Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:879

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-01-2018
Datum publicatie
06-02-2018
Zaaknummer
200.219.279/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag. Geen grond voor benoeming van een andere voogd. Huidige voogd heeft voldoende oog voor de rol van de moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.219.279/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/151703 / FA RK 16-1608)

beschikking van 25 januari 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. drs. P. Rijnsburger te Leeuwarden,

en

de raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de vader] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de vader,

2. [de pleegmoeder] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de pleegmoeder / tante (vz),

3. de gecertificeerde instelling Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

gevestigd te Leeuwarden,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 26 april 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 10 juli 2017;

- het verweerschrift;

- een journaalbericht namens mr. drs. Rijnsburger van 17 juli 2017 met productie(s);

- een brief van de GI van 28 november 2017 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 13 december 2017 plaatsgevonden. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is mevrouw [C] verschenen. Verder is de vader verschenen. Namens de GI zijn verschenen mevrouw [D] en mevrouw mr. [E] . Ter zitting heeft mr. [E] mede het woord gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitnota.

3 De feiten

3.1

Uit de - inmiddels verbroken - relatie van de vader en de moeder is [in] 2008 [de minderjarige1] (verder te noemen: [de minderjarige1] ) geboren.

De moeder was tot 23 maart 2016 alleen belast met het gezag over [de minderjarige1] . Van 23 maart 2016 tot de bestreden beschikking waren de vader en de moeder gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige1] .

3.2

Bij beschikking van 11 november 2011 is [de minderjarige1] onder toezicht gesteld van de GI en is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] . De maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn nadien steeds verlengd.

3.3

[de minderjarige1] woont sinds 11 november 2011 bij de pleegmoeder. In oktober 2017 is de pleegmoeder met haar twee kinderen en [de minderjarige1] verhuisd van [A] naar [B] , waar zij bij haar partner is gaan wonen.

3.4

De vader heeft van januari 2012 tot januari 2014 in detentie gezeten. De moeder heeft van februari 2015 tot augustus 2015 in detentie gezeten.

3.5

De moeder is in 2014 getrouwd met de heer [F] (verder te noemen: [F] ). [F] is [in] 2015 overleden. [in] 2015 is de zoon van de moeder en [F] geboren: [de minderjarige2] . Ten aanzien van [de minderjarige2] is sprake geweest van een ondertoezichtstelling.

3.6

[de minderjarige1] heeft eens in de drie weken gedurende anderhalf uur op een neutrale locatie (het kantoor van de GI, tenzij anders is afgesproken) begeleide omgang met één van beide ouders.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de vader en de moeder over [de minderjarige1] beëindigd en de GI tot voogd over [de minderjarige1] benoemd.

4.2

De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 26 april 2017. Deze grieven zien op de beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige1] en de benoeming van de GI tot voogd. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen - zo leest het hof - voor zover daarbij het gezag van de moeder over [de minderjarige1] is beëindigd en de GI tot voogd is benoemd en opnieuw rechtdoende:

I primair: het inleidend verzoek van de raad - zo leest het hof - voor zover het betreft het gezag van de moeder over [de minderjarige1] , af te wijzen nu niet aan de vereisten voor inwilliging van dit verzoek is voldaan dan wel dit niet in het belang van [de minderjarige1] is;

II subsidiair: te bepalen dat indien het verzochte onder I niet voor inwilliging in aanmerking komt, de voogdij dient te worden overgedragen aan het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: LJ&R);

III kosten rechtens.

4.3

De raad voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking - zo leest het hof - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Beëindiging gezag

5.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2

Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

5.3

Het blijk geven van duurzame bereidheid van de ouder(s) om het kind in het pleeggezin waar het verblijft te laten opgroeien dient in de beoordeling te worden betrokken, maar staat - gelet op het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie - niet (zonder meer) in de weg aan beëindiging van het gezag.

5.4

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en - na eigen onderzoek - tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:266 BW. Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank het gezag van de moeder over [de minderjarige1] op goede gronden heeft beëindigd. Het hof voegt hieraan het volgende toe.

5.5

Het hof stelt vast dat de moeder ermee instemt dat [de minderjarige1] bij de pleegmoeder zal opgroeien. Voor de moeder is de grootste zorg dat zij wanneer zij niet meer belast is met het gezag over [de minderjarige1] , minder betrokken zal worden bij zijn leven en de beslissingen die over hem genomen moeten worden en dat zij minder omgang met [de minderjarige1] zal hebben. Het hof is van oordeel dat deze zorg - wat er verder hiervan ook zij - de hiervoor vermelde gronden van de beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige1] niet aantasten. Het hof merkt hierbij op dat - zoals de raad en de GI ter zitting eveneens hebben verklaard - het feit dat het gezag van de moeder over [de minderjarige1] is beëindigd, niet betekent dat zij minder belangrijk is voor [de minderjarige1] of dat zij geen rol meer in het leven van [de minderjarige1] speelt. Immers, de moeder zal ondanks de beëindiging van het gezag altijd de moeder van [de minderjarige1] blijven. Bovendien houdt zij het recht op informatie over de ontwikkeling van [de minderjarige1] en op contact met hem voor zover het belang van [de minderjarige1] zich hiertegen niet verzet. Het hof wijst erop dat de pleegzorgwerker en de pleegmoeder hierin ook een rol hebben: alle betrokkenen dienen ervoor te zorgen dat er sprake is van een constructieve samenwerking en dat de moeder een rol blijft houden in het leven van [de minderjarige1] . De GI heeft ter zitting bevestigd dat met betrekking tot de omgang kan worden geconcludeerd dat zowel de moeder als de pleegmoeder hierin een taak hebben te vervullen, zodat [de minderjarige1] een band kan en mag hebben met de in zijn leven belangrijke personen zonder dat hij hierin wordt belemmerd. Het hof gaat ervan uit dat het door de GI ter zitting aangekondigde gesprek hierover tussen alle betrokkenen (onder wie de pleegzorgwerker en de pleegmoeder) inmiddels heeft plaatsgevonden of op korte termijn zal plaatsvinden en dat alle betrokkenen zich zullen inspannen om de onderlinge verhoudingen en samenwerking in het belang van [de minderjarige1] zo goed mogelijk te houden.

5.6

Met betrekking tot de stelling van de moeder dat de ondertoezichtstelling van haar andere zoon, [de minderjarige2] , is beëindigd en zij dus wel in staat is om hem te verzorgen en op te voeden, is het hof van oordeel dat dit niet betekent dat zij ook belast kan blijven met het gezag over [de minderjarige1] . [de minderjarige1] heeft een andere voorgeschiedenis dan [de minderjarige2] en is bovendien inmiddels gehecht aan de pleegmoeder, bij wie hij nu al zes jaar woont. De aanvaardbare termijn waarbinnen [de minderjarige1] zekerheid dient te krijgen over zijn perspectief is voor hem verstreken en het is daarom in zijn belang dat de stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie wordt gewaarborgd door de beëindiging van het gezag van de moeder. Voor zover de moeder heeft aangevoerd dat de beëindiging van het gezag juist het tegenovergestelde van rust, stabiliteit, continuïteit en zekerheid tot gevolg heeft gehad, volgt het hof haar niet in dit standpunt. [de minderjarige1] heeft met de beëindiging van het gezag duidelijkheid over het feit dat hij bij de pleegmoeder zal opgroeien en daarmee stabiliteit en continuïteit in en zekerheid over zijn opvoedingssituatie. Het is de taak van alle betrokkenen om nu duidelijkheid en rust te creëren over de omgangsregeling.

5.7

Op grond van het vorenstaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat het gezag van de moeder over [de minderjarige1] dient te worden beëindigd.

Benoeming voogd

5.8

De moeder heeft subsidiair verzocht om LJ&R te belasten met de voogdij over [de minderjarige1] . Zij heeft hiertoe - samengevat - aangevoerd dat de verhouding tussen de GI en haar dusdanig verstoord is en dat het vertrouwen zodanig is geschonden, dat niet meer te verwachten valt dat tot een optimale samenwerking kan worden gekomen.

5.9

De raad en de GI stellen zich op het standpunt dat de GI de voogdij over [de minderjarige1] dient te blijven uitvoeren.

5.10

Het hof acht het in het belang van [de minderjarige1] dat de GI de voogd over [de minderjarige1] blijft. Bij de vraag wie tot voogd moet worden benoemd speelt voor het hof in dit geval een grote rol dat de GI al enkele jaren betrokken is bij [de minderjarige1] en de overige betrokkenen en dus goed op de hoogte is van de voorgeschiedenis en de problematiek die er speelt, ook die in de verhouding tussen de moeder en de pleegmoeder. Ter zitting is naar voren gekomen dat er mogelijk een aantal zaken niet naar behoren zijn verlopen in de uitvoering van de voogdij-taken. Het hof acht het echter aannemelijk dat de oorzaak hiervan met name was gelegen in miscommunicaties over een omgangsmoment en een kennismakingsgesprek op de school van [de minderjarige1] in de periode dat Jeugdhulp Friesland tijdelijk de taken van de voogd had waargenomen. Het hof begrijpt dat de moeder hierover teleurgesteld was en is, maar naar het oordeel van het hof worden de belangen van de moeder voldoende onderkend door de GI door oog te hebben voor de rol van de moeder en de problematische verhouding met de pleegmoeder en hierover, zoals hiervoor reeds overwogen, met alle betrokkenen in gesprek te gaan.

Namens de moeder is ter zitting verklaard dat zij verwacht dat LJ&R meer zal inzetten op goede contacten met de moeder, hetgeen de GI volgens de moeder niet doet. Naar het oordeel van het hof zullen de problemen die de moeder ervaart in met name het contact met de pleegmoeder en de pleegzorgwerker niet opgelost worden door een wijziging van de voogdijinstelling. Het is aan alle betrokkenen om ervoor te zorgen dat de onderlinge contacten zo goed mogelijk verlopen. Het hof overweegt verder dat ook in het geval LJ&R tot voogd zou worden benoemd - de moeder heeft overigens geen bereidverklaring van LJ&R in het geding gebracht - de moeder niet op dezelfde wijze zou worden betrokken in het leven van [de minderjarige1] als toen zij nog met het gezag belast was. Het feit dat het gezag is beëindigd, betekent dat de moeder meer een rol op afstand zal hebben, hetgeen kan betekenen dat zij soms pas achteraf geïnformeerd wordt over bepaalde zaken.

Gelet op het voorgaande ziet het hof geen grond om in plaats van de GI LJ&R tot voogd te benoemen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 26 april 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, G.M. van der Meer en M.A.L.M. Willems, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 25 januari 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.