Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8800

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-09-2018
Datum publicatie
08-10-2018
Zaaknummer
21-001127-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:5783, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak verkrachting en ontucht met een onmachtige.

Veroordeling wegens ‘ werkzaam in de maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd’ als bedoeld in artikel 249, tweede lid aanhef en onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001127-18

Uitspraak d.d.: 28 september 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen -na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 5 december 2017- op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 13 november 2014 met parketnummer 16-655090-13 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1955] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is -na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad- gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. W.J. Ausma, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep- tenlastegelegd dat:

A.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 januari 2011 tot en met 18 januari 2012, te Utrecht en/of Lopik,

door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid [benadeelde] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

hebbende hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, telkens opzettelijk

- zijn lichaam tegen het lichaam van die [benadeelde] aangeduwd/aangedrukt en/of

- (over de kleding) de schaamstreek van die [benadeelde] aangeraakt en/of gestreeld en/of

- die [benadeelde] in zijn bijzijn haar eigen vagina laten betasten en/of strelen en/of

- een of meerdere vinger(s) en/of een of meerdere vibrator(s) en/of zijn penis in de vagina en/of de anus van die [benadeelde] gebracht en/of geduwd en/of bewogen en/of

- de vagina van die [benadeelde] gelikt

bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkheid (telkens) hierin dat verdachte, (telkens) opzettelijk

- (onverhoeds) zijn vinger(s) en/of penis in de vagina en/of anus van die [benadeelde] heeft gebracht en/of geduwd en/of bewogen en/of

- de handen van die [benadeelde] met een sjaal of een daarop gelijkend voorwerp op haar rug heeft vastgebonden en/of

- die [benadeelde] heeft gebracht in een staat van bewusteloosheid of onmacht, te weten een herbeleving of herbelevingen van een eerder traumatische gebeurtenis of gebeurtenissen en/of

- misbruik heeft gemaakt van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, te weten

o verdachtes wetenschap dat die [benadeelde] (seksueel) getraumatiseerd was en/of

o de invloed van verdachte op de beantwoording van de vraag naar de arbeidsgeschiktheid van die [benadeelde] en/of

o de beïnvloedbaarheid en/of de geestesgesteldheid van die [benadeelde] en/of

o met die [benadeelde] gehouden gesprekken waarin verdachte gezegd had dat zijn handelingen onderdeel waren van de therapie die hij gaf waardoor die [benadeelde] zich beter zou gaan voelen en/of dat zij weer zou kunnen gaan werken en/of dat het een gunst was dat die [benadeelde] een opleiding kon volgen en/of dat die [benadeelde] niets over hun gesprekken en/of therapie en/of handelingen tegen anderen mocht zeggen

en/of

B.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 januari 2011 tot en met 18 januari 2012, te Utrecht en/of Lopik,

met [benadeelde] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed (te weten een herbeleving of herbelevingen van een eerdere traumatische gebeurtenis of gebeurtenissen) dat die [benadeelde] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die (mede) hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

hebbende hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, telkens opzettelijk

- zijn lichaam tegen het lichaam van die [benadeelde] aangeduwd/aangedrukt en/of

- (over de kleding) de schaamstreek van die [benadeelde] aangeraakt en/of gestreeld en/of

- die [benadeelde] , in zijn bijzijn, haar eigen vagina laten betasten en/of strelen en/of

- een of meerdere vinger(s) en/of een of meerdere vibrator(s) en/of zijn penis in de vagina en/of de anus van die [benadeelde] gebracht en/of geduwd en/of bewogen en/of

- de vagina van die [benadeelde] gelikt;

en/of

C.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 januari 2011 tot en met 18 januari 2012, te Utrecht en/of Lopik,

terwijl hij werkzaam was als ambtenaar en/of in de maatschappelijke zorg, te weten als arbeidsdeskundige bij het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

ontucht heeft gepleegd met [benadeelde] ,

die aan zijn gezag onderworpen was en/of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd of aanbevolen

en/of

zich als cliënt aan zijn hulp of zorg had toevertrouwd,

hebbende hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, telkens opzettelijk

- zijn lichaam tegen het lichaam van die [benadeelde] aangeduwd/aangedrukt en/of

- (over de kleding) de schaamstreek van die [benadeelde] aangeraakt en/of gestreeld en/of

- die [benadeelde] , in zijn bijzijn, haar eigen vagina laten betasten en/of strelen en/of

- een of meerdere vinger(s) en/of een of meerdere vibrator(s) en/of zijn penis in de vagina en/of de anus van die [benadeelde] gebracht en/of geduwd en/of bewogen en/of

- de vagina van die [benadeelde] gelikt.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof stelt om te beginnen vast dat verdachte en aangeefster verklaringen hebben afgelegd die op veel punten overeenkomen, maar op sommige onderdelen tegenover elkaar staan.

De deskundigen dr. Rassin en dr. Israëls, die hebben gerapporteerd omtrent de gestelde herbelevingen van aangeefster, hebben geconcludeerd dat de verklaringen van aangeefster omtrent het aan verdachte ten laste gelegde niet volledig betrouwbaar kunnen worden geacht. Zij wijzen onder andere op de suboptimale waarnemingsomstandigheden. Aangeefster was immers naar eigen zeggen tijdens de betastingen door verdachte een trauma aan het herbeleven. Tussen de tenlastegelegde handelingen en de verhoren bij de politie is verder geruime tijd verstreken. In die periode heeft aangeefster bovendien therapeutische gesprekken gevoerd over wat haar is overkomen. Deze gesprekken waren niet gericht op waarheidsvinding, maar op het welbevinden van aangeefster. Daardoor zijn herinneringen overschreven. Op grond van dossierinformatie stellen de deskundigen dat in die gesprekken de seksuele handelingen allicht consequent negatief zijn geëvalueerd.

Waar de lezingen van verdachte en aangeefster uiteenlopen, bevat het dossier vrijwel geen steunbewijs voor hetgeen aangeefster heeft verklaard.


Voornoemde omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - maken niet dat het hof vaststelt dat aangeefster niet de waarheid spreekt. Wel moet het hof door de wijze waarop de verklaringen van aangeefster tot stand zijn gekomen en de omstandigheid dat er weinig tot geen ondersteunend bewijs is, uiterst behoedzaam zijn met het gebruik van deze verklaringen voor het bewijs.

Omdat het hof de verklaringen van aangeefster niet geheel buiten beschouwing laat, is voldaan aan de voorwaarde waaronder de verdediging heeft verzocht om nader onderzoek. De verdediging heeft gevraagd een deskundige te benoemen die nader onderzoek doet naar de psychiatrische gesteldheid van aangeefster en/of naar de betrouwbaarheid van haar verklaringen in het licht van haar psychiatrische verleden.

Het hof acht zich echter voldoende voorgelicht door de genoemde rapporten van Rassin en Israëls. Bovendien betracht het hof al terughoudendheid met het gebruik van de verklaringen van aangeefster, behalve daar waar die verklaringen, met name door verdachte zelf, worden ondersteund. De noodzakelijkheid van het gevraagde onderzoek is daarom niet gebleken, zodat het verzoek wordt afgewezen.

Met het voorgaande als uitgangspunt wordt voorts ten aanzien van het onder A, B en C tenlastegelegde het volgende overwogen.

Ten aanzien van het onder A tenlastegelegde

De tenlastelegging van dit onderdeel is blijkens de tekst toegesneden op artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht. Voor een bewezenverklaring van het in artikel 242 Wetboek van Strafrecht neergelegde strafbare feit (verkrachting) dient sprake te zijn van dwang.

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat er gelet op de omstandigheden weliswaar sprake was van een zekere afhankelijkheidsrelatie tussen verdachte en aangeefster, maar dat het enkele bestaan hiervan onvoldoende is om aan te nemen dat er sprake was van dwang in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht. Vast zou dan moeten komen te staan dat aangeefster binnen die afhankelijkheidsrelatie door bepaalde gedragingen van verdachte, waardoor een bedreigende sfeer is ontstaan, is gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan.

Het hof stelt vast dat, voor zover aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar heeft gedwongen om bepaalde seksuele handelingen te ondergaan, deze verklaring niet door enig ander objectief bewijsmateriaal wordt ondersteund. Het hof oordeelt, ook al vanwege de uiterste behoedzaamheid waarmee met de verklaringen van aangeefster moet worden omgegaan, dat onvoldoende bewijs voorhanden is dat sprake is geweest van dwang.

Dit is ook het geval voor zover het openbaar ministerie heeft gesteld dat verdachte aangeefster in een staat van bewusteloosheid of onmacht heeft gebracht. Daar komt bij dat, zoals hierna zal worden overwogen, onvoldoende is komen vast te staan dat van een dergelijke staat sprake is geweest.

Ten aanzien van het tenlastegelegde ‘brengen van zijn vinger in de anus van aangeefster’, welke handeling verdachte heeft bekend, overweegt het hof dat deze handeling is verricht terwijl sprake was van een situatie waarin, zonder dwang, intieme handelingen werden verricht, gebaseerd op een mechanisme inhoudende dat wanneer aangeefster aangaf dat zij op een bepaalde plek pijn had verdachte zijn hand op die plek legde. Het in een dergelijke situatie brengen van zijn vinger in de anus van aangeefster kan naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als onverhoeds in de zin van geweld en/of een andere feitelijkheid als bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet op het vorenstaande acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan onderdeel A van de tenlastelegging schuldig heeft gemaakt, zodat het hof verdachte hiervan zal vrijspreken.

Ten aanzien van het onder B tenlastegelegde

De tenlastelegging van dit onderdeel is blijkens de tekst toegesneden op artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht. Voor een bewezenverklaring van het in artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht neergelegde strafbare feit (ontucht met een onmachtige) dient sprake te zijn van het plegen van handelingen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van iemand, van wie de dader weet dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeert, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens lijdt dat deze niet of onvolkomen in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden. Aangeefster heeft verklaard dat de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tijdens de herbelevingen van trauma’s.

Zoals beschreven, hebben tijdens de procedure de deskundigen dr. Rassin en dr. Israëls gerapporteerd omtrent de herbelevingen van aangeefster. Rassin schrijft in zijn rapportage dat volgens de huidige psychiatrische inzichten herbelevingen bestaan die de patiënt beletten om adequaat te reageren. Rassin merkt op dat dit echter niet betekent dat herbelevingen gelden als wetenschappelijk goed onderbouwde fenomenen. Dissociatieve problemen zijn een bron van wetenschappelijke discussie.

Deskundige dr. Israëls heeft zich bij de bevindingen van dr. Rassin aangesloten en daarbij opgemerkt dat de vraag wat er met aangeefster aan de hand was tijdens de vermeende herbelevingen niet goed beantwoord kan worden zonder meer te weten over haar psychiatrisch ziektebeeld als geheel.

Het hof oordeelt dat op grond van de hierboven beschreven rapportages van de deskundigen Rassin en Israëls niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de door aangeefster genoemde herbelevingen vallen onder één van de situaties als beschreven in het onder B tenlastegelegde, te weten het verkeren in een staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijk onmacht, dan wel het lijden aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens dat zij niet of onvolkomen in staat is haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden.

Het hof acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan dit onderdeel van de tenlastelegging schuldig heeft gemaakt, zodat het hof verdachte hiervan zal vrijspreken.

Ten aanzien van het onder C tenlastegelegde

De tenlastelegging van dit onderdeel is blijkens de tekst toegesneden op artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Verdachte is tenlastegelegd dat hij, terwijl hij werkzaam was als ambtenaar en/of

in de maatschappelijke zorg, te weten als arbeidsdeskundige bij het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), ontucht heeft gepleegd met aangeefster,

die aan zijn gezag onderworpen was en/of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd of aanbevolen en/of zich als cliënt aan zijn hulp of zorg had toevertrouwd.

Zowel de verdediging als de advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onderdeel ‘als ambtenaar, te weten als arbeidsdeskundige bij het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) (…) aan zijn gezag onderworpen was en/of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd’, nu uit aanvullende informatie van het UWV is gebleken dat verdachte ten tijde van de tenlastegelegde periode formeel niet meer de arbeidsdeskundige van aangeefster was en geen enkele rol meer speelde bij haar verdere re-integratietraject. Het hof komt tot dezelfde conclusie en zal daarom, evenals de rechtbank, verdachte vrijspreken van dit onderdeel van te tenlastelegging.

In hoger beroep ligt echter, na wijziging van de tenlastelegging, ook voor het verwijt ex artikel 249, tweede lid aanhef en onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende het plegen van ontucht terwijl verdachte werkzaam was in de maatschappelijke zorg met aangeefster die zich als cliënt aan zijn hulp of zorg had toevertrouwd.


Verdachte heeft erkend seksuele handelingen bij aangeefster te hebben verricht.


Wat betreft de hulpverleningsrelatie is het de vraag of de relatie tussen verdachte en aangeefster valt onder het begrip ‘maatschappelijke zorg’ als bedoeld in artikel 249, tweede lid aanhef en onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht. In dat verband wordt overwogen dat door de Hoge Raad is bepaald dat sub 3° van dit artikel niet alleen toepassing kan vinden indien sprake is van een formele behandelrelatie, maar ook indien in feitelijke zin sprake is van een relatie als bedoeld in deze wetsbepaling (HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2630, NJ 2011/143).

Verdachte was als arbeidsdeskundige werkzaam bij het UWV, waarbij hij geruime tijd verantwoordelijk was voor de re-integratie van cliënten met een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Verdachte heeft de hulpvraag van aangeefster in die (professionele) hoedanigheid beantwoord, onder meer door voor haar een re-integratievisie op te stellen en te adviseren over scholing van aangeefster. In die periode hadden verdachte en aangeefster regelmatig contact. De gevraagde en verleende hulp was er op gericht om het maatschappelijk functioneren van aangeefster te verbeteren. In dat kader heeft zij zich aan verdachte toevertrouwd.

De vraag die vervolgens speelt, is of seksuele contacten ook na beëindiging van deze formele relatie onder het bereik van artikel 249, tweede lid onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht vallen.

Verdachte is, nadat de formele hulpverlenersrelatie eindigde, contact blijven houden met aangeefster. Hij bleef in die periode arbeidsdeskundige bij het UWV. Zij viel toen niet meer onder het gezag van verdachte, maar nog wel onder het gezag van het UWV. Aangeefster heeft in die periode aan verdachte gevraagd of zij desnoods nog een beroep op hem kon doen.

De eerste fysieke contacten tussen verdachte en aangeefster, met als doel traumatische herbelevingen te verminderen, begonnen in ieder geval vlak na het beëindigen van de formele relatie en wel op het kantoor van het UWV. Later heeft verdachte met hetzelfde doel seksuele handelingen verricht bij aangeefster thuis. Verdachte heeft verklaard dat het doel van deze handelingen niet anders was dan de therapie die aangeefster volgde, met dien verstande dat met de hulp van verdachte grotere stappen vooruit konden worden gezet dan met de hulp van de therapeut. Verdachte heeft verklaard dat dit alles gebeurde op verzoek van aangeefster.

Naar eigen zeggen van verdachte waren deze contacten er (nog steeds) op gericht om aangeefster weer te laten integreren in de maatschappij en deel te laten nemen aan het werkproces, waarbij scholing een grote rol speelde. Zo heeft verdachte aangegeven dat hij aangeefster met de fysieke handelingen die hij bij haar verrichtte, wilde helpen om zonder angst in een collegezaal te kunnen zitten en mensen, waaronder medestudenten, thuis te kunnen ontvangen.

Aangeefster heeft verdachte in die periode duidelijk gemaakt hem volledig te vertrouwen.

Naar het oordeel van het hof kan op grond hiervan worden bewezen dat tussen verdachte en aangeefster een feitelijke hulpverleningsrelatie bestond waarbij verdachte werkzaam was in de maatschappelijk zorg en aangeefster zich als cliënt aan zijn hulp of zorg had toevertrouwd. In de genoemde omstandigheden doet daar niet aan af dat de soort hulp die verdachte verleende geen deel uitmaakte van zijn takenpakket als arbeidsdeskundige van het UWV. Evenmin is relevant of het aangeefster bekend was dat verdachte niet meer haar arbeidsdeskundige was.

Naar het oordeel van het hof is, gelet op de verklaringen van verdachte, hier niet het geval aan de orde dat de feitelijke hulpverleningsrelatie bij de seksuele handelingen geen rol speelde, in de zin dat bij de patiënt of cliënt sprake is van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid, zoals die in de regel bij een dergelijke functionele relatie in meerdere of mindere mate bestaat, niet van invloed is geweest. De door de verdediging genoemde aanwijzingen dat aangeefster en verdachte op vriendschappelijke wijze met elkaar omgingen, zijn onvoldoende om dit desalniettemin aan te nemen.

Daar komt bij dat aangeefster heeft verklaard zich in de tenlastegelegde periode afhankelijk te hebben gevoeld van verdachte. Verdachte zelf heeft ook verklaard over de omstandigheid dat aangeefster steeds meer afhankelijk van hem werd, dat hij verantwoordelijk werd voor haar leven en dat zij buiten hem heel weinig contacten had.

Gelet op het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan onderdeel C van de tenlastelegging schuldig heeft gemaakt.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder C tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

C.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 januari 2011 tot en met 18 januari 2012, te Utrecht en/of Lopik,

terwijl hij werkzaam was als ambtenaar en/of in de maatschappelijke zorg, te weten als arbeidsdeskundige bij het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

ontucht heeft gepleegd met [benadeelde] ,

die aan zijn gezag onderworpen was en/of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd of aanbevolen

en/of

zich als cliënt aan zijn hulp of zorg had toevertrouwd,

hebbende hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, telkens opzettelijk

- zijn lichaam tegen het lichaam van die [benadeelde] aangeduwd/aangedrukt en/of

- (over de kleding) de schaamstreek van die [benadeelde] aangeraakt en/of gestreeld en/of

- die [benadeelde] , in zijn bijzijn, haar eigen vagina laten betasten en/of strelen en/of

- een of meerdere vinger(s) en/of een of meerdere vibrator(s) en/of zijn penis in de vagina en/of de anus van die [benadeelde] gebracht en/of geduwd en/of bewogen en/of

- de vagina van die [benadeelde] gelikt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Werkzaam in de maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft in eerste aanleg gevorderd dat verdachte voor het onder A, B en C tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden reclasseringscontact en behandeling door De Waag.

De rechtbank heeft verdachte voor het onder B tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd voor het onder A, B en C tenlastegelegde verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Het hof veroordeelt verdachte slechts voor het onder C tenlastegelegde,

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf en een taakstraf van de hierna aan te geven duur leiden- de navolgende omstandigheden.

Verdachte is zich vanuit zijn functie als arbeidsdeskundige gaan gedragen als traumabehandelaar, terwijl hij hiervoor geen deskundigheid heeft, waarbij hij seksuele handelingen bij aangeefster heeft verricht gedurende een periode van ruim een jaar. Hij heeft hiermee zijn professionele normen overschreden. Daarnaast heeft hij het vertrouwen dat aangeefster in hem mocht stellen beschaamd. Bovendien heeft hij het grote gevaar in het leven geroepen een al zeer kwetsbare vrouw, nog verder te schaden. Uit de ter zitting afgelegde slachtofferverklaring is duidelijk geworden hoe zwaar aangeefster het op dit moment heeft.

Tegenover het hiervoor genoemde ernstige en verwerpelijke handelen van verdachte staan echter ook een aantal strafverminderende factoren. Het is niet duidelijk geworden wat verdachte heeft bewogen. Gelet op hetgeen bij de bewezenverklaring is overwogen, geeft het hof verdachte echter het voordeel van de twijfel en gaat het ervan uit dat zijn handelen in ieder geval voor een deel is verricht met een hulpverleningsintentie. Verder waren de gedragingen van verdachte sterk context gebonden.

Daar komt bij dat het bewezenverklaarde handelen lange tijd geleden heeft plaatsgevonden en, blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 augustus 2018, verdachte niet eerder en ook niet na het feit, met politie en justitie in aanraking is geweest. Voorts is de mate waarin de huidige toestand van het slachtoffer door het handelen van verdachte is veroorzaakt, niet goed vast te stellen.

Op grond van artikel 22b, eerste lid onder a, van het Wetboek van Strafrecht is het onontkoombaar dat aan verdachte (onder meer) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd wordt. Het hof ziet in het onderhavige geval echter gelet op de hiervoor genoemde strafverminderende factoren redenen om deze onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot de duur die verdachte in voorarrest heeft gebracht. Daarnaast acht het hof, alles afwegende en in het bijzonder om de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen, oplegging van de maximale taakstraf voor de duur van 240 uur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 30.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In dat verband wordt overwogen dat - uitgaande van de omstandigheid dat de benadeelde partij ook voorafgaand aan het in de onderhavige zaak bewezenverklaarde bekend was met een traumatisch verleden en psychische problematiek - het hof zonder nader onderzoek niet in staat is te bepalen in welke mate het bewezenverklaarde de huidige toestand van de benadeelde partij heeft beïnvloed en welk (deel van de) gevorderde schade het gevolg is geweest van het bewezenverklaarde. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek tot nader onderzoek.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder A en B tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder C ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder C bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. M.E. van Wees, voorzitter,

mr. J.W. Rijkers en mr. W.M. Weerkamp, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.D. Mavus-ten Elshof, griffier,

en op 28 september 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J.W. Rijkers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 28 september 2018.

Tegenwoordig:

mr. A. van Waarden, voorzitter,

mr. J.W.M. Grimbergen, advocaat-generaal,

mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.