Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8693

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2018
Datum publicatie
07-11-2018
Zaaknummer
WAHV 200.213.340
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De mogelijkheid van het hof om kennis te nemen van een geschil over de vaststelling van de hoogte van een dwangsom, is beperkt tot die zaken waarin de in het kader van de Wahv opgelegde administratieve sanctie na de beslissing van de kantonrechter meer bedraagt dan € 70,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.213.340

1 oktober 2018

CJIB 197649531

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland

van 13 februari 2017

betreffende

[betrokkene] B.V. (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,

wonende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting te behandelen.

De griffier van de ABRvS heeft het hoger beroep doorgestuurd naar de griffier van dit hof, omdat de ABRvS niet bevoegd is hiervan kennis te nemen.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 17 september 2018. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. [D] .

Beoordeling

1. Het beroep van de betrokkene richt zich tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij de gevorderde vaststelling van een dwangsom van € 310,- is afgewezen. De gemachtigde van de betrokkene voert ten aanzien van de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan dat nu de ABRvS het hoger beroepschrift heeft doorgestuurd aan dit hof, hieruit geconcludeerd kan worden dat de ABRvS van oordeel is dat dit hof bevoegd dan wel gehouden is het hoger beroep, voor zover het betreft het verzoek tot vaststelling van een dwangsom, te behandelen. Dat hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter inzake de inleidende beschikking op grond van artikel 14, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) in dit geval niet mogelijk is, heeft niet tot gevolg dat hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter inzake de vaststelling van de dwangsom is uitgesloten. De beslissing inzake de vaststelling van een dwangsom betreft een aparte beslissing waarop het appelverbod niet van toepassing is gelet op de tekst van artikel 14, eerste lid, van de Wahv. Uit dit artikel volgt immers niet dat dit ook gelding heeft voor beslissingen van de kantonrechter inzake de vaststelling van een dwangsom. Voor zover de wetgever met artikel 4:19, eerste lid, van de Awb jo. artikel 14, eerste lid, van de Wahv heeft beoogd om een belanghebbende een beroepsmogelijkheid inzake de beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom te ontzeggen, heeft deze beperking slechts te gelden voor zover het belang het bedrag van € 70,- niet te boven gaat. Het is in strijd met ons rechtssysteem en met de bedoeling van de wetgever om een verzoek tot vaststelling van een dwangsom die uitsluitend uit het oogpunt van proceseconomie is samengevoegd, het lot te laten volgen van een beroep tegen een sanctie die lager is dan € 70,-.

2. Gelet op artikel 4:19, eerste lid, van de Awb is dit hof bevoegd ten aanzien van geschillen met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van een dwangsom ingeval van niet-tijdig beslissen op een in het kader van de Wahv gedane beschikking op aanvraag. Deze bepaling brengt mee dat tegen het oorspronkelijk bestreden besluit op de aanvraag en het hangende de procedure daartegen bijkomende besluit over de dwangsommen dezelfde rechtsgang openstaat. Zodoende is artikel 14, eerste lid, van de Wahv ook in zaken betreffende geschillen over de vaststelling van de hoogte van een dwangsom ingeval van niet-tijdig beslissen op een in het kader van de Wahv gedane beschikking op aanvraag van toepassing. Dit brengt mee dat de mogelijkheid voor het hof om van een dergelijk geschil kennis te nemen, gelet op de tekst van artikel 14, eerste lid, van de Wahv, is beperkt tot die zaken waarin de in het kader van de Wahv opgelegde administratieve sanctie na de beslissing van de kantonrechter meer bedraagt dan € 70,-. Dat is hier niet het geval. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt na de beslissing van de kantonrechter € 53,-.

3. Het hof heeft eerder in het arrest van 3 april 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:2333) overwogen dat het bij geschillen aangaande de vaststelling van de dwangsom bij niet tijdig beslissen kan gaan om bedragen die aanzienlijk hoger zijn dan € 70,-, terwijl in geschillen die voortvloeien uit een Wahv-procedure mogelijk in een niet onbelangrijk deel daarvan de kantonrechter de eerste en enige rechter zal zijn. Voor zover dit uit een oogpunt van rechtseenheid ongewenst wordt geacht ligt het op de weg van de wetgever om dat belang opnieuw af te wegen. Hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geeft geen aanleiding tot een ander oordeel hierover.

4. Het hoger beroep is gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk.

Beslissing

Het gerechtshof:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Stoop als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.