Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8706

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-10-2018
Datum publicatie
04-10-2018
Zaaknummer
200.178.374
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep; onmiddellijke opzegging hypothecaire lening wegens in algemene voorwaarden opgenomen handelen in strijd met de wet; wapens en drugs in woning; bestuursrechtelijke sluiting (ECLI:NL:RVS:2012:BY4412); geen oneerlijk noch onredelijk bezwarend beding; de bank heeft met een redelijke mate van tolerantie gehandeld alvorens een procedure tot gedwongen verkoop in te leiden; bevoegdheid tot parate executie; deze ingrijpende maatregel werd voorgelegd aan de onafhankelijke rechter, hetgeen de cliënt ook had kunnen doen (vergelijk EHRM 25 juli 2013, ECLI:NL:XX:2013:365 (Rousk/Zweden)); geen schending van woonrecht of misbruik van bevoegdheid; opname in EVR niet disproportioneel; proceskostenbeslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/644
RN 2018/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.178.374

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 389390)

arrest van 2 oktober 2018

in de zaak van

de naamloze vennootschap

voorheen: SNS Bank N.V., thans: De Volksbank N.V.,

handelend onder de naam: BLG Wonen,

gevestigd te Utrecht,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: SNS Bank,

advocaat: mr. K. Heemrood-van Dijk,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , [gemeente 1] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. V.H.A. Griffioen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 19 september 2017 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- hetgeen is voorgevallen ter comparitie van 7 mei 2018, waarbij aan [geïntimeerde] akte is verleend van de bij rolbericht van 23 april 2018 in het geding gebrachte producties 32 tot en met 34.

1.3

Partijen hebben partijen voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Bij notariële akte van 8 januari 2002 (productie 1 bij inleidende dagvaarding) heeft [geïntimeerde] (tezamen met zijn toenmalige echtgenote) aan de rechtsvoorganger van SNS Bank, BLG Hypotheken een recht van eerste hypotheek verleend op hun woning in de [gemeente 2] voor een lening van ongeveer € 135.000 in hoofdsom. Daarop zijn de Algemene Voorwaarden hypotheken (02.01) van toepassing (verder: de algemene voorwaarden; zie producties 6 en 7 bij inleidende dagvaarding en 6 bij memorie van grieven). Daarvan luidt artikel 14 “Opzegging van de lening”, aanhef en onder n. als volgt:

“De hypotheekbank kan altijd onmiddellijke aflossing van de lening met alles wat de geldnemer verder schuldig is vorderen zonder voorafgaande aanmaning of ingebrekestelling:
(…)

n. als de geldnemer de verplichtingen die deze Algemene Voorwaarden, de overeenkomst van geldlening, de akte of de wet aan hem opleggen, niet nakomt of in strijd handelt met de bepalingen van deze Algemene Voorwaarden, overeenkomst, akte of wet;”.

2.2

Op 9, 14 en 16 december 2010 en 6 januari 2011 heeft de politie bij doorzoekingen in en rond de woning inbeslaggenomen: 273 (vuur-)wapens met munitie, waaronder een raketwerper, handgranaten, automatische en geladen wapens, geluiddempers (een en ander deels verborgen onder vloeren en achter daartoe aangelegde dubbele wanden), ruim 13 kg hennep, een voor verwerking of bewerking van cocaïne bestemde drukpers en ruim 2 kg cocaïne alsmede (gemakkelijk herkenbaar op A4 print papier) vals geld (bijna € 35.000). [geïntimeerde] is daarvoor in voorlopige hechtenis genomen. Bij onherroepelijk arrest van 6 februari 2013 (productie 2 bij inleidende dagvaarding) heeft het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch [geïntimeerde] ter zake wegens diverse misdrijven in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie alsmede opzettelijk handelen in strijd met de in de artikelen 2 onder C en 3 onder C en 10 van de Opiumwet veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar en zes maanden met aftrek. Ook [geïntimeerde] ’ echtgenote is, zij het onder geringere kwalificaties, ter zake veroordeeld (productie 3 bij inleidende dagvaarding). Een en ander is met herkenbare beelden van de woning in de media gepubliceerd (zie producties 8 en 10 bij memorie van grieven). Later zijn ongeveer 70 wapens als vrijgesteld teruggegeven aan [geïntimeerde] .

2.3

Vanwege [geïntimeerde] ’ detentie zijn er achterstanden ontstaan in de betaling op de hypothecaire lening. De toenmalige echtgenote van [geïntimeerde] hield contact met SNS Bank. In dat kader heeft zij op 13 augustus 2011 aan SNS Bank meegedeeld dat [geïntimeerde] in detentie zat en later dat zij inmiddels de echtscheiding had aangevraagd, die ook is uitgesproken.

2.4

Bij besluit van 2 maart 2012 heeft de burgemeester met een beroep op de Opiumwet gelast om de woning te verlaten en sleutel daarvan in te leveren onder aanzegging van bestuursdwang, bestaande uit sluiting van de woning voor de duur van twaalf maanden. Dit is als publiekrechtelijke beperking ingeschreven in het kadaster (productie 9 bij memorie van grieven en productie 5 bij inleidende dagvaarding). Bij uitspraak van 28 november 2012 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak de aangevallen ongegrondverklaring door de rechtbank bevestigd (ECLI:NL:RVS:2012:BY4412; productie 4 bij inleidende dagvaarding).

2.5

Na overleg met [geïntimeerde] ’ echtgenote over het voornemen om de geldlening op te eisen, heeft SNS Bank bij brief van 26 juni 2012 (productie 6 bij inleidende dagvaarding) aan [geïntimeerde] (en zijn echtgenote) meegedeeld:

“dat de directie, naar aanleiding van het sluiten van uw pand (…) te Kerkrade door de [gemeente 2] , besloten heeft om de aan u verstrekte lening op te eisen. Als reden voor de sluiting verwijst de gemeente naar de opiumwet. Het besluit van BLG Wonen is genomen op basis van artikel 14.n van de algemene voorwaarden hypotheek. Het artikel stelt dat handelen in strijd met de wet voor BLG hypotheken reden is om de hypothecaire lening op te eisen.

Onze vordering bedraagt € 136.438,52 . Wij geven u tot 01 maart 2013 de gelegenheid de hypothecaire lening geheel af te lossen. (…) Geeft u aan algehele aflossing geen gevolg, dan zullen wij de procedure voor de openbare verkoop starten. Uw pand zal dan door de notaris

geveild worden.”

2.6

In antwoord op een protestbrief van (de advocaat van) de echtgenote van [geïntimeerde] heeft SNS Bank bij brief van 19 september 2012 (productie 9 bij inleidende dagvaarding) onder meer teruggeschreven:

“U gaat er echter aan voorbij dat uw cliënte is veroordeeld voor het voorhanden hebben van verboden wapens, waaronder een geweer en een geladen revolver met geluidsdemper. Dit zijn ernstige feiten.

Bij de beslissing tot opzegging heeft meegewogen dat de door BLG Wonen gefinancierde woning gebruikt is als opslagplaats voor deze wapens. Zowel de woning als de wapencollectie zijn uitgebreid in de media in beeld geweest, waaronder in het landelijk NOS-journaal.

De sluiting van de woning, ook al (...) was deze tijdelijk, heeft een en ander nog meer nadruk gegeven.”

2.7

Op 2 maart 2013 heeft [geïntimeerde] ’ echtgenote de woning weer betrokken.

2.8

Bij brief van 5 maart 2013 (productie 12 bij inleidende dagvaarding) heeft de notaris in opdracht van SNS Bank de echtgenote van [geïntimeerde] meegedeeld over te gaan tot openbare verkoop en aangeschreven tot onmiddellijke ontruiming. In een daartegen door haar aangespannen kort geding heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, bij vonnis van 26 april 2013 (productie 15 bij inleidende dagvaarding) SNS Bank verplicht om de geldlening met [geïntimeerde] ’ echtgenote voort te zetten en SNS Bank verboden tot executoriale verkoop over te gaan. Dit hof heeft bij arrest van 17 december 2013 (productie 18 bij inleidende dagvaarding) dat vonnis vernietigd en de vorderingen afgewezen.

2.9

Op 3 januari 2014 heeft SNS Bank de personalia van [geïntimeerde] (en zijn echtgenote) wegens deze zaak ingeschreven in het Extern Verwijzingsregister (verder: het EVR).

2.10

Op 20 maart 2014 heeft de executieverkoop plaatsgevonden, waaruit een restschuld overbleef van € 67.138,34, welke volgens SNS Bank met de opbrengst van de kapitaalverzekering van € 12.386,19 moet worden verminderd, zodat nog een schuld resteert van € 54.752,15 (zie productie 13 bij memorie van grieven).

3 Het geschil, de beslissing in eerste aanleg en de grieven

3.1

Volgens [geïntimeerde] heeft SNS Bank ten onrechte de hypothecaire lening met onmiddellijke ingang opgezegd, de persoonsgegevens van [geïntimeerde] opgenomen in het EVR en de woning executoriaal verkocht. Omdat de rechtbank ervan uitging dat SNS Bank niet van antwoord had geconcludeerd, heeft zij in haar, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, eindvonnis van 22 juli 2015 het gevorderde als niet weersproken en niet onrechtmatig of ongegrond toegewezen. Zij heeft, samengevat, SNS Bank op straffe van verbeurte van een dwangsom veroordeeld om over te gaan tot verwijdering van de persoonsgegevens van [geïntimeerde] in het EVR, SNS Bank veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een hypothecaire restschuld van € 71.723,73 met de wettelijke rente, voor recht verklaard dat SNS Bank niet gerechtigd was om op de wijze waarop zij dat heeft gedaan tot opzegging van de overeenkomst over te gaan zonder de aanvullende schade, die [geïntimeerde] daardoor heeft geleden en nog zal lijden, te vergoeden en SNS Bank ter zake veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet alsmede in de proces- en nakosten. Na betekening van het vonnis aan SNS Bank heeft zij de persoonsgegevens van [geïntimeerde] uit het EVR verwijderd en aan de proceskostenveroordeling voldaan.

3.2

SNS Bank richt grief I tegen de veroordeling om de persoonsgegevens uit het EVR te verwijderen, grief II tegen de kwalificatie van de onmiddellijke opzegging van de hypothecaire geldleningsovereenkomst als onterecht, grief III tegen de veroordelingen tot schadevergoeding en grief IV tegen de proceskostenbeslissing.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Partijen zijn het er wel over eens dat [geïntimeerde] door zijn misdrijven die hebben geleid tot het Bossche strafarrest (zie rov. 2.2) heeft gehandeld in strijd met de wet. Partijen zijn echter verdeeld over het antwoord op de vraag of [geïntimeerde] zich door élk handelen in strijd met de wet blootstelt aan onmiddellijke opzegging van zijn hypothecaire geldlening. Naar het oordeel van het hof gaat de tekst van artikel 14, aanhef en onder n. van de algemene voorwaarden daarvan wel uit. Vanzelfsprekend moet daarbij allereerst worden gedacht aan de verplichtingen die de wet op de kredietnemer/hypotheekgever legt, maar de tekst sluit niet uit dat ook andere wettelijke bepalingen in het geding kunnen zijn, bijvoorbeeld die in voldoende nauw verband staan met het gebruik van de verhypothekeerde woning. Hier doet zich het geval voor dat [geïntimeerde] de hem via SNS Bank hypothecair gefinancierde woning is gaan gebruiken voor grootschalige criminele opslag van wapens en drugs als gevolg waarvan de burgemeester de woning twaalf maanden heeft gesloten. [geïntimeerde] behoorde redelijkerwijs te begrijpen dat SNS Bank, ook al was zij enkel hypothecair financier en bankierde hij verder elders, vanwege het risico van publicitaire integriteits- en reputatieschade niet in verband wilde worden gebracht met het faciliteren van een omvangrijke wapen- en drugsopslag doordat de particuliere woning waar de opslag plaatsvond, was gefinancierd via SNS Bank. Ook in het kader van de verplichte ambtshalve toetsing aan de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten kan niet worden aangenomen dat dit artikel 14, aanhef en onder n., in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van [geïntimeerde] als consument aanzienlijk verstoort noch dat het beding onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW. SNS Bank heeft de opeising aanvullend verduidelijkt in haar brief van 19 september 2012 (zie rov. 2.6). Aan de opeising heeft SNS Bank verder de na haar opeisingsbrief van 26 juni 2012 opgetreden en niet voldoende gemotiveerd weersproken omstandigheid ten grondslag gelegd dat er vanaf september 2012 structureel verder oplopende betaalachterstanden van 8 tot 9 maanden zijn opgetreden van omstreeks € 2.000 naar € 3.000 (zie het overzicht betaalachterstanden in productie 11 bij memorie van grieven), hetgeen een onmiddellijke opzeggingsgrond onder artikel 14, aanhef en onder a. van de algemene voorwaarden kan opleveren. Aan al het voorgaande doet niet af dat SNS Bank enige tijd heeft gewacht met de opzegging, alleen al omdat zij onweersproken heeft uiteengezet dat haar pas na verloop van een groot aantal maanden duidelijk werd wat [geïntimeerde] eigenlijk in en op het verhypothekeerde had uitgevoerd.

4.2

In haar opzeggingsbrief van 26 juni 2012, zoals aangevuld bij brief van 19 september 2012, waarin SNS Bank niet met zoveel woorden tot uitdrukking behoefde te brengen dat haar integriteit en reputatie in het geding konden zijn, heeft SNS Bank [geïntimeerde] tot 1 maart 2013 in de gelegenheid gesteld de hypothecaire lening terug te betalen. In feite heeft [geïntimeerde] , door diverse verwikkelingen (zie rov. 2.8), daartoe de gelegenheid gehad tot de executieverkoop van 20 maart 2014. De pas op 3 januari 2014 opgenomen vermelding van zijn persoonsgegevens in het EVR kan hem eerder in redelijkheid niet hebben belemmerd tot de herfinanciering.

4.3

[geïntimeerde] heeft zich nog beroepen op veelvuldige contacten van zijn toenmalige echtgenote met SNS Bank, maar daarbij heeft zij, onweersproken, in scheiding, slechts gehandeld op eigen titel en niet ten behoeve van [geïntimeerde] . Dat SNS Bank geen overleg zou hebben willen voeren, is mede in het licht van de door SNS Bank overgelegde gespreksnotities Bijzonder Beheer (productie 11 bij memorie van grieven) niet komen vast te staan. Gelet hierop en daar waar het naast de hypotheekachterstand ook ging om een bijzondere situatie, was SNS Bank niet gehouden om aan [geïntimeerde] een schadebeperkend alternatief voor te stellen en heeft zij door dit niet te doen ook niet in strijd met de op haar rustende zorgplicht gehandeld.

4.4

Op grond van al het voorgaande was de opeising op 26 juni 2012 met een aflossingseis tegen 1 maart 2013 niet onterecht en brachten de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van artikel 6:248 lid 1 BW evenmin mee dat aan de opzegging nadere eisen gesteld werden (vergelijk bijv. HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929, en HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141). Ook heeft SNS Bank met een redelijke mate van tolerantie gehandeld alvorens een procedure tot gedwongen verkoop in te leiden (zie het ingevolge artikel 43 lid 1 op dit geval nog niet toepasselijke artikel 28 lid 1 van de Richtlijn 2014/17/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010; de hypothekenrichtlijn). Ten slotte was SNS Bank niet gehouden de opzegging gepaard te doen gaan met een aanbod tot betaling van enige (schade)vergoeding, zodat grief II terecht is voorgesteld.

4.5

Dat de bank uiteindelijk is overgegaan tot veiling van de woning was, na de kredietopzegging van 26 juni 2012 en het tijdsverloop tot maart 2014 zonder concrete alternatieven, haar goed recht op grond van de in artikel 3:268 BW neergelegde bevoegdheid tot parate executie. Aldus betrof het een in de wet voorziene inmenging in de uitoefening van het woonrecht. Daartoe was SNS Bank gerechtigd op grond van hetgeen hiervoor is overwogen. Voordat SNS Bank de veiling heeft uitgevoerd, heeft [geïntimeerde] ’ echtgenote in twee instanties in kort geding geprocedeerd om een verbod (zie rov. 2.8), zodat deze ingrijpende maatregel werd voorgelegd aan de onafhankelijke rechter, hetgeen [geïntimeerde] ook had kunnen doen (vergelijk EHRM 25 juli 2013, ECLI:NL:XX:2013:365 (Rousk/Zweden)). Dat SNS Bank haar bevoegdheid zou hebben misbruikt voor een ander doel dan waartoe deze was verleend, is in dit licht niet gebleken. Ook valt geen onevenredigheid waar te nemen tussen het hiervoor vermelde belang van SNS Bank bij de uitoefening van de executieverkoop ter beëindiging van de hypothecaire relatie en het daardoor geschade belang van [geïntimeerde] (tot behoud van zijn (gezins-)woning en vermijding van (het ontstaan van) een restschuld), zodat niet kan worden gezegd dat SNS Bank naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Schending van de in artikel 8 EVRM geboden bescherming van het woonrecht of van het in artikel 3:13 BW voorziene misbruik van bevoegdheid doet zich derhalve niet voor.

4.6

SNS Bank heeft op 3 januari 2014 de personalia van [geïntimeerde] opgenomen in het EVR. Daartoe verplichtte artikel 5.2.1 van het Protocol Incidenten waarschuwingssysteem Financiële instellingen uit 2011 SNS Bank indien wordt voldaan aan de hierna onder a) en b) vermelde criteria en na toepassing van het onder c) genoemde proportionaliteitsbeginsel, inhoudend:

“a) De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële instelling, alsmede (de Organisatie van de) Financiële instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.

b) In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachten wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.

c) Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Extern Verwijsregister.”

4.7

In dit kader verwijst het hof eerst naar de hiervoor besproken primaire opzeggingsgrond van SNS Bank. Anders dan [geïntimeerde] verdedigt, kunnen zijn ernstige en omvangrijke misdrijven in en op het verhypothekeerde waarvoor hij bij onherroepelijk strafarrest is veroordeeld een bedreiging vormen voor de belangen van SNS Bank als hypothecair financier. Ook al gaat het hier niet om bewezen delicten van primair financiële aard, zoals bijvoorbeeld witwassen of financiering van terrorisme, dit neemt niet weg dat SNS Bank in redelijkheid niet het risico behoeft te aanvaarden dat zij kan worden geassocieerd met criminele opslag in een door haar gefinancierde woning van een omvangrijke hoeveelheid wapens en drugs, ernstige strafbare feiten, met integriteits- en reputatieschade voor haar als mogelijk gevolg. Daarmee is voldaan aan de criteria onder a) en b).

4.8

Tussen de opzegging van 26 juni 2012 en de opname van zijn persoonsgegevens in het EVR op 3 januari 2014 heeft [geïntimeerde] anderhalf jaar de tijd gehad voor herfinanciering, hetgeen blijkbaar niet is gelukt, maar dit kon niet liggen aan de latere inschrijving in het EVR. Tegenover de door [geïntimeerde] overgelegde producties heeft SNS Bank onvoldoende gemotiveerd betwist dat [geïntimeerde] door zijn opname in het EVR wordt geconfronteerd met weigeringen van de reguliere banken om voor hem een betaalrekening te openen. Aan [geïntimeerde] moet worden toegegeven dat dit zeer verstrekkende financiële en maatschappelijke gevolgen voor hem zou hebben. Daardoor zou hij onder andere misschien geen zorgverzekering meer kunnen afsluiten. Maar tussen partijen staat wel vast dat het mogelijk is om met medewerking van de sociale dienst een basisbetaalrekening te verkrijgen, zij het op voorwaarde dat daarvoor een beheerovereenkomst is gesloten. Het is dus niet zo dat [geïntimeerde] maatschappelijk helemaal buitenspel staat. Het zal zeker bezwaarlijk zijn via deze constructie een basisbetaalrekening te verkrijgen, maar dat bezwaar zal [geïntimeerde] gedurende een aantal jaren moeten accepteren als een van de bijkomende consequenties van zijn ernstige misdrijven. Al met al is de opname in het EVR niet in strijd met het proportionaliteitsbeginsel onder c).

Grief I slaagt dus ook.

4.9

Nu niet is gebleken dat SNS Bank enige norm jegens [geïntimeerde] heeft geschonden en op haar ook geen opzeggingsvergoedingsplicht rust, bestaat er geen grond tot veroordeling van welke (schade-)vergoeding dan ook.

Grief III treft doel.

4.10

[geïntimeerde] heeft geen feiten en/of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, zouden leiden tot een andere beslissing. Daarom wordt zijn bewijsaanbod gepasseerd.

5 De slotsom

5.1

De grieven I, II en III slagen. Het bestreden eindvonnis zal worden vernietigd. Het door [geïntimeerde] gevorderde zal worden afgewezen.

5.2

De restitutievordering is voor toewijzing vatbaar zoals hieronder vermeld.

5.3

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de kosten van beide instanties. Weliswaar is juist dat SNS Bank onvoldoende heeft gecontroleerd of haar op 26 mei 2015 ter griffie ingekomen conclusie van antwoord, die zij overigens ten onrechte niet gelijktijdig aan [geïntimeerde] had toegezonden, tussen 27 mei 2015 (uiterste conclusiedatum, waarop akte niet dienen volgde) en 22 juli 2015 (vonnisdatum) in het roljournaal was opgenomen, maar daar staat tegenover dat [geïntimeerde] na het voor hem gunstige eindvonnis niet bereid bleek om de door de rechtbank gegeven mogelijkheid om de procedure in eerste aanleg te heropenen op basis van acceptatie van de conclusie van antwoord. Grief IV is dus juist.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van SNS Bank zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht (verschotten) € 1.909

- salaris advocaat € 894 (1 punt x tarief IV).

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van SNS Bank zullen worden vastgesteld op:

- appelexploot € 96,16

- griffierecht € 1.937,00

totaal verschotten € 2.033,16

- salaris advocaat € 3.918,00 (2 punten x appeltarief IV).

5.4

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten met de wettelijke rente toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het eindvonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 juli 2015 en doet opnieuw recht:

wijst het door [geïntimeerde] gevorderde af;

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan SNS Bank van € 995,55, te voldoen binnen 14 dagen na dit arrest, bij gebreke waarvan dat bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de 15e dag na de datum van dit arrest tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van SNS Bank wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 1.909 voor verschotten en op € 894 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 2.033,16 voor verschotten en op € 3.918 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 157, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82 in geval [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Ch.E. Bethlem, A.W. Steeg en M.G. van ’t Westeinde, bij verhindering van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2018.