Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8705

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-10-2018
Datum publicatie
04-10-2018
Zaaknummer
200.175.385
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep; bemiddelingsovereenkomst; onbevoegde vertegenwoordiging vennootschappen; geen bestuurstoestemming, geen volmacht noch gewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid, geen bodefunctie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2018, afl. 6, p. 304
RCR 2019/5
NTHR 2019, afl. 1, p. 31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.175.385

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 3316127)

arrest van 2 oktober 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellant] ,

handelend onder de naam [appellant],

gevestigd te [kantoorplaats 1] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. H.J. Berends,

tegen:

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

1 [geïntimeerde 1]

2 [geïntimeerde 2] en

3 [geïntimeerde 3],

gevestigd respectievelijk te [kantoorplaats 2] ( [gemeente 1] ), [kantoorplaats 3] en [kantoorplaats 4] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna tezamen: [geïntimeerden] en afzonderlijk: [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] ,

advocaat: mr. M. Huizingh.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 6 oktober 2015 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 27 november 2015 ;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in rov. 2.2 tot en met 2.8 van het tussenvonnis van 31 maart 2015.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Deze zaak gaat over het volgende. [appellant] , gericht op ontwikkeling van vastgoedtrajecten, heeft op 10 januari 2013 een door e-mailcorrespondentie van 16 januari en 7 februari 2013 bevestigde overeenkomst tot aanbreng van bouwkavels tegen provisie gesloten met [naam medewerker geïntimeerd 1] en [naam medewerker 2 geïntimeerde 1] , beiden destijds als commercieel manager werkzaam voor [geïntimeerde 1] ( [geïntimeerde 1] ressorteerde met [geïntimeerde 2] onder de holding [geïntimeerde 3] , alle deel uitmakend van het [verzamelnaam bedrijven] ). Daarbij heeft [appellant] tevens de wens geuit dat verkoop van de woningen zou geschieden door de aan haar gelieerde PH7 Makelaardij. [appellant] heeft vervolgens, op 14 februari 2013, informatie over een bouwkavel, de locatie [naam locatie] ( [gemeente 2] ), aan [naam medewerker 2 geïntimeerde 1] gezonden. In oktober 2013 bleek aan [appellant] dat een [geïntimeerden] vennootschap daar was gaan bouwen.

3.2

[appellant] vordert nakoming door [geïntimeerden] van € 11.495 wegens aanbrengprovisie en betaling van schadevergoeding van € 8.954 op de grond dat [geïntimeerden] haar niet in de gelegenheid hebben gesteld om als eerste makelaar de verkoop ter hand te nemen, beide bedragen inclusief btw, plus buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en proceskosten.

3.3

Na conclusies van antwoord, repliek en dupliek heeft de kantonrechter in haar tussenvonnis (van 31 maart 2015) de feiten vastgesteld, de standpunten van partijen weergegeven en een comparitie van partijen gelast. Na deze gehouden comparitie heeft de kantonrechter in haar eindvonnis (van 16 juni 2015) het gevorderde afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.4

[appellant] richt grief I tegen de weergave in het tussen- en eindvonnis van het verweer van [geïntimeerden] , grief II tegen rov. 2.3 van het eindvonnis dat [geïntimeerden] niet zijn gebonden door besluiten van [naam medewerker 2 geïntimeerde 1] , tegen rov. 2.4 dat [appellant] niet aan de voorwaarden voor uitbetaling heeft voldaan en geen exclusiviteit had, tegen rov. 2.7 tot afwijzing van de makelaarsschade en grief III tegen haar proceskostenveroordeling. De memorie van grieven strekt kennelijk, overeenkomstig het appelexploot, tot vernietiging van de beide bestreden vonnissen en tot toewijzing van de vorderingen van [appellant] , althans tot een bedrag als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Bij de beoordeling gaat het hof ervan uit dat [appellant] op 10 januari 2013 met [naam medewerker 2 geïntimeerde 1] een bemiddelingsovereenkomst heeft gesloten en wil het veronderstellenderwijs aannemen dat [naam medewerker 2 geïntimeerde 1] daarbij eveneens een bemiddelingsopdracht aan PH7 Makelaardij heeft toegezegd. [naam medewerker 2 geïntimeerde 1] was geen bestuurder van een van de [geïntimeerden] vennootschappen en had op die grond dus geen wettelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid.

4.2

Naar de erkenning van [appellant] (memorie van grieven 7.1.3.1, 7.2.2, 7.3, 7.4 en 7.8) waren niet alleen de commercieel managers maar ook de directeur Marketing & Sales niet zelfstandig bevoegd om besluiten te nemen over financiële zaken en wist [appellant] dit ook, maar op andere plaatsen (memorie van grieven sub 7.1.3.1 en 7.2) voert [appellant] niettemin aan dat de commercieel managers op grond van hun functie bevoegd waren om de [geïntimeerden] vennootschappen aan derden zoals [appellant] te binden, ook financieel.

Verder stelt [appellant] (bij memorie van grieven sub 7.4) dat [naam medewerker 2 geïntimeerde 1] (niet zelfstandig een besluit nam maar) als contactpersoon het door de directie van [geïntimeerden] genomen besluit terugkoppelde naar [appellant] , hetgeen volgens haar blijkt uit de meervoudsvorm “wij” in de e-mail van 7 februari 2013 (zie rov. 2.5 van het tussenvonnis). Lijkt dit eerste op de stelling dat [naam medewerker 2 geïntimeerde 1] niet meer was dan een boodschapper c.q. doorgeefluik en als zodanig volgens bestendig gebruik tussen partijen de toestemming van de directie overbracht (zie memorie van grieven sub 7.12), waarop [appellant] mocht vertrouwen, elders (in de memorie van grieven sub 7.4, 7.8, 7.9 en 7.10) betoogt [appellant] dat [naam medewerker 2 geïntimeerde 1] , die optrad als contactpersoon en door [geïntimeerden] in deze positie was geplaatst, gepresenteerd als commercieel manager, bij [appellant] de indruk heeft kunnen wekken dat hij bevoegd was om de overeenkomst namens de directie te ondertekenen en als zodanig rechtshandelingen te verrichten (memorie van grieven 7.10).

Ten slotte beroept [appellant] zich (in haar memorie van grieven sub 7.11 e.v.) op door [geïntimeerde 1] althans [geïntimeerde 3] gewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid (volmachtverlening), waarbij [geïntimeerden] zich zou verschuilen achter haar verschillende vennootschappen (de een, [geïntimeerde 1] , verbindt zich en de ander, [geïntimeerde 2] , bouwt).

4.3

Voor zijn oordeel verwijst het hof naar de onderstaande, aan de overeenkomst van 10 januari 2013 voorafgaande correspondentie tussen [appellant] en [geïntimeerden] .

Per e-mail van 14 juni 2010 (productie 28 bij brief namens [appellant] van 4 mei 2015) heeft [directeur geïntimeerd 1] , directeur Marketing & Sales van [geïntimeerde 1] , aan [appellant] onder meer bericht:

“Indien er een concreet voorstel moet komen, uiterlijk morgen, kan ik niet aan die eis voldoen, aangezien ik afhankelijk ben van een goedkeuring van de directie.”

In een e-mail van 5 juli 2010 heeft [appellant] aan commercieel manager [naam medewerker geïntimeerd 1] (productie 4 bij inleidende dagvaarding) onder meer bericht:

“Zo weten we nu dat de commercieel managers onder de directeur Marketing & Sales staan en dat deze (de directeur, hof) geen besluiten neemt over financiële zaken en de uiteindelijke keus om een project wel of niet te gaan kopen of uitvoeren e.d. Jullie zijn op je eigen niveau adviseurs van de directie die het uiteindelijke besluit nemen.”

Hieruit moest [appellant] redelijkerwijs begrijpen dat noch de commerciële managers noch de directeur van Marketing & Sales bevoegd waren om besluiten met financiële strekking te nemen, hetgeen in het zakelijk verkeer vanzelfsprekend impliceert dat zij ook niet bevoegd waren om een of meer van de [geïntimeerden] vennootschappen aan een commercieel contract met een derde zoals [appellant] te verbinden. Ditzelfde geldt dan voor hun functies.

4.4

[appellant] , op wie ter zake stelplicht en bewijslast rust, heeft niet aangetoond dat een bestuurder van [geïntimeerden] aan hetzij [directeur geïntimeerd 1] hetzij [naam medewerker 2 geïntimeerde 1] en/of [naam medewerker geïntimeerd 1] toestemming heeft gegeven tot het aangaan van de overeenkomst van 10 januari 2013 dan wel tot het doorgeven van het bericht dat de directie daarvoor toestemming gaf. Hoewel dit op de weg van [appellant] lag en zij op andere punten wel toegespitst bewijs heeft aangeboden, heeft zij op dit springende punt geen bewijs van haar stellingen aangeboden, zodat een volmachtverlening of een, door te geven, bestuurstoestemming niet is komen vast te staan.

4.5

Voor het beroep op gewekte schijn van volmachtverlening wijst het hof allereerst op artikel 3:61 lid 2 BW:
Is een rechtshandeling in naam van een ander verricht, dan kan tegen de wederpartij, indien zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep worden gedaan.

Het daadwerkelijke en tevens verantwoorde vertrouwen moet berusten op toedoen van de onbevoegd vertegenwoordigde. Voor toerekening van de schijn van volmachtverlening kan verder plaats zijn als de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op volmachtverlening aan de pseudovertegenwoordiger op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de onbevoegd vertegenwoordigde komen, en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. In het laatste geval dient de rechter in zijn uitspraak mede feiten of omstandigheden vast te stellen die de onbevoegd vertegenwoordigde betreffen en die rechtvaardigen dat laatstgenoemde in zijn verhouding tot de wederpartij het risico van de onbevoegde vertegenwoordiging draagt (zie onder meer HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:142).

4.6

Tegen de achtergrond van de hiervoor geciteerde e-mails van 14 juni en 5 juli 2010 mocht [appellant] niet snel aannemen dat [naam medewerker 2 geïntimeerde 1] desondanks beslissingsbevoegd was. Zijn aanstelling in de functie van commercieel medewerker was daarvoor, naar [appellant] wist, onvoldoende. Dat de directie een commercieel manager dan wel de directeur Marketing & Sales liet optreden impliceert nog niet het wekken van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [naam medewerker 2 geïntimeerde 1] . [appellant] heeft zich nog beroepen op de gang van zaken in 2010, met name over de tenaamstelling van een conceptovereenkomst uit die periode (op naam van [geïntimeerde 1] of [geïntimeerden] ), en wil daaruit afleiden dat de [geïntimeerden] vennootschappen niet gebonden wilden zijn en dat zij een rookgordijn opwerpen doordat [geïntimeerde 1] contractante was en [geïntimeerde 2] heeft gebouwd. Ook hieruit valt echter zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet af te leiden - en dit is ook in geval van een rookgordijn essentieel - waarom een of meer van [geïntimeerden] bij de overeenkomst van 10 januari 2013 de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid zouden hebben gewekt door hun toedoen dan wel dat dit, volgens het onder 4.5 vermelde criterium, voor hun risico zou moeten komen.

Grief II wordt daarom in zoverre verworpen.

4.7

[appellant] heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden moeten leiden. Daarom wordt haar bewijsaanbod gepasseerd.

5 De slotsom

5.1

Zoals hiervoor uiteengezet, faalt grief II. De overige onderdelen van deze grief behoeven geen bespreking meer. Bij grief I heeft [appellant] geen belang. De bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij is [appellant] terecht veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg en zal zij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Grief III mislukt.

De kosten voor het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht (verschotten) € 1.937

- salaris advocaat € 1.074 (1 punt x appeltarief II).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 31 maart 2015 en 16 juni 2015;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 1.937 voor verschotten en op € 1.074 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, B.J. Engberts en A.S. Gratama en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2018.