Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8670

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-09-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
200.238.082/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Curatele. Benoeming van derde curator mogelijk? De in artikel 1:383 BW vervatte beperking dat niet meer dan twee curatoren kunnen worden benoemd dient in dit bijzondere geval buiten toepassing te blijven in verband met het bepaalde in artikel 8 EVRM en artikel 19 van het Gehandicaptenverdrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0248
FJR 2019/16.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.238.082/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 5968255 VC VERZ 17-78)

beschikking van 27 september 2018

inzake

[verzoeker] en [verzoekster],

wonende te [A] ,
verzoekers in hoger beroep, verder te noemen: de ouders,

advocaat: mr. H.A. Jeuring te Zuidhorn.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de betrokkene] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de betrokkene;

2 [de zuster] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de zuster;

3 [de broer] ,

wonende te [C] ,

verder te noemen: de broer.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 9 februari 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 26 april 2018;

- een brief van de ouders, de broer en de zuster van 4 juni 2018.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 30 augustus 2018 plaatsgevonden. De ouders zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Verder zijn verschenen de betrokkene en de zuster.

3 De feiten

3.1

De betrokkene is geboren [in] 1979.

3.2

Bij beschikking van 27 juli 2010 heeft de rechtbank Groningen, sector kanton, de betrokkene onder curatele gesteld en de ouders tot curatoren benoemd.

3.3

De ouders hebben op 7 mei 2018 een verzoek ingediend om de zuster als derde curator te benoemen.

3.4

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter dit verzoek afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

De ouders zijn met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad, de zuster te benoemen tot derde curator over de betrokkene, gezamenlijk uit te oefenen met de ouders, althans dat het hof die beslissingen zal nemen zoals het in goede justitie mocht vermenen te behoren.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De ouders stellen zich op het standpunt dat de zuster naast hen als derde curator over de betrokkene dient te worden benoemd en doen daarbij een beroep op het door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) beschermde recht van een ieder op eerbiediging van zijn privéleven en familie- en gezinsleven. Zij voeren daartoe
- kort samengevat - aan dat nu de betrokkene inmiddels ook een groot deel van de tijd bij de zuster woont, de zuster de bevoegdheid moet hebben om te handelen, bijvoorbeeld indien een acute medische ingreep noodzakelijk is en de ouders niet of slecht bereikbaar zijn. Daarbij zijn de ouders van mening dat van hen niet kan worden verlangd dat één van hen het curatorschap opgeeft.

5.2

Op grond van artikel 1:383 lid 10 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter twee curatoren benoemen, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

5.3

De kantonrechter heeft overwogen dat hoewel in de wet niet is vastgelegd dat de kantonrechter niet een derde curator kan benoemen, het benoemen van een derde curator niet zinvol en praktisch is en heeft het verzoek daarom afgewezen.

5.4

Naar het oordeel van het hof biedt de wettekst van artikel 1:383 lid 10 BW, anders dan de kantonrechter heeft overwogen, niet de ruimte tot benoeming van een derde curator. Nu in artikel 1:383 lid 10 BW expliciet is opgenomen dat twee curatoren kunnen worden benoemd, moet daaruit worden afgeleid dat benoeming van meer dan twee curatoren niet mogelijk is.

5.5

Het hof dient vervolgens de vraag te beantwoorden of artikel 1:383 lid 10 BW in een geval als het onderhavige een ontoelaatbare inmenging als bedoeld in artikel 8 lid 2 EVRM oplevert in het door lid 1 van die bepaling beschermde recht van een ieder op eerbiediging van zijn privéleven en familie- en gezinsleven (‘private and family life’), zoals door de ouders is gesteld.

5.6

Het hof overweegt daartoe als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de betrokkene ernstig lichamelijk en verstandelijk gehandicapt is. De betrokkene heeft de verstandelijke ontwikkeling van een kind van ongeveer 8 maanden oud en is 24 uur per dag volledig afhankelijk van intensieve zorg door derden, omdat hij niet kan lopen, niet kan praten en incontinent is. Die zorg wordt hem in de eerste plaats geboden door zijn ouders en zijn zuster, die daarbij worden ondersteund door een viertal pgb-zorgverleners. In de weekenden woont de betrokkene bij zijn ouders en op doordeweekse dagen woont de betrokkene bij zijn zuster, in een speciaal daarvoor gerealiseerde mantelzorgwoning. De zuster heeft ook de zorg voor de betrokkene gedurende de vakanties van de ouders in het buitenland, die ongeveer drie maanden per jaar beslaan, en de ouders dragen de zorg voor de betrokkene tijdens de vakantie van de zuster en haar gezin. Het is volgens de ouders en de zuster de bedoeling dat de betrokkene volledig bij zijn zuster zal gaan wonen indien zijn ouders op enig moment niet meer in staat zullen zijn om zelfstandig voor hem te zorgen.

5.7

Het hof is met de ouders van oordeel dat nu de zuster een groot deel van de tijd de zorg voor de betrokkene draagt, zij bevoegd moet zijn om in acute medische situaties de juiste beslissingen te nemen voor de betrokkene. Artikel 7:466 BW biedt medische hulpverleners weliswaar de bevoegdheid om toch te handelen in acute situaties waarin de toestemming van de curator(en) niet gegeven is, maar het hof is van oordeel dat als de zuster ten tijde van een acute medische situatie aanwezig is, aan haar de bevoegdheid dient toe te komen om voor de betrokkene medische beslissingen te nemen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat aannemelijk is geworden dat de zuster meer dan anderen begrijpt wat de betrokkene wil en wat de betrokkene nodig heeft, nu zij de betrokkene samen met de ouders jarenlang intensief heeft verzorgd. Niet gebleken is dat hieraan op andere wijze tegemoet kan worden gekomen dan door het benoemen van de zuster tot curator over de betrokkene.

5.8

Dat op grond van artikel 1:383 lid 10 BW benoeming van de zuster tot curator over de betrokkene alleen aan de orde kan komen als één van de ouders het curatorschap over de betrokkene beëindigt, vormt naar het oordeel van het hof onder de omstandigheden van dit geval een inbreuk op het door lid 1 van artikel 8 EVRM beschermde familie- en gezinsleven van de ouders en de betrokkene. Vast staat immers dat tussen de ouders en de betrokkene sprake is van een zorgrelatie die zijn oorsprong vindt in de door de ouders ook na de meerderjarigheid gecontinueerde ouderlijke verantwoordelijkheid. In verband met de meervoudige beperkingen van de betrokkene, blijven de ouders zich de zorg voor hem aantrekken en verzorgen zij hem voor zover dit gelet op hun vorderende leeftijd nog mogelijk is. Een dergelijk samenlevingsverband onderscheidt zich van de gebruikelijke situatie bij een meerderjarig kind (en volgens de vader ook van de gebruikelijke situatie bij een zodanig meervoudig gehandicapte als de betrokkene) en dient naar het oordeel van het hof te worden aangemerkt als familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 lid 1 EVRM. Dat de betrokkene op dit moment vanwege de vorderende leeftijd van de ouders alleen nog in de weekenden en tijdens de vakanties van zijn zuster in gezinsverband met de ouders samenleeft doet daar naar het oordeel van het hof niet aan af. Indien één van de ouders het curatorschap over de betrokkene zou moeten beëindigen om benoeming van de dochter tot curator mogelijk te maken, wordt naar het oordeel van het hof voorbij gegaan aan de bevoegdheden van die ouder, welke bevoegdheden zeer nauw verbonden zijn met de bijzondere voortgezette ouderlijke zorgrelatie zoals hiervoor omschreven.

5.9

Tegen de achtergrond van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarin aan het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven ver strekkende betekenis is toegekend, kan naar het oordeel van het hof geen rechtvaardiging als bedoeld in lid 2 van artikel 8 EVRM worden gevonden voor deze inbreuk.

5.10

Het hof is verder van oordeel dat artikel 1:383 lid 1 BW, onder de bijzondere omstandigheden van dit geval, een inbreuk maakt op het door lid 1 van artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokkene. Uit het recht op eerbiediging van het privé-leven, in het bijzonder het recht op persoonlijke identiteit en persoonlijke ontwikkeling, vloeit naar het oordeel van het hof voort dat personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen hun verblijfplaats moeten kunnen kiezen, alsmede waar en met wie zij leven. Dit recht wordt tevens gewaarborgd in het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (Gehandicaptenverdrag), in het bijzonder in artikel 19 van dit verdrag. Dit artikel bepaalt dat dat de staten die partij zijn bij dit verdrag het gelijke recht erkennen van alle personen met een handicap om in de maatschappij te wonen met dezelfde keuzemogelijkheden als anderen en doeltreffende en passende maatregelen nemen om het personen met een handicap gemakkelijker te maken dit recht ten volle te genieten en volledig deel uit te maken van, en te participeren in de maatschappij, onder meer door te waarborgen dat personen met een handicap de kans hebben, op voet van gelijkheid met anderen, vrijelijk hun verblijfplaats te kiezen, alsmede waar en met wie zij leven, en niet verplicht zijn te leven in een bepaalde leefregeling. Dat in dit geval de curatele over de betrokkene niet mede kan worden uitgeoefend door de zuster van de betrokkene, (met wie de betrokkene naar het oordeel van het hof overigens gelet op de omstandigheden van het geval eveneens een door artikel 8 EVRM beschermd familie- en gezinsleven heeft), en er derhalve gedurende het verblijf van de betrokkene bij de zuster niet adequaat acute medische beslissingen voor de betrokkene kunnen worden genomen, vormt naar het oordeel van het hof een inbreuk op het recht van de betrokkene om op voet van gelijkheid met anderen zijn verblijfplaats te kunnen kiezen, in dit geval deels ook bij de zuster, en dus op zijn recht op eerbiediging van zijn privéleven.

5.11

Ook ten aanzien van deze inbreuk kan naar het oordeel van het hof tegen de achtergrond van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarin aan het recht op eerbiediging van het privéleven ver strekkende betekenis is toegekend, en gelet op het doel en de strekking van het Gehandicaptenverdrag, geen rechtvaardiging als bedoeld in lid 2 van artikel 8 EVRM worden gevonden.

5.12

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de in artikel 1:383 BW vervatte beperking dat niet meer dan twee curatoren kunnen worden benoemd, in dit bijzondere geval buiten toepassing dient te blijven in verband met het bepaalde in artikel 8 EVRM en artikel 19 van het Gehandicaptenverdrag. Het hof ziet aanleiding om het verzoek van de ouders toe te wijzen en de dochter naast de ouders tot derde curator over de betrokkene te benoemen. Het hof zal de bestreden beschikking daarom vernietigen en beslissen als na te melden.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 9 februari 2018, en opnieuw beschikkende:

benoemt [de zuster] , geboren [in] 1978, naast [verzoeker] en [verzoekster] tot derde curator over [de betrokkene] , geboren [in] 1979;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 van het Burgerlijk Wetboek een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Nederland in verband met aantekening in het Curatele- en Bewindregister;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.F. Holtvluwer-Veenstra, J.G. Idsardi en
M. Weissink, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 27 september 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.