Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8657

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
21-002986-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:2899, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onbetrouwbare verklaring gelet op psychische problematiek getuige en onvoldoende zicht op oorzaak financieel gat in kasopstelling, vrijspraak witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002986-15

Uitspraak d.d.: 19 september 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 6 mei 2015 met parketnummer 05-821181-13 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [1961] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 29 maart 2017 en 5 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsvrouw, mr. A. van den Berg, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het als feit 4 ten laste gelegde. Hoger beroep tegen deze vrijspraak staat voor verdachte niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk in haar hoger beroep verklaren.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte ter zake het onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van twee jaar.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1:
zij op of omstreeks 12 maart 2013 te Lobith, gemeente Rijnwaarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad ongeveer 6512 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, terwijl bovengenoemd feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid (zijnde 6512 gram) van bovengenoemd middel, zijnde meer dan de hoeveelheid van het middel van een in een Algemene Maatregel van Bestuur genoemde grens van grote hoeveelheid (zijnde 500 gram);

2:
zij in of omstreeks de periode van 01 januari 2008 tot en met 12 maart 2013 te Lobith, gemeente Rijnwaarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (telkens) ongeveer 196, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, terwijl bovengenoemd feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid (zijnde meerdere oogsten van ongeveer 180 tot 200 planten) van bovengenoemd middel, zijnde meer dan de hoeveelheid van het middel van een in een Algemene Maatregel van Bestuur genoemde grens van grote hoeveelheid (zijnde 200 planten);

3:
zij in of omstreeks de periode van 01 januari 2007 tot en met 12 maart 2013, te Lobith, gemeente Rijnwaarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers heeft zij, verdachte en/of haar mededader(s) van één of meer voorwerp(en), te weten een hoeveelheid geld en/of één of meer motorfiets(en) en/of (personen)auto('s) en/of één of meer andere goed(eren), a. de herkomst verborgen/verhuld en/of de vindplaats verborgen/verhuld en/of de vervreemding verborgen/verhuld en/of de verplaatsing verborgen/verhuld en/of verborgen/verhuld wie de rechthebbende op het/de voorwerp(en) was/waren en/of het/de voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad en/of b. verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van genoemd(e) voorwerp(en) te weten een hoeveelheid geld en/of één of meer motorfiets(en) en/of (personen)auto('s) en/of één of meer ander(e) goed(eren) gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat de genoemd(e) voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf; art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht art 420quater Wetboek van Strafrecht

4 primair:
zij in of omstreeks de periode 01 januari 2008 tot en met 12 maart 2013 te Lobith, gemeente Rijnwaarden, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een hoeveelheid stroom/elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen stroom/electriciteit onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het verwijderen/verbreken van zegels en/of (vervolgens) het maken van een illegale aansluiting;

4 subsidiair:
zij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 01 januari 2008 tot en met 12 maart 2013 te Lobith, gemeente Rijnwaarden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een meetinrichting (in een woning gelegen aan [adres] ) , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft zij, verdachte en/of zijn medeverdachte de zegels verbroken/verwijderd van die meetinrichting;

5:
zij op of omstreeks 12 maart 2013 te Lobith, gemeente Rijnwaarden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad ongeveer * 111 tabletten MDMA (XTC) en/of * 16,01 gram MDMA (XTC) en/of * 45 ml GHB (4-hydroxyboterzuur), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal/materialen bevattende MDMA (XTC) en/of GHB (4-hydroxyboterzuur), zijnde MDMA (XTC) en/of GHB (4-hydroxyboterzuur) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof acht evenmin bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hennepteelt vanaf 1 augustus 2008 zoals onder 2 ten laste is gelegd

Overweging met betrekking tot de (gedeeltelijke) vrijspraak van het sub 2 en sub 3 tenlastegelegde

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal is van oordeel dat de feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De verklaring van [getuige] van 13 maart 2013 is betrouwbaar, gelet op de gedetailleerdheid ervan en de ondersteuning ervan door bewijsmiddelen in het dossier.

Dat het onverklaarbare vermogen uit leningen en het bijklussen kan worden verklaard, is onaannemelijk en onvoldoende onderbouwd. Daarnaast is er sprake van medeplegen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het telen van de hennep pas in het najaar van 2012 is begonnen. Uit de anonieme melding noch de warmtemetingen kan de pleegperiode worden opgemaakt. Daarnaast is de verklaring van [getuige] onvoldoende betrouwbaar. Het kasboek kan evenmin voor het bewijs van een langere kweekperiode dienen. Er is onvoldoende om verdachte als medepleger te kunnen aanmerken. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van feit 2, 3 en 5.

De feiten en omstandigheden

Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden, die ook niet ter discussie staan.

Begin september 2012 wordt wijkagent [wijkagent] aangesproken door een persoon die anoniem wilde blijven. Deze persoon vertelde de wijkagent dat er een mogelijke hennepkwekerij was in het pand aan [adres] te Lobith. Het was deze persoon een paar weken daarvoor opgevallen dat vanuit genoemd perceel vuilniszakken met inhoud in een Volkswagen Caddy werden geladen. Daarnaast was het pand rondom gesloten met rolluiken, zowel overdag als in de avond- en nachturen. Later zag deze persoon dat er bakjes de woning in werden gedragen. Op het adres was volgens deze anonieme melder de familie [familienaam] woonachtig.

Op 27 november 2012, 22 januari 2013 en 9 maart 2013 is aan het adres de [adres] in Lobith met behulp van een warmtebeeldcamera in kaart gebracht dat er op alle drie momenten een extreme warmtebron aanwezig was op de zolder van het perceel.

Op 12 maart 2013 is met toestemming van bewoner [medeverdachte 1] binnengetreden in het pand aan de [adres] in Lobith. Verbalisanten hebben in de garage van de woning een hennepkwekerij aangetroffen. Er zijn geen planten aangetroffen in de kwekerij, maar wel een ruimte die kennelijk was ingericht voor het telen van hennep. In een afgetimmerde bak stonden 196 plantenpotten op vijverfolie en in deze plantenpotten zat potgrond. In een aparte ruimte in de garage was een droogruimte, daarin stonden onder andere twee sealbags met 6512 gram gedroogde hennep erin. Op de lampenkappen en de aan- en afvoerbuizen van de hennepkwekerij hebben verbalisanten een dikke laag stof aangetroffen. De kieren in de kwekerij waren dichtgemaakt met purschuim dat al verkleurd was. De koolstoffilter in de droogruimte was sterk vervuild en er lagen meerdere sterk vervuilde knipschaartjes met THC-resten. Daarnaast hebben de verbalisanten in een kluis in het pand 111 MDMA pillen, 16,01 gram MDMA en 45ml GHB aangetroffen.

Kasopstelling

Bureau Financiële Recherche heeft ten aanzien van de periode van 1 januari 2007 tot en met 12 maart 2013 een kasopstelling gemaakt. Daaruit blijkt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] in ieder geval € 193.657,48 meer contante uitgaven hebben gedaan dan dat zij uit enige legale bron van inkomsten konden verantwoorden.

De verklaringen van verdachte en de medeverdachten

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij de hennep heeft geknipt die is aangetroffen in de woning. Haar man kluste wel eens zwart bij. Bij de rechter-commissaris heeft zij verklaard dat het idee van de kwekerij van haar man af kwam en dat zij niets te maken had met de kwekerij en de kwekerij niet wilde. De kwekerij is vanaf half oktober 2012 opgezet. Verdachte wist dat er harddrugs in de kluis lagen.

Medeverdachte [getuige] heeft in zijn verklaring bij de politie op 13 maart 2013 verklaard dat de kwekerij er in ieder geval al zat toen hij terug kwam uit het leger, in november 2008. Hij en zijn ouders, de medeverdachten, zorgden samen voor de planten en knipten de hennep ook zelf. Dat het geld dat met de hennepplanten verdiend werd, in luxegoederen werd geïnvesteerd, is goed mogelijk. Tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, heeft de medeverdachte verklaard dat deze belastende verklaring niet klopt, dat hij pas op het laatst wist dat er een hennepkwekerij zat en dat hij niet heeft geholpen met de kwekerij.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de kwekerij in november 2012 heeft opgezet. Hij heeft de planten zelf onderhouden en heeft ook de elektra aangelegd. Zijn zoon en vrouw wisten van de kwekerij af, maar hadden er verder niets mee te maken. Hij deed regelmatig zwarte klussen, waardoor hij wat bijverdiende. De aangetroffen harddrugs in de kluis zijn van hem.

Het oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.

Feit 2 en feit 3

Het telen van de hennep wordt door de verdediging niet betwist. Wat wel betwist wordt, is de pleegperiode zoals ten laste gelegd. De verklaringen in het dossier en zoals afgelegd ter terechtzitting lopen uiteen ten aanzien van de pleegperiode. De verdenking ten aanzien van de langere – ten laste gelegde - periode van de hennepteelt en het witwassen is in belangrijke mate gebaseerd op de voor verdachte belastende verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] zoals afgelegd bij de politie op 13 maart 2013 en de kasopstelling.

Om te kunnen vaststellen wanneer het telen van de hennep is begonnen, zal het hof allereerst moeten beoordelen of de belastende verklaring van [getuige] voldoende betrouwbaar is om voor het bewijs te kunnen worden gebezigd.

De verklaring van [getuige] is weliswaar gedetailleerd, maar de wijze van antwoorden bij de politie roept bij het hof gerede twijfel op over de betrouwbaarheid ervan, mede gelet op de ernstige psychische problematiek van medeverdachte en zijn kwetsbare persoonlijkheid. Daarnaast heeft het hof te weinig informatie over het precieze verloop van het verhoor. Gelet op het voorgaande dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat [getuige] bewust of onbewust niet (geheel) naar waarheid heeft verklaard, dan wel bepaalde waarnemingen niet goed in de tijd heeft geplaatst of daaruit verkeerde conclusies heeft getrokken.

Het hof zal daarom de verklaring van [getuige] niet voor het bewijs bezigen.

Uit de kasopstelling blijkt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] € 193.657,48 meer contant hebben uitgegeven dan dat zij contant hebben ontvangen. Het hof heeft echter onvoldoende zicht gekregen op de omstandigheden die een rol zouden kunnen hebben gespeeld in dit verschil tussen de inkomsten en uitgaven, zoals de omvang van de schulden en leningen, de omvang van de opbrengsten uit het zwart bijklussen en de aangetroffen

-door verdachte naar eigen zeggen voor andere personen bewaarde- aankoopbonnen. Het hof volgt om die reden de redenering van de advocaat-generaal dat dit financiële gat enkel verklaard kan worden uit de illegale opbrengsten van de hennepkwekerij, niet. De kasopstelling kan daarom naar het oordeel van het hof niet bijdragen aan de vaststelling van de periode waarin de hennep is geteeld.


Gelet op het bovenstaande kan het hof, ondanks het bestaan van sterke aanwijzingen, niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de kwekerij reeds in 2008 is opgestart.

Op basis van voornoemde anonieme melding, de warmtemetingen en de aangetroffen vervuiling in de kwekerij stelt het hof vast dat de kwekerij in ieder geval sinds 1 september 2012 is opgestart.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde witwassen is het hof op grond van het voorgaande van oordeel dat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Medeplegen

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof met betrekking tot het tenlastegelegde het volgende af.

Verdachte heeft vanaf het eerste verhoor verklaard dat zij op de hoogte was van het bestaan van de hennepkwekerij. Zij heeft tijdens dat verhoor ook verklaard dat zij geholpen heeft met het knippen van de hennepplanten. Daarnaast acht het hof het voldoende aannemelijk geworden dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] de opbrengst van de hennep hebben gedeeld nu zij gezamenlijk één huishouden voerden en niet gebleken is van gescheiden geldstromen.

Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachte die in de kern bestaat uit een significante, gezamenlijke, uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Feit 5
Gelet op het feit dat verdachte wetenschap had van de harddrugs die in de kluis lagen, acht het hof het onder feit 5 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
zij op of omstreeks 12 maart 2013 te Lobith, gemeente Rijnwaarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad ongeveer 6512 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, terwijl bovengenoemd feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid (zijnde 6512 gram) van bovengenoemd middel, zijnde meer dan de hoeveelheid van het middel van een in een Algemene Maatregel van Bestuur genoemde grens van grote hoeveelheid (zijnde 500 gram);

2:
zij in of omstreeks de periode van 01 september 2012 tot en met 12 maart 2013 te Lobith, gemeente Rijnwaarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (telkens) ongeveer 196, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, terwijl bovengenoemd feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid (zijnde meerdere oogsten van ongeveer 180 tot 200 planten) van bovengenoemd middel, zijnde meer dan de hoeveelheid van het middel van een in een Algemene Maatregel van Bestuur genoemde grens van grote hoeveelheid (zijnde 200 planten);

5:
zij op of omstreeks 12 maart 2013 te Lobith, gemeente Rijnwaarden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad ongeveer

* 111 tabletten MDMA (XTC) en/of

* 16,01 gram MDMA (XTC) en/of

* 45 ml GHB (4-hydroxyboterzuur),

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal/materialen bevattende MDMA (XTC) en/of GHB (4-hydroxyboterzuur), zijnde MDMA (XTC) en/of GHB (4-hydroxyboterzuur) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk oplegt met een proeftijd van twee jaar. In de eis komen de proceshouding van verdachte en het feit dat zij geen verantwoordelijkheid neemt voor wat ze heeft gedaan tot uitdrukking. Daarnaast is rekening gehouden met het tijdsverloop en met het ontbreken van enige justitiële voorgeschiedenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft het hof verzocht rekening te houden met de negatieve gevolgen die de strafzaak voor verdachte heeft gehad, ze is al veel kwijtgeraakt door deze zaak. Daarnaast dient het hof rekening te houden met het tijdsverloop, het betreft een oude zaak.

Het oordeel van het hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan teelt van een grote hoeveelheid hennepplanten. In het algemeen geldt voor verdovende middelen dat zij verslavend zijn, met alle nadelige gevolgen van dien voor de gebruikers zelf en voor de samenleving als geheel. Zij heeft op die manier een bijdrage geleverd aan de instandhouding van een markt voor softdrugs. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Daarnaast zijn er in de woning van verdachte en medeverdachte grote hoeveelheden harddrugs aangetroffen die wijzen op een dealerindicatie. Deze verdovende middelen leveren een gevaar op voor de volksgezondheid, nu deze stoffen sterk verslavend zijn en regelmatig gebruik schadelijke lichamelijke, psychische en sociale gevolgen met zich mee kan brengen. Daarnaast veroorzaakt de handel in en het gebruik van verdovende middelen overlast voor de omgeving en de maatschappij. Het hof houdt rekening met de, door medeverdachte [familienaam] ter terechtzitting toegelichte, impact van het opzetten van de kwekerij, de aanhouding en de strafzaak, op hem persoonlijk maar ook op zijn vrouw, verdachte in de onderhavige zaak, en hun zoon en daarbij de impact op hun onderlinge verhouding(en). Het hof heeft de overtuiging bekomen dat het ook voor verdachte, gelet op deze impact, eens maar nooit weer zal zijn als het gaat om het opzetten van een dergelijke kwekerij.

Het hof slaat voorts acht op het Uittreksel justitiële documentatie van 3 augustus 2018, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld.

Gelet op de ernst van de feiten is het hof van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, beide van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 primair en 4 subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. B.J.J. Melssen, voorzitter,

mr. H. Heins en mr. E.M.J. Brink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. F.J. Kaat, griffier,

en op 19 september 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

De griffier is buiten staat

dit arrest mede te ondertekenen.

Mr. E.M.J. Brink is buiten staat

dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 19 september 2018.

Tegenwoordig:

mr. A.J. Smit, voorzitter,

mr. J. van Spanje, advocaat-generaal,

mr. R.S. Helmus, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.