Er was namelijk geconstateerd dat er 36 vrachten digestaat waren aangevoerd, wat strijdig was met de vergunning. [naam 3] heeft toen opgevoerd dat hij dit digestaat als warm entmateriaal nodig had om het vergistingsproces op te starten. Omdat er in de vergunning niets was geregeld over het opstarten, is besloten deze geconstateerde aanvoer van digestaat in 2014 te gedogen. Er is toen volgens [naam 5] zelfs nadrukkelijk niet gesproken over de aanvoer van mest van buiten de inrichting: voor het opstarten was immers warm digestaat nodig. Pas na 1januari 2015 is er volgens [naam 5] mest van buiten de inrichting aangevoerd, wat in augustus 2015 werd geconstateerd. Volgens [naam 5] kan er dan ook geen misverstand over bestaan; de aanvoer van digestaat in 2014 is (achteraf) toegestaan/gedoogd en de aanvoer van mest in 2015 is niet toegestaan/gedoogd. Van bedoeld gesprek met de wethouder, welke heeft plaatsgevonden op 17 november 2014. is een brief van de gemeente Coevorden aan [verdachte] BV, t.a.v. dhr. [naam 3] verzonden op 20 november 2014.

De volgende passage uit de brief is van belang:

(..)

Vergunning

Refererend aan de aan u toegezonden brief met de conclusie dat u voldoende heeft aangetoond dat sprake is va één inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, kunt u de inrichting in gebruik nemen conform de verleende omgevingsvergunning. Wij wijzen u er op, dat ti dient te voldoen aan de milieueisen, zoals deze o.a. gesteld zijn in de omgevingsvergunning. Voorts is het van belang dat u voldoet aan de bepalingen van het bestemmingsplan. Het voldoen aan de voorschriften van de omgevingsvergunning is een verplichting, die u dient na te komen. Uit toezicht rapportages van de RUD (Regionale Uitvoeringdienst Drenthe) blijkt, dat u de zaken nog niet helemaal op orde heeft. Voor het opstarten van de co-vergistingsinstallatie achten wij het noodzakelijk, dat u voldoet aan het bepaalde in voorschrift L2 ‘Procedures en instructies’. Dit is van belang, omdat u de

vergistingsinstallatie heeft opgestart. Wij zijn met name geïnteresseerd hoe daarin o.a. de aanvoer van de hoeveelheid digestaat van elders past. Wij verwachten van u, dat u deze gegevens binnen één week na verzending van deze brief aan ons overlegt.

(..)

In het bedoelde voorschrift L2 ‘Procedures en Instructies’ staat - onder meer – opgenomen dat voor het bedrijven van een vergistingsinstallatie procedures moeten zijn opgesteld waarin (onder meer) moest zijn opgenomen:

a. De procesvoorbereidende handelingen, het opstarten, het volgen en stoppen van het

proces;

(..)

Na de brief van 20 november 2014. heeft de RUD Drenthe van de eerder genoemde

[naam 2] en [naam 6] , beiden werkzaam bij de verdachte B.V., op 4 december 2014 het document ‘Procedures en instructies’ ontvangen. In de procedure, die in november 2014 is opgesteld, staat opgenomen:

(..)

Onderdeel L vergunning

(..)

“A) Opstart

Bij de opstart dienen 2 vergisters volledig gevuld te worden met actief entmateriaal van een andere vergister (totaal 5.000 m3). Dit warme entmateriaal dient zo snel mogelijk toegediend te worden in ca 2 tot 4 weken”

De rechtbank overweegt dat gelet op laatstgenoemde brief en het document ‘procedures en instructies’, anders dan de verdediging heeft betoogd, de opstartfase is geregeld zoals voorschrift ‘L2’ van de vergunning voorschrijft. De rechtbank leest het door de verdachte B.V. opgestelde procedurevoorschrift aldus, dat de vergisters in een tijdsbestek van maximaal 4 weken met actief entmateriaal moeten worden gevuld en dat na die termijn de opstartfase is voltooid. De rechtbank constateert dat er in het document ‘procedures en instructies’ verder niets is vermeld over het gebruik van aangevoerde mest gedurende een langere opstartfase van de co-vergister dan deze 2 tot 4 weken. [naam 3] heeft ook erkend dat hij met de gemeente had moeten communiceren dat met de opstart zeker zes maanden gemoeid zou zijn.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de gemeente de mestaanvoer van buitenaf in 2014 heeft gedoogd en dat de verdachte B.V. vanaf begin 2015 gehouden was volgens de vergunning te handelen.

Resumerend is de rechtbank van oordeel dat [naam 3] , en daarmee de verdachte B.V., te lichtvaardig heeft gedacht dat van een langere opstartfase mocht worden uitgegaan dan de periode van 2 tot 4 weken die de gemeente in 2014 heeft gedoogd. Dit te meer nu daarover niet door de verdachte B.V. naar de gemeente toe is gecommuniceerd en de gemeente aldus daar ook geen toestemming voor heeft gegeven. Nu de verdachte B.V. wist dat volgens de vergunning geen mest van buiten de inrichting mocht worden aangevoerd, heeft de verdachte B.V. door dit, in de gestelde opstartfase, wel te doen, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat daarmee in strijd niet het voorschrift van I2 zou worden gehandeld. Gezien de verklaring van [naam 3] ter zitting ziet het voorwaardelijk opzet op de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2015, nu [naam 3] immers heeft verklaard dat de opstartfase tot en met mei 2015 heeft geduurd en dat de co-vergister daarna goed draaide. Aangezien de verdachte B.V.. na de gestelde opstartfase, in de maanden juni tot en met augustus 2015, echter is doorgegaan met de aanvoer van mest van buiten de inrichting, moet worden geconstateerd dat de verdachte B.V. wat betreft deze drie maanden willens en wetens in strijd met het genoemde voorschrift heeft gehandeld.”

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

verdachte in of omstreeks de periode van 6 januari 2015 tot en met 31 augustus 2015, althans in of omstreeks de periode van januari 2015 tot en met augustus 2015, althans in 2015, in de gemeente Coevorden, al dan niet opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met een of meer voorschrift(en) van de door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Coevorden op 10 januari 2013 verleende (gewijzigde) omgevingsvergunning, welk(e) voorschrift(en) betrekking had(den) op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten het oprichten, veranderen of veranderen van de werking en/of het in werking hebben van een inrichting, gevestigd aan het [adres] , immers werd toen aldaar in strijd met voorschrift I2 van de hiervoor genoemde (gewijzigde) omgevingsvergunning binnen de inrichting niet uitsluitend eigen geproduceerde mest verwerkt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsman heeft aangevoerd dat voorschrift I2 van de vergunning onverbindend is, aangezien milieurelevantie ontbreekt, terwijl het een op de Wet milieubeheer gebaseerd besluit is.

Het hof overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder meer het Mobil Oil-arrest, HR 11 januari 1994, M en R 1994, 85, NJB 1994, nr. 42, p. 109) volgt dat bij het openstaan van een bestuursrechtelijke rechtsgang, bezwaren tegen een besluit met gebruikmaking van die rechtsgang naar voren kunnen en moeten worden gebracht. In beginsel dient daarom van de rechtmatigheid van de vergunning te worden uitgegaan, nu deze kennelijk niet is bestreden in de daartoe openstaande rechtsgang. Onder bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan hierop een uitzondering te maken. Verdachte heeft echter geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die aanleiding zouden kunnen geven op deze stelregel een uitzondering aan te nemen. Het hof zal het verweer daarom verwerpen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 40.000,- waarvan € 20.000,- voorwaardelijk.

De verdediging heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de financiële problemen van verdachte.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op het maatschappelijk functioneren van verdachte en haar draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof overweegt dat verdachte gedurende een periode van 8 maanden, in strijd met de omgevingsvergunning, grote hoeveelheden mest van buitenaf heeft aangevoerd. Dit vergunningsvoorschrift diende onder andere ter bescherming van de leefomgeving. Door (gedurende een periode willens en wetens) in strijd met de vergunning te handelen heeft de verdachte deze belangen veronachtzaamd.

Ter zitting van het hof heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte (nog steeds) in financieel zwaar weer verkeert. Het hof overweegt dat de rechtbank bij de strafoplegging rekening heeft gehouden met de financiële gevolgen van het feit voor verdachte. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat verdachte aanzienlijke reputatieschade heeft opgelopen, waardoor gedane investeringen teniet zijn gedaan. Daarnaast heeft verdachte mede voor het overtreden van de vergunningsvoorschriften een dwangsom van € 25.000,- voldaan. [naam 3] heeft ter zitting in eerste aanleg aangevoerd dat de jaarrekeningen van verdachte negatief zijn en dat een hoge geldboete het einde van de B.V. zal betekenen. Mede gelet op deze omstandigheden acht het hof de door de rechtbank opgelegde geldboete passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 20.000,- (twintigduizend euro).

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 12.500,- (twaalfduizend vijfhonderd euro), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. W.M. Weerkamp, voorzitter,

mr. J.A.W. Lensing en mr. L.E.M. Hendriks, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. T. Faber, griffier,

en op 26 september 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. L.E.M. Hendriks is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 26 september 2018.

Tegenwoordig:

mr. M. Barels, voorzitter,

mr. C.M.J. Krol, advocaat-generaal,

mr. F.J. Kaat, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.