Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8642

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-09-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
WAHV 200.204.128
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeren op parkeerplaats op andere dan aangegeven wijze. In dit geval is geen sprake van een 'aangegeven wijze' en had geen sanctie opgelegd mogen worden voor deze gedraging. Het hof wijzigt de feitcode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.204.128

27 september 2018

CJIB 184533516

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant

van 8 juni 2016

betreffende

[betrokkene] B.V. (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Op 25 januari 2018 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.
Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.

De griffier van het hof heeft de advocaat-generaal gevraagd om aanvullende informatie.

Deze informatie is ontvangen en (in kopie) doorgestuurd aan de gemachtigde van de betrokkene. Deze heeft daarop gereageerd.

Beoordeling

1. De gemachtigde voert aan dat de officier van justitie had moeten vermelden waarom van het horen is afgezien.

2. Artikel 7:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de officier van justitie, wanneer hij ervan afziet de betrokkene te horen, moet vermelden waarom. Het hof stelt vast dat in de beslissing van de officier van justitie dit aspect ontbreekt. Gelet daarop is sprake van een motiveringsgebrek. Tot vernietiging van deze beslissing hoeft dat niet te leiden, nu de betrokkene door dit gebrek naar het oordeel van het hof niet is benadeeld (zie artikel 6:22 van de Awb; vgl. het arrest van het hof van 13 februari 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2017:1044).

3. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “parkeren op parkeerplaats op andere dan aangegeven wijze”, welke gedraging zou zijn verricht op 19 september 2014 om 09:46 uur op de Stationsweg te Eindhoven met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

4. In zaken betreffende de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

5. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer in:

“Ik zag het voertuig buiten de vakken geparkeerd staan bij bord E102 (betaald parkeren met pas). Ik zag een ProRail-ontheffing die niet geldig is op de openbare weg. De gedraging vond plaats binnen de bebouwde kom.”

6. De gemachtigde betwist dat het voertuig van de betrokkene op een parkeergelegenheid bij een bord E102 stond. Volgens de gemachtigde stond het voertuig ver buiten die parkeergelegenheid. Op die locatie geldt niet de regel dat alleen binnen de vakken mag worden geparkeerd. De gedraging zou dus niet zijn verricht. Verder zou onder het verkeersbord waaraan de verbalisant refereert geen onderbord zijn aangebracht met het vereiste om binnen de vakken te parkeren. Als er al een gedraging is verricht, is dat de gedraging met feitcode R397j: ‘op een parkeergelegenheid (borden E4 tot en met E9 of E11 tot en met E13 bijlage I) buiten de aangegeven parkeervakken, en niet de gedraging met feitcode R397e. Verder wijst de gemachtigde erop dat het vereiste om binnen de vakken te parkeren volgens het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) alleen geldt indien er vakken zijn. Die waren er echter niet op de plek waar het voertuig stond, aldus de gemachtigde. Tot slot stelt hij dat de betrokkene over een vrijstelling beschikte.

7. De door de gemachtigde overgelegde ‘vrijstelling’, met als kop ‘parkeerbewijs’, die ook op de foto van de gedraging is te zien achter de voorruit van het voertuig, betreft een toestemming om te parkeren op spoorwegterrein van ProRail. Nu de verbalisant heeft verklaard dat het voertuig op de openbare weg stond, en het tegendeel niet is gebleken, valt de relevantie van dit document niet in te zien. De tweede vrijstelling die de gemachtigde bij het faxbericht d.d. 13 augustus 2018 heeft overgelegd, bevond zich niet achter de voorruit, zodat deze geen bespreking behoeft.

8. Op basis van verschillende foto’s in het dossier stelt het hof vast dat het voertuig van de betrokkene in de hoek van een parkeerterrein stond, met twee wielen in het gras en de andere twee wielen op het verharde gedeelte. In deze hoek zijn geen parkeervakken, op de rest van het terrein wel. De verbalisant heeft verklaard dat alle inritten van het parkeerterrein zijn voorzien van een verkeersbord E102 (betaald parkeren met pas). Verder heeft de verbalisant verklaard dat het parkeerterrein, dat in de binnenstad van Eindhoven is gelegen, valt binnen een parkeerverbodszone. Dit blijkt verder uit een door de verbalisant overgelegde kaart van Eindhoven, waarop deze parkeerverbodszone is gemarkeerd.

9. De gedraging waarvoor een sanctie is opgelegd, betreft het parkeren op een parkeerplaats op een andere dan de aangegeven wijze. Het gaat dan doorgaans om aanwijzingen als ‘binnen de vakken’. Met de gemachtigde stelt het hof vast dat in dit geval geen sprake is van een ‘aangegeven wijze’. Gelet daarop had voor deze gedraging geen sanctie mogen worden opgelegd.

10. Uit de tekst van artikel 65, derde lid, van het RVV 1990 volgt dat het parkeren op daartoe bestemde weggedeelten een uitzondering is op een algeheel parkeerverbod. Dit betekent dat slechts parkeren op daartoe bestemde weggedeelten, in het onderhavige geval in de vakken bestemd voor betaald parkeren, is toegestaan (vgl. het arrest van 13 november 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:9855). Het hof stelt vast dat het voertuig van de betrokkene binnen een parkeerverbodszone buiten een parkeervak stond geparkeerd. Dat betekent dat de gedraging met feitcode R584 is verricht: parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodszone (bord E1).

11. Volgens vaste rechtspraak kan de feitcode worden gewijzigd wanneer de betrokkene daardoor niet in haar belangen wordt geschaad. Nu beide feitcodes het fout parkeren van een voertuig betreffen en de sanctiebedragen gelijk zijn, wordt de betrokkene in dit geval niet geschaad door een wijziging van de feitcode. Het hof zal daar dan ook toe overgaan. Dat brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond moet worden verklaard. Nu de beslissing van de kantonrechter reeds hierom wordt vernietigd, laat het hof de andere beroepsgronden tegen die beslissing onbesproken.

12. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het indienen van het hoger beroepschrift, de nadere toelichting daarop en het reageren op de aanvullende informatie worden in totaal 3 punten toegekend. Voor het toekennen van een vergoeding voor het instellen van administratief beroep ziet het hof geen aanleiding, nu de in die fase aangevoerde beroepsgronden falen.
Pas in de procedure bij de kantonrechter en in hoger beroep is een beroepsgrond aangevoerd die doel treft. In aanmerking genomen dat de gemachtigde moet worden beschouwd als professioneel rechtsbijstandsverlener van wie mag worden verwacht dat hij deze grond reeds in administratief beroep naar voren had gebracht, acht het hof het niet redelijk om de in die fase gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking te laten komen. De waarde per punt bedraagt € 501,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 751,50.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond;

wijzigt de beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 184533516 de administratieve sanctie is opgelegd, in zoverre dat de feitcode wordt gewijzigd in R584 en de omschrijving in ‘parkeren in strijd met parkeerverbod/ parkeerverbodszone (bord E1)’;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 751,50.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.